5

In het aloude politiebureau aan de Amsterdamse Warmoesstraat blikten de lichtgroene ogen van Arno de Graaf schichtig om zich heen naar de kale wanden van de grote recherchekamer. Hij streek met zijn vingers langs de hals van zijn T-shirt.

De omgeving benauwde hem zichtbaar. Hij draaide zijn gezicht naar De Cock.

‘Ben ik gearresteerd?’ vroeg hij angstig.

De grijze speurder glimlachte.

‘Heb ik daar gronden voor?’

Arno de Graaf grijnsde met een scheve mond.

‘Is dat belangrijk voor de politie?’

De Cock knikte overtuigend.

‘Ik ben ingehuurd om de wet te handhaven en als ik jou zou vasthouden zonder redelijke gronden, dan maak ik mij schuldig aan vrijheidsberoving en daar voel ik niet veel voor. Ik bedoel, ik wil mijn baan niet kwijt. Daarvoor is mijn job…’

De oude rechercheur maakte zijn zin niet af. Hij schonk de jongeman een beminnelijke glimlach.

‘Noem mij een paar redelijke gronden om jou vast te houden en ik verschaf je in dit gammele gebouw enige dagen gratis verzorging en onderdak.’

Arno de Graaf trok zijn linkerschouder op.

‘Gronden,’ herhaalde hij onzeker. ‘Een mens doet zoveel in zijn leven.’

De Cock strekte zijn armen naar hem uit. ‘Kattenkwaad… ondeugende dingen…. strafbare handelingen… pure misdrijven… moord?’

Arno de Graaf gniffelde.

‘Wie zonder zonde is…’

De Cock keek hem verrast aan.

‘Dat is het begin van een Bijbeltekst.’

Arno de Graaf reageerde gelaten.

‘Kan wel. Het is een kreet van mijn moeder. Ze meende dat ieder mens zonden begaat.’ Hij glimlachte. ‘Ze ging als kind naar de zondagsschool.’

‘En jij?’

Arno de Graaf grijnsde.

‘Vader vond het fl auwekul.’

‘Weet je hoe die tekst verderging?

Arno de Graaf maakte een grimas.

‘Het had iets met een steen te maken.’

De Cock knikte.

‘Ze brachten een jonge vrouw die vreemdgegaan was, naar Jezus en vroegen of ze haar mochten stenigen. Dat was in die tijd gebruikelijk. Toen zei Jezus: Wie van u zonder zonde is, werpe de eerste steen.’

‘En?’

‘Niemand wierp.’

Arno de Graaf keek hem lachend aan.

‘Een toffe gozer, die Jezus.’

De Cock knikte vaag.

‘Dat was hij, een toffe gozer.’ De oude rechercheur krabde zich achter in zijn nek. ‘Maar ik heb hem nog nooit zo genoemd horen worden.’

Arno de Graaf boog zich iets naar hem toe.

‘Waarom hebt u mij hierheen gesleept?’ vroeg hij agressief.

‘Denkt u dat ik iets met de dood van moeder te maken heb?’

De Cock antwoordde niet direct. Hij keek de jongeman onbevangen aan.

‘Ik vind het begrip “slepen” niet op zijn plaats,’ sprak hij bestraffend. ‘Slepen roept associaties op aan geweld. Ik heb je vriendelijk verzocht om met mij mee te gaan. Aan dat verzoek heb je voldaan.’

Arno de Graaf bromde.

‘Wat is een verzoek?’ grinnikte hij. ‘Een verzoek van de politie beschouw ik als een bevel.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ik vond het niet verstandig om jou alleen in dat appartement aan de Brouwersgracht achter te laten. Bovendien wilde ik eens in alle rust met je praten over jou… jouw leven en over de dood van je moeder.’

‘Wat valt er nog over moeder te zeggen?’ verzuchtte Arno. ‘Ze hebben haar gemold. Vakkundig. Daar kun je nog lang over praten. Maar dat heeft weinig zin.’

De Cock negeerde de opmerking. ‘Van wie hoorde jij dat Pedro de Jaager het plan had opgevat om jou te laten liquideren?’

‘Dat hoorde moeder.’

‘Van wie?’

Arno de Graaf trok zijn schouders op.

‘Moeder had nog steeds relaties met luitjes uit de oude Tentakelgroep. Relaties uit de tijd dat vader nog leefde.’

‘Heb jij voor de Hosselaars gewerkt?’

Arno de Graaf schudde zijn hoofd.

‘Ik heb nooit voor een groep gewerkt. Daar ben ik niet geschikt voor. Te zelfstandig… weiger bevelen aan te nemen. Toen vader nog leefde, ging ik wel eens met hem mee en woonde geheime bijeenkomsten bij.’

‘Van de Tentakels?’

‘Ja.’

‘Heb je daar de bijnaam Muurbloempje van overgehouden?’

Arno de Graaf maakte een hulpeloos gebaar.

‘Ik nam niet graag aan hun gesprekken deel… aan de plannen die ze maakten. De een had nog een grotere bek dan de andere. Ik mocht die lui niet. Als ze mij wat vroegen, dan gaf ik geen antwoord. Buiten mijn vader waren het allemaal ratten.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Jouw vader was geen rat?’

Arno de Graaf grijnsde.

‘Absoluut niet. Een eerlijk man. Intelligent. Ik was erg op hem gesteld en ik heb ook nooit begrepen hoe hij in die groep misdadigers terecht was gekomen.’

‘Geld?’‘Dat denk ik,’ antwoordde Arno somber. ‘Moeder had een grote hang naar luxe… wilde steeds meer. Mooiere kleren, grotere auto’s, een tweede huis in Spanje. Dat zal hem hebben gedreven.

Hij was gek op haar.’

‘Liefde is blind.’

‘In de groep genoot vader een goede reputatie. Toen ik Pedro de Jaager een grote partij hasj aanbood, hapte hij onmiddellijk.’

De Cock glimlachte.

‘Hij dacht: zo vader, zo zoon.’

Arno de Graaf knikte.

‘Pedro de Jaager vertrouwde mij blijkbaar.’

‘Ten onrechte.’

Arno de Graaf grijnsde opnieuw.

‘Pedro de Jaager vergat,’ reageerde hij langzaam, ‘dat ik niet was en niet wilde vergeten dat hij verantwoordelijk was voor de dood van mijn vader.’

‘Je leverde hem koeienmest… uit wraak?’

De ogen van Arno de Graaf twinkelden.

‘En voor een grote berg geld.’

De Cock keek hem scherp aan.

‘Was die ripdeal je enige wraakactie?’

Arno de Graaf reageerde waakzaam.

‘Hoe bedoelt u?’

‘Pedro de Jaager werd kort nadat hij in vrijheid werd gesteld bij de afslag Maarssen vanaf de duozit van een motor neergeschoten.’

Arno de Graaf snoof.

‘Ik heb geen motor en ik kan niet motorrijden.’

‘Schieten, van dichtbij, met een kalasjnikov op je heup is kinderspel.’

Arno de Graaf schudde zijn hoofd.

‘Ik ben overal voor in, geloof me, behalve voor moord.’

De Cock liet het onderwerp rusten.

‘Acht jij het mogelijk,’ formuleerde hij voorzichtig, ‘dat een van de Tentakelgroep jouw moeder vermoordde?’

‘Waarom?’

De Cock keek hem schuins aan.

‘Nu jij onbereikbaar was, keurig weggemoffeld door je moeder, als bestraffing voor jouw ripdeal met Pedro de Jaager?’

‘Onzin.’

De Cock stak zijn wijsvinger omhoog.

‘Ik kom op die gedachte door het cannabisblad dat op haar voorhoofd was geplakt.’

Arno de Graaf schudde zijn hoofd.

‘Van de top van die Tentakelgroep leeft volgens mij niemand meer. Uitgemoord door interne ruzies of gesneuveld in hun strijd met de Hosselaars.’

De Cock keek hem onderzoekend aan.

‘Er… eh, er moet toch,’ sprak hij weifelend, ‘een enkele vertrouweling van wijlen jouw vader zijn overgebleven… iemand die je moeder waarschuwde voor jouw op handen zijnde liquidatie.’

Arno de Graaf reageerde geprikkeld.

‘Oké, die moet er zijn. Moeder had sinds kort weer omgang met een man. Ene Gerard van Akkeren. Ik heb hem maar één keer vluchtig ontmoet, in haar appartement. Misschien was hij het wel. Weet ik veel. Degene die waarschuwde was in ieder geval geen vijand, niet iemand die mijn moeder of mij naar het leven stond.’

‘Ken jij verder nog zo’n… eh, zo’n loyaal iemand van vroeger?’

‘Ik heb liever niet,’ sprak Arno scherp, ‘dat u in die oude Tentakelgroep gaat roeren. Er is misschien nog een enkeling in leven.

Een koeriertje, een man of vrouw voor het vieze werk. Nu Pedro de Jaager dood is, is er weinig meer van hen te duchten.’

De Cock vouwde zijn handen.

‘Jij… eh, jij was toch bang dat je moeder iets zou overkomen?’

‘Dat was ik.’

‘Weet je nog wat je riep toen jij ons in het appartement bij je dode moeder aantrof?’

Arno de Graaf knikte traag. ‘Stom mens. Hoe vaak heb ik je niet gezegd om niemand binnen te laten.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Er was een vergrotend koekeloersie* in de toegangsdeur van het appartement aangebracht. Je moeder kon zien wie er voor haar deur stond. Er waren aan die deur geen sporen van braak of verbreking en het slot was gaaf.’

Arno de Graaf liet zijn hoofd iets zakken.

* kijkglaasje

‘Ze moet haar moordenaar of moordenares zelf hebben binnengelaten,’ reageerde hij gelaten. ‘Een andere mogelijkheid is er niet.’

‘Ze heeft dus hem of haar die voor haar deur stond, volkomen vertrouwd. Wie?’

Arno de Graaf keek naar hem op.

‘Ik sprak u over “ratten”,’ zei hij sissend. ‘Wij hebben zo’n rat in onze familie: neef Henry Achterberch, zoon van oom Al fred, de jongste broer van mijn moeder. Verslaafd aan de heroïne en tot elke moord in staat.’

Vledder keek hem verwonderd aan. ‘Je liet hem gaan?’

De Cock knikte. ‘Op basis waarvan zou ik hem moeten vasthouden? In die ripdeal kan ik geen strafbare handeling zien.

Pedro de Jaager, de benadeelde, is dood.’

De oude rechercheur gniffelde. ‘En als hij nog had geleefd, dan had hij die ripdeal zeker ontkend.’

‘Je hebt Arno de Graaf niet gevraagd of hij zijn moeder had vermoord?’

‘Een overbodige vraag,’ verzuchtte De Cock, ‘waarvan ik het antwoord kende.’

‘Nee.’

‘Precies. Maar dat betekent niet dat ik hem als verdachte uitsluit. Je weet wat meester Van Hardenberg van hem zei: Als Arno er voordeel in ziet, vermoordt hij zijn eigen moeder.’

‘Wat denk je van neef Henry Achterberch?’

De Cock tuitte zijn lippen. ‘Een redelijke verdachte. Moeder De Graaf was volgens Arno erg op haar neef gesteld. Ze wist dat hij verslaafd was, maar voorzag hem toch steeds weer van geld om aan zijn verslaving te kunnen voldoen.’

‘Motief?’

De Cock schoof zijn onderlip vooruit. ‘Niet zo moeilijk, dacht ik. Moeder De Graaf weigerde haar donaties voort te zetten.

Neef Henry slikte dat niet en beraamde een moord.’

‘En dat blad op haar voorhoofd?’

De Cock trok zijn schouders iets op.

‘Het kan een aanwijzing zijn naar het motief van de moord. Het cannabisblad is min of meer het symbool van alle drugs geworden.’

Vledder keek hem ongelovig aan.

‘Loopt een junk met een gedroogd cannabisblad op zak?’ vroeg hij spottend.

De opmerking ergerde de oude rechercheur.

‘Dat neem ik niet aan,’ bromde hij. ‘Ik ben in de fouillering van een junk nog nooit een gedroogd cannabisblad tegengekomen.’

De grijze speurder schudde zijn hoofd.

‘Het was geen moord in een opwelling. De man of de vrouw diede moord pleegde, was terdege voorbereid.’

Vledder knikte begrijpend.

‘En had voor de uitvoering van de moord al het plan om een cannabisblad op haar voorhoofd te plakken.’

‘Exact.’

‘De moord houdt dus verband met hasj?’

‘Dat wil de moordenaar of moordenares ons doen geloven. Ik gruwel zo langzamerhand van al die zaken waarin hasjiesj een rol speelt. De overheid gedoogt coffeeshops, zij gedoogt dat mensen hasj roken, hasj eten, of hoe dan ook gebruiken, maar eist van ons dat wij optreden tegen lieden die in hasjiesj handelen… optreden tegen lieden die voor de aanvoer van dat spul zorgen. Dat is ongerijmd, en vooral inconsequent.’

Vledder keek hem schattend aan.

‘Laten we de zaak moeder De Graaf rusten?’

De Cock stoof op.

‘Moord is moord,’ brieste hij. ‘Goddank wordt moord in ons land nog niet gedoogd.’

Vledder grinnikte.

‘Het is leuk. Ik heb je in mijn leven nog nooit zo kwaad gezien.’

De Cock blies stoom af.

‘Moet ik het als politieman per defi nitie eens zijn met de maatregelen van de overheid? Heb ik geen eigen verantwoordelijkheid, geen eigen inzichten?’

Vledder antwoordde niet. Er werd op de deur van de recherchekamer geklopt en de jonge rechercheur riep: ‘Binnen.’

De deur gleed open en in de deuropening verscheen een jonge vrouw. De Cock schatte haar op voor in de twintig. Ze droeg een lichtgroene regenmantel met capuchon, met daaronder een lang, exotisch gewaad dat tot haar enkels reikte. Haar olijfkleurig gelaat, waarin een paar donkere amandelvormige ogen schitterden, had de uitstraling van een Egyptische prinses. De oude rechercheur dacht aan een verrassende reïncarnatie van koningin Nefertete.

Ze liep op hem toe.

‘U bent toch rechercheur De Cock?’

De grijze speurder knikte.

‘Met… eh, met ceeooceekaa,’ reageerde hij haast automatisch.

‘Mag ik u spreken?’ vroeg ze zangerig.

De oude rechercheur gebaarde naar de stoel naast zijn bureau.

‘Gaat u zitten.’

Ze knoopte haar regenmantel los, nam plaats en verschoof iets aan haar gewaad.

‘Mijn naam is Stephanie… Stephanie van Bruggen. Ik ben de vriendin van Arno de Graaf.’

‘Prettig met u kennis te maken,’ reageerde De Cock vormelijk.

Stephanie van Bruggen schonk hem een glimlach. ‘Volgens mijn informatie bent u een eerlijk en betrouwbaar man.’

De Cock maakte een grimas. ‘Uitzonderlijk voor een politieman?’ vroeg hij met een zweem van spot.

Stephanie van Bruggen leek even verward. ‘Iemand raadde mij aan om met u te praten.’

‘Over wie… over wat?’

‘Arno.’

De Cock reageerde verrast. ‘Hij was hier, nog geen uur geleden!’

Stephanie zuchtte.

‘Dat weet ik. Hij heeft mij gebeld. Arno was totaal in de war. hij vertelde van de moord op zijn moeder en dat u de zaak in onderzoek heeft.’

De Cock hield zijn hoofd iets schuin.

‘Hij heeft u aangeraden om mij te bezoeken?’ vroeg hij argwanend.

Stephanie schudde haar hoofd.

‘Ik kom uit mijzelf… op aanraden van een vriend van mijn vader… een oud-collega van u. Hij roemde uw betrouwbaarheid als mens en politieman.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Wat is er met Arno?’

‘Ik hou van hem.’

De Cock grinnikte.

‘Over liefde wordt in ons Wetboek van Strafrecht met geen woord gerept.’

Het grapje ontging Stephanie van Bruggen. De jonge vrouw trok haar gezicht in een ernstige plooi.

‘Ik ben bang, meneer De Cock,’ sprak ze angstig. ‘Bang dat Arno domme dingen gaat doen.’

‘Zoals?’

Stephanie verschoof iets op haar stoel.

‘Arno is er van overtuigd dat zijn neef Henry Achterberch verantwoordelijk is voor de dood van zijn moeder.’

‘En?’

‘Hij is naar hem op zoek.’

De Cock kneep zijn ogen halfdicht.

‘Om… eh, om neef Henry heel vriendelijk en nederig te vragen of hij misschien zijn moeder heeft gedood?’

Zijn stem droop van sarcasme.

Stephanie draaide haar hoofd iets weg.

‘Ik denk niet,’ antwoordde ze zacht, ‘dat Arno vragen gaat stellen. Daar heeft hij het geduld niet voor. Ik ken Arno… ik weet hoe hij is. Ik… eh, ik houd altijd rekening met zijn opvliegende aard… zijn soms exploderend temperament.’

De Cock keek haar streng aan. ‘Wat verwacht u?’

Stephanie slikte. ‘Dat hij neef Henry iets aandoet.’

De Cock boog zich naar haar toe. ‘Hij heeft mij gezegd dat hij voor alles “in” is… behalve voor moord.’

Stephanie keek hem aan. Haar donkere ogen glansden. ‘Arno zal het geen moord noemen.’

‘Hoe dan?’

‘Een daad van gerechtigheid.’

Загрузка...