Vledder wees naar een blocnote voor zich op zijn bureau.
‘Ik heb geduldig mee zitten luisteren tijdens jouw gesprek en een paar uitspraken van die Alfred Achterberch opgeschreven.’
‘Heel goed.’
Vledder schudde afkeurend zijn hoofd.
‘Vader Achterberch was naar mijn gevoel niet erg onder de indruk van de dood van zijn zoon. Ik heb bij hem geen emotie gezien… geen verdriet.’
‘Er zijn mensen die zich niet zo gemakkelijk uiten.’
Vledder zwaaide voor zich uit.
‘Sterven was het beste wat Henry kon overkomen… Welke vader zegt zoiets van zijn eigen kind? Ik vind hem maar een vreemde man.’
‘Waarom?’
Vledder keek naar zijn aantekeningen.
‘Hij schildert ook zijn zuster Anna-Marie erg zwart af: haar-verdorven-ziel-zal-nu-wel-in-de-hel-branden. De man van Anna-Marie was een drugsbaron… door-haar-toedoen. Ook met Aleida de Waal heeft hij niet veel op. Zij is haar-dwaze-en-idiote-vriendin.’
De Cock maakte een schouderbeweging.
‘Ik kan mij zijn woede wel indenken. Hij heeft geprobeerd om zijn zoon op het rechte pad te houden en die twee vrouwen hebben hem daarin tegengewerkt… hebben zijn inbreng onmogelijk gemaakt.’
Vledder maakte een hulpeloos gebaar.
‘Ze hebben die jongen af en toe wat toegestopt. Mag dat niet?’
‘Zij hebben zijn vaderlijk gezag aangetast.’
Vledder grinnikte.
‘Bestaat er nog zoiets als een vaderlijk gezag?’
De Cock tuitte zijn lippen.
‘In de laatste decennia is het imago van de vader in ons land sterk gedevalueerd.’
‘In welk opzicht?’
De Cock gebaarde.
‘Hij was de belangrijkste fi guur in het gezin. Gezinshoofd. Nu is hij van kostwinner geduikeld naar tweeverdiener. Door de veranderde maatschappelijke verhoudingen is hij zijn vooraanstaande positie kwijtgeraakt. Hij is allang niet meer de onaantastbare heer des huizes.’
Vledder snoof.
‘Terecht. Ik ben voor de emancipatie. Zo’n begrip als “vaderlijk gezag” past toch niet meer in deze tijd. Wat is nog een vader? Sinds de reageerbuisbaby’s is hij zelfs als verwekker niet meer interessant.’
De Cock verborg een glimlach achter zijn hand. ‘Jammer.’
Vledder keek hem strijdlustig aan. ‘Was dat vroeger anders? Ik bedoel, had een vader vroeger wel gezag over zijn kinderen?’
De Cock knikte nadrukkelijk.
‘Zeker in de oudheid: wanneer-een-man-een-weerbarstige,weerspannige-zoon-heeft, — die-naar-zijn-vader-en-moeder-nietwil-luisteren…’
Vledder hield zijn hoofd iets schuin.
‘Een bijbelwoord?’
‘Uit het boek Deuteronomium.’
‘Wat gebeurde er met zo’n zoon?’
‘Die werd in de oudheid gestenigd.’
Vledder lachte vrijuit.
‘Dan had men in Nederland geen keien genoeg.’
De Cock negeerde de opmerking.
‘Al wordt er niet meer gestenigd, er zijn in ons land nog wel degelijk vaders die hun vaderlijk gezag willen laten gelden.’
‘En Alfred Achterberch is er een van?’
‘Duidelijk.’
‘Vandaar zijn woede?’
‘Hoewel hij het ons niet met zoveel woorden heeft gezegd, proef ik uit de felle aanvallen op zijn zuster en haar vriendin dat hij de Tantetjes wel degelijk verantwoordelijk acht voor de gewelddadige dood van zijn zoon Henry.’
‘En?’
‘Wat bedoel je?’
‘Heeft dat consequenties?’
De Cock spreidde zijn handen.
‘Weet je nog wat dokter Den Koninghe zei, nadat hij ons had onthuld dat moeder De Graaf dood was?’
‘Zoek een man of een vrouw met een sterke arm. De sjaal is heel diep in haar huid gesnoerd. Daar is fl ink wat kracht voor nodig.’
De Cock knikte.
‘Alfred Achterberch is een atletisch gebouwde man met ongetwijfeld sterke armen en de groene sjaal om zijn hals leek verdacht veel op de sjaal om de hals van de dode Anna-Marie de Graaf.’
De Cock keek zijn jonge collega onderzoekend aan.
‘Hoe was de sectie?’
Vledder trok een vies gezicht.
‘Dokter Rusteloos had haast. Hij had ook de pest in. Voor vandaag had hij nog drie gerechtelijke secties. Te veel, naar zijn zin.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Die man werkt veel te hard en hij is ook zo jong niet meer.
Het wordt tijd dat ze bij het Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie meer mensen aanstellen. Er worden tegenwoordig nu eenmaal meer moorden gepleegd dan vroeger.’ ‘Ik heb hem nog nooit zo snel zien werken. In een klein uur was hij klaar met zijn sectie en kon zijn helper de zaak dichtnaaien.’
‘Bijzonderheden?’
Vledder trok zijn schouders op.
‘De bij een strangulatie gebruikelijke gekneusde en gebroken luchtpijpringetjes.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Wurgen of worgen is wellicht de oudste vorm van moord. Je hebt er geen werktuigen voor nodig. Een paar sterke handen is voldoende.’
De jonge rechercheur trok een grijns.
‘Ik heb inmiddels zoveel gerechtelijke secties bij slachtoffers van een wurgmoord meegemaakt… ik kan de procedure dromen. Geef mij een goed lancet en ik peuter zelf zo’n lijk open.’
De Cock keek hem bestraffend aan.
‘Een gerechtelijke sectie is geen lijk-open-peuteren.’
Vledder reageerde uitdagend. ‘Wat is het dan?’
De Cock antwoordde niet. ‘Toen jij naar Westgaarde was, heb ik mij in verbinding gesteld met de recherche in de regio Gooi-en Vechtstreek. Bij hun onderzoek naar de moord op Pedro de Jaager hebben ze nog weinig vorderingen gemaakt. Ik heb hen verteld van dat kalasjnikovgeweer.’
‘En?’
‘Ze waren zeer geïnteresseerd en zouden contact opnemen met onze wapendeskundige. De kogels in het lichaam van Pedro de Jaager zijn volgens hen vrijwel zeker uit een kalasjnikov afkomstig… hetzelfde kaliber.’
Vledder keek hem schuins aan.
‘Heb je al volgers op Stephanie van Bruggen gezet?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik hoop Arno de Graaf op de begrafenis van zijn moeder te treffen. Als hij daar niet komt, laat ik Stephanie van Bruggen schaduwen.’
Vledder staarde nadenkend voor zich uit en tikte met zijn wijsvinger tegen de zijkant van zijn hoofd.
‘Er was nog iets. Zou ik bijna vergeten te vertellen. Volgens dokter Rusteloos was het gedroogde cannabisblad op het voorhoofd van het slachtoffer geplakt met gummi arabicum.’
‘Arabische gom.’
‘Ken jij dat?’
De Cock knikte.
‘Het werd vroeger op kantoren wel gebruik bij het plakken van papier.’
‘Niet meer?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘We hebben nu plakstiften. Gummi arabicum komt tegenwoordig nog veelvuldig voor als bindmiddel en emulgator in de levensmiddelenindustrie en bij het fabriceren van kosmetica.’
Vledder fronste zijn wenkbrauwen.
‘Kennen we uit ons onderzoek iemand die daar werkt?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Zover ik weet niet. Maar misschien komen we nog een keer zo iemand tegen.’
De oude rechercheur stond van zijn stoel op, slofte naar de kapstok en pakte zijn hoedje.
Vledder kwam hem na.
‘Waar ga je heen?’
De Cock draaide zich half om.
‘Naar de Realengracht… vragen of Aleida de Waal het huilend vrouwmens was die Alfred Achterberch diep in de nacht inlichtte over de dood van zijn zoon.’
Vledder keek hem verwonderd aan.
‘Vind je dat belangrijk?’
De Cock knikte.
‘Alfred Achterberch kent Aleida de Waal… kent vrijwel zeker ook haar stem.’
‘En?’
‘Hij sprak van een huilend vrouwmens. Als Aleida de Waal dat niet was, dan was er diep in de nacht nog een andere vrouw die wist dat Henry was vermoord.’
Vledder parkeerde hun Golf op de Zoutkeetsgracht. De rechercheurs stapten uit en via Bokkinghangen en de Zandhoek slenterden ze naar de Realengracht. Vledder blikte opzij.
‘Weet jij het nummer? Ik ben vergeten het bij mij te steken.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik weet geen nummer. Maar ik heb haar vannacht vanaf de Archangelkade thuisgebracht en weet door welke deur ze naar binnen ging.’ Hij grinnikte. ‘Die deur vind ik beslist terug.’ Halverwege de Realengracht bleef de grijze speurder staan en keek naar een tableau met knopjes en namen naast een zware blauwgelakte deur met een koperen knop.
‘Mevrouw A. de Waal,’ las hij hardop. ‘Tweede etage, appartement 4.’
Vledder keek hem van terzijde aan.
‘Ga je bellen?’
De Cock glimlachte.
‘Ik kondig mijn bezoeken niet graag aan. Het moet een verrassing blijven.’
De oude rechercheur pakte uit zijn broekzak het apparaatje dat hij eens, lang geleden, van zijn goede vriend en ex-inbreker Handige Henkie had gekregen, toen die na rijp beraad besloot om voortaan het smalle pad der deugd te bewandelen. Het was een koperen houdertje, waarin een keur van stalen sleutelbaarden.
Met kennersblik bekeek De Cock het slot en koos de juiste sleutelbaard. Binnen luttele seconden had hij de deur geopend en stapte naar binnen.
Vledder volgde.
Een brede houten trap leidde naar de tweede etage. Op het portaal bleven de rechercheurs even besluiteloos staan en keken naar de toegangsdeur van appartement 4 met daarin een kijkglaasje.
De Cock tastte opnieuw naar zijn apparaatje.
Vledder keek hem hoofdschuddend aan.
‘Dat kun je niet doen!’ fl uisterde hij gesmoord. ‘Je kunt niet zomaar ongevraagd bij iemand binnendringen. Daar krijg je last mee. Vermoedelijk is ze thuis en doet ze later tegen ons een klacht wegens huisvredebreuk.’
De Cock wees naar de deur.‘Als ze ons door haar kijkglaasje ziet en ze laat ons niet binnen?’
‘Dat is haar goed recht. Heb jij een bevel tot binnentreden bij je?’
De Cock gromde.
‘Ik heb zo’n bevel nog nooit nodig gehad.’
De oude rechercheur pakte zijn apparaatje.
‘Als er iemand binnen is,’ legde hij uit, ‘dan zeggen we dat we de deur op een kier hebben gevonden en uit angst dat er iets met haar was gebeurd, naar binnen zijn gegaan om te kijken.’
‘Een leugentje.’
De Cock knikte.
‘Om bestwil.’
De grijze speurder maakte de deur voorzichtig open en liep op zijn tenen de hal binnen. Vledder volgde, binnensmonds mopperend.
De Cock snoof en herkende de parfumgeur van Aleida de Waal. Hij snuffelde even in de garderobe-nis langs mantels en hoedjes.
‘Ze is er niet,’ sprak hij zacht. ‘Haar gekke jagershoedje met die vreemde klep is weg.’
Vledder reageerde niet.
In de hal koos De Cock de middelste van drie deuren en duwde langzaam de kruk naar beneden. Voorzichtig drukte hij de deur open. Een scharnier piepte een beetje. De oude rechercheur blikte in een ruim vertrek met hoge fauteuils om een ronde tafel.
Plotseling rees uit een van de fauteuils een breedgeschouderde man. Toen hij De Cock in het oog kreeg, zakte zijn mond halfopen.
‘Wie… eh, wie bent u?’ stamelde hij. ‘Wat komt u hier doen?
Hoe bent u hier binnengekomen?’
De Cock schonk de man zijn innemendste glimlach. Hij liep op hem toe en wisselde snel van rol.
‘Wie bent u?’ vroeg hij brutaal. ‘Wat doet u hier? En hoe bent u hier binnengekomen?’
De man deinsde iets terug.
‘Ik… eh, ik ben Gerard… Gerard van Akkeren. Ik ben bevriend met Aleida de Waal, die… eh, die woont in dit appartement.’
De Cock veinsde onbegrip.
‘Sinds wanneer… sinds wanneer bent u bevriend met Aleida de Waal?’
Gerard van Akkeren wreef langs zijn nek.
‘Sinds… eh, sinds…’
De Cock grijnsde.
‘Volgens mijn informatie was u bevriend met Anna-Marie de Graaf.’
Gerard van Akkeren knikte vaag,
‘Die is dood… vermoord. Haar appartement is door de politie verzegeld.’
De Cock knikte begrijpend.
‘U zocht onderdak. Waar is mevrouw De Waal nu?’
‘De begrafenis regelen voor haar vriendin.’
‘Was u vannacht ook hier?’
Gerard van Akkeren knikte.
‘Ik heb gewacht tot Aleida thuiskwam.’
‘En de rest van de nacht bent u in haar onmiddellijke nabijheid gebleven?’
Gerard van Akkeren slikte.
‘U stelt impertinente vragen.’
De Cock reageerde fel.
‘Ik vraag niet naar uw seksbeleving,’ sprak hij scherp. ‘Ik vraag of u in haar onmiddellijke nabijheid bent gebleven.’
Gerard van Akkeren zuchtte.
‘Dat ben ik.’
‘Heeft zij die nacht nog met iemand gebeld?’
Gerard van Akkeren schudde zijn hoofd.
‘Aleida was wel erg verdrietig. Ze had samen met een rechercheur van bureau Warmoesstraat het lijk van een protegé van haar ontdekt… ergens in een oude schuur aan de Archangelkade.’
De Cock ademde diep.
‘Die rechercheur was ik, en haar protegé was Henry Achterberch.’
Gerard van Akkeren keek hem verward aan.
‘Dan bent u De Cock?’
De grijze speurder knikte.
‘Inderdaad.’ Hij veranderde van toon. ‘En handelt u nog steeds in verdovende middelen?’
Gerard van Akkeren strekte zijn rug. Voor het eerst tijdens het gesprek kroop er weerstand in zijn houding. Om zijn lippen dartelde een glimlach.
‘U verwacht toch niet,’ antwoordde hij ferm, ‘dat ik die vraag beantwoord.’
De Cock strekte zijn rechter wijsvinger naar hem uit.
‘Voor u hier bij Aleida de Waal introk, was u bevriend met Anna-Marie de Graaf.’
‘Dat is u bekend.’
‘U woonde ook bij haar?’
Gerard van Akkeren grijnsde.
‘En ik sliep ook bij haar.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Dat vroeg ik niet.’
Gerard van Akkeren spreidde zijn handen.
‘Ik dacht,’ sprak hij grijnzend, ‘dat u geïnteresseerd was?’
De Cock negeerde de vraag.
‘Waar verbleef u gisteren?’
‘Waarom wilt u dat weten?’
‘U was bevriend met Anna-Marie de Graaf,’ betoogde De
Cock scherp. ‘U woonde bij haar en u sliep bij haar. Ze werd in haar, dus in feite ook in uw, appartement vermoord. Ik bezie u als een mogelijke verdachte. U zult over een redelijk alibi moeten beschikken.’
Gerard van Akkeren reageerde strijdbaar.
‘Ik voel er in feite niets voor om u te zeggen waar ik gisteren was,’ sprak hij opstandig. ‘En als ik weiger u een alibi te noemen?’
‘Dan arresteer ik u voor moord.’
‘En mijn motief?’
De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.
‘U wilde van haar af, u had een nieuwe liefde: Aleida de Waal.’
Gerard van Akkeren grinnikte vreugdeloos.
‘Pure nonsens.’
De Cock maakte een verontschuldigend gebaar.
‘Ik weet niet of de offi cier van justitie daar ook zo over denkt.’
Gerard van Akkeren ademde zwaar.
‘Dit is een vorm van chantage.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Dit is een verhoor,’ sprak hij kalm. ‘Ik vraag u nogmaals, dringend, naar uw alibi. Waar was u gisteren?’
‘In Maarssen.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘In Maarssen?’ herhaalde hij verrast. ‘Wat… eh, wat deed u daar?’
Gerard van Akkeren zuchtte.
`Ik was op bezoek bij de treurende weduwe van Pedro de Jaager.’