Toen De Cock de volgende morgen na een korte maar verkwikkende nachtrust, zoals gebruikelijk een halfuur te laat de grote recherchekamer binnenstapte, trof hij Vledder achter zijn nieuwe computer. De rappe vingers van de jonge rechercheur dansten over het toetsenbord.
De grijze speurder boog zich over de rug van zijn jonge collega en wierp een misprijzende blik op het blauwe scherm.
‘Wat ben je aan het doen?’
Vledder gebaarde voor zich uit.
‘Ik voer de nodige gegevens in over de moord op mevrouw De Graaf. Die kunnen we dan later uitprinten voor ons proces-verbaal.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Onthoudt hij dat allemaal?’
‘Absoluut.’
‘Dat is knap van zo’n computer.’
‘Zeker.’
‘Wat kan hij nog meer?’
Vledder liet zijn vingers even rusten.
‘Vrijwel alles. Noem maar op.’
‘Als je het vriendelijk vraagt… zegt dat bolle glas jou dan ook wie gisteren mevrouw De Graaf in haar appartement heeft vermoord?’
Vledder keek met een grijns op zijn gezicht even naar hem op, maar antwoordde niet. Hij schakelde de computer uit en schoof het toetsenbord van zich af.
‘Toen ik gisteravond van de Oostenburgerkade terugkwam, was jij weg. De wachtcommandant vertelde me dat jij met een vrouw in een surveillancewagen was vertrokken. Hij wist niet waarheen. Ik heb nog een tijdje op je gewacht. Uiteindelijk, het was al over twaalf, ben ik maar naar huis gegaan. Ik had je toch niets te melden.’
‘Kenden ze op de Oostenburgerkade geen Henry Achter berch?’
Vledder trok zijn schouders op.
‘Daar ben ik niet achter gekomen. Er was wel een jongeman die zei: “Je bent vandaag al de tweede man die naar Henry Achterberch vraagt”.’
‘De tweede?’
‘Ja.’
‘Heb je een beschrijving gekregen van de man die voor jou de eerste was?’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Ze speelden stommetje… deden alsof ze mijn vragen niet verstonden. Ik heb verder geen enkele inlichting los kunnen peuteren.’
‘Het kan Arno de Graaf zijn geweest.’
Vledder knikte.
‘Daar heb ik aan gedacht, maar toen ik bleef aandringen, werden ze vervelend, agressief. En ik voelde weinig voor een vechtpartij bij kaarslicht.’
De Cock ging achter zijn bureau zitten.
‘Ik had niet veel anders verwacht,’ reageerde hij gelaten.
Vledder gebaarde.
‘Hoe laat was jij thuis?’
‘Laat, heel laat. De lijkschouwer moest eerst nog een klus ergens in Oost afmaken. Toen ik via de mobilofoon van de surveillancewagen de rest van de meute opriep, lag Bram van Wielingen, de fotograaf, al op zijn bed, en Ben Kreuger, de dactyloscoop, was met zijn vrouw op verjaarsvisite.’
‘Pech.’
De Cock trok een grijns.
‘Ik was een klein uur alleen in een walm van afgewerkte olie met een bloederig lijk en een zenuwachtige vrouw, die voortdurend in huilen uitbarstte en zanikte dat ze naar huis wilde.’
Vledder glimlachte.
‘Prettig gezelschap.’
De jonge rechercheur wees naar een map op zijn bureau.
‘Ik heb vanmorgen jouw melding van vannacht in het mutatierapport gelezen. Je hebt Henry Achterberch gevonden in een schuur aan de Archangelkade.’
De Cock knikte.
‘Doodgeschoten met vermoedelijk zijn eigen kalasjnikovgeweer.’
‘Hoe wist je dat hij daar lag?’
De Cock grinnikte.
‘Ik wist totaal niets. De vrouw die gisteravond bij ons in de recherchekamer kwam, bleek ene Aleida de Waal, een vriendin van de vermoorde mevrouw De Graaf, te zijn. Via haar vriendin kende ze Henry Achterberch en wist ze dat de jongeman een schuur had aan de Archangelkade, waar hij aan oude motorfi etsen sleutelde.’
Vledder keek hem verrast aan.
‘Motorfietsen… een kalasjnikovgeweer. Dat kan toch geen toeval zijn?’
De Cock glimlachte.
‘Ik weet waar je aan denkt, maar wees voorzichtig met je conclusies.’
‘Het zou toch een gouden greep zijn?’
De Cock knikte.
‘Ik heb het geweer in beslag genomen. Schietproeven moeten uitmaken of met die kalasjnikov ook Pedro de Jaager werd vermoord. Verder hebben we in het land nog een paar onopgeloste liquidatiemoorden door een motorrijder met een duopassagier.’
‘Als het klopt, dan mogen de luitjes van de regio Gooi-en Vechtstreek jou wel een bloemetje sturen. Een ronde zaak en een dode verdachte.’
De Cock strekte zijn wijsvinger naar hem uit.
‘Vergeet niet dat er in Maarssen twee mensen op die motor zaten en dat Henry Achterberch nooit meer iets zal kunnen vertellen.’
‘Zou nog te achterhalen zijn waar die kalasjnikov vandaan komt en hoelang Henry Achterberch dat geweer al in zijn bezit had?’
De Cock trok een bedenkelijk gezicht.
‘Dat wordt moeilijk, zo niet onmogelijk. Er is na het vallen van de Berlijnse muur heel veel Russisch wapentuig ons land binnengesmokkeld, waaronder een groot aantal kalasjnikovgeweren. Feitelijk zijn het kleine geniepige mitrailleurs.’
Vledder keek hem onderzoekend aan.
‘Ik heb nog niet gelezen dat je een telexbericht hebt verzonden met een verzoek tot aanhouding.’
‘Van wie?’
Vledder veinsde verwondering.
‘Arno de Graaf. Hij heeft Henry Achterberch duidelijk eerder gevonden dan jij.’
De Cock trok zijn gezicht in een ernstig plooi.
‘Ik doe nog geen verzoek tot aanhouding.’
‘Waarom niet?’
‘Ik wil eerst met hem praten.’
Vledder keek De Cock grinnikend aan.
‘Hoe?’
‘Wat bedoel je?’
‘Hoe wil je hem bereiken? Als Arno de Graaf de dader is, heeft hij genoeg adressen om zich schuil te houden. Ken jij er daar één van?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Dat is ook niet nodig.’
Vledder keek hem niet-begrijpend aan.
‘Niet nodig?’
De Cock glimlachte.
‘We hebben Stephanie van Bruggen.’
‘Zijn vriendin?’
De Cock knikte.
‘Ik schat dat het niet moeilijk zal zijn om via haar de verblijfplaats van Arno de Graaf op te sporen. Een kwestie van constant schaduwen. We hebben op het hoofdbureau volgers genoeg.’
De oude rechercheur spreidde zijn handen.
‘Bovendien verwacht ik Arno op de begrafenis van zijn moeder.’
Vledder knikte instemmend.
‘Daar zal hij vermoedelijk wel komen.’
De jonge rechercheur wees naar de telefoon.
‘Ik heb vanmorgen met dokter Rusteloos gebeld. De gerechtelijke sectie is om twaalf uur op Westgaarde. Ga jij erheen?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Dat is een klus voor jou. Ik heb genoeg autopsies in mijn leven…’De oude rechercheur stokte. De telefoon op zijn bureau rinkelde. Vledder boog zich ver voorover en pakte de hoorn op. Na enkele seconden legde hij zijn hand op het spreekgedeelte.
‘De wachtcommandant. Beneden voor de balie staat ene Alfred Achterberch.’
De Cock sloeg zijn rechterhand voor zijn gezicht.
‘De vader van Henry,’ reageerde hij geschrokken. ‘Ik heb de ouders nog niet in kennis gesteld van hetgeen gisteravond met hun zoon is gebeurd. Daar heb ik vannacht niet aan gedacht.’
Vledder hield de hoorn omhoog.
‘Wat doen we?’
De Cock maakte een berustend gebaar.
‘Laat hem maar komen.’
De man die met een rustige, atletische tred de grote recherchekamer binnenstapte, was breed, lang en stevig gebouwd. Een toonbeeld van gezondheid en fysieke kracht.
De Cock keek hem bewonderend aan. Hij schatte de man op midden veertig. Hij droeg een perfect gesneden lichtgrijs fl anellen kostuum met losjes om zijn hals geknoopt een groene sjaal. In zijn ovale gezicht stak een smalle neus tussen oplopende jukbeenderen. Zijn donkerblonde golvende haardos liep iets terug van zijn voorhoofd.
Hij bleef glimlachend bij de beide rechercheurs staan.
Met zijn helblauwe, bijna fosforescerende ogen keek hij van De Cock naar Vledder en terug.
‘Tegen wie mag ik het woord richten?’
De Cock gebaarde naar de stoel naast zijn bureau.
‘Neemt u plaats.’
De man ging zitten, knoopte zijn sjaal los en schikte iets aan zijn colbert. Daarna keek hij De Cock scherp aan.
‘U bent?’ vroeg hij kort.
De oude rechercheur boog ter begroeting zijn hoofd.
‘Rechercheur De Cock,’ antwoordde hij koel. ‘De Cock met… eh, met ceeooceekaa. Indien u een klacht over mij wilt indienen, dan sta ik erop dat daarin mijn naam goed wordt gespeld.’
De man keek hem geamuseerd aan.
‘Waarom zou ik een klacht tegen u indienen?’
De Cock gaf geen uitleg.
‘En wie bent u?’
‘Alfred… Alfred Achterberch. Een huilend vrouwmens heeft mij diep in de nacht gebeld dat er iets met mijn zoon Henry is gebeurd.’
De Cock knikte traag.
‘Dat is juist. Ik heb uw zoon Henry gisteravond gevonden in zijn schuur aan de Archangelkade.’
Hij pauzeerde even voor het effect.
‘Vijf kogels uit een kalasjnikovgeweer hadden een eind aan zijn leven gemaakt. Mea culpa. Ik… eh, ik had u daarvan moeten verwittigen voordat een huilend vrouwmens u belde. Het spijt me, maar in de commotie rond het onderzoek ben ik dat vergeten.’
Alfred Achterberch bleef onbewogen. Even gleed een schaduw over zijn gezicht.
‘Ik neem u dat niet kwalijk,’ sprak hij toonloos. ‘Uw spijt lijkt mij oprecht. U probeert uw verzuim ook niet te verdoezelen.
Dat respecteer ik. En in een druk rechercheleven…’
Hij maakte zijn zin niet af.
‘Overigens,’ ging hij verder, ‘sterven was het beste wat Henry kon overkomen.’
De Cock keek hem schuins aan.
‘Een hard oordeel.’
Alfred Achterberch knikte.
‘Als een kind ontspoort, dan wijst de beschuldigende vinger direct naar de ouders. De opvoeding heeft gefaald… het kind heeft te weinig liefde en aandacht gekregen… en ga zo maar door. U zult die argumenten wel kennen. Er zullen ongetwijfeld ouders zijn die schuld dragen aan de mislukking van hun kind, maar ik verzeker u dat mijn vrouw en ik alles hebben gedaan om Henry op het goede pad te houden.’
De Cock reageerde niet. De oude rechercheur wist uit ervaring hoe vruchteloos discussies over het opvoeden van kinderen waren.
‘Wanneer merkte u voor het eerst dat het fout ging met Henry?’
Alfred Achterberch keek even peinzend voor zich uit.
‘Toen hij met een schotwond in zijn bovenarm thuiskwam en niet wilde vertellen hoe hij aan die wond kwam en ook niet naar een dokter wilde.’
‘Een schotwond?’
Alfred Achterberch knikte.
‘We hebben de wond thuis behandeld en er op zijn verzoek verder niet meer over gesproken. Een soort gentleman’s agreement.
Maar Henry was vanaf dat moment op slag een ander kind geworden… alsof hij zijn puberjaren oversloeg. De volgende keer, zei hij telkens, schiet ik eerst. Hij is toen ook drugs gaan gebruiken. Steeds meer… werd onhandelbaar en pleegde thuis kleine diefstallen. Toen hij op een dag met een kalasjnikovgeweer thuiskwam, heb ik hem met zijn geweer de deur uitgezet.’
‘Radicaal.’
Alfred Achterberch knikte.
‘Er was voor mij geen alternatief.’
‘Wanneer was dat?’
‘Toen ik hem de deur uitzette?’
‘Ja.’
Èen jaar of drie geleden.’
‘En nadien hebt u geen contact meer met hem gehad?’
Alfred Achterberch knikte.
‘Zo nu en dan liet hij zijn neus weer even zien en dan probeerden mijn vrouw en ik hem te overreden om weer bij ons te komen wonen.’
‘Dat lukte niet?’
Alfred Achterberch schudde zijn hoofd.‘Al onze opvoedkundige impulsen werden tenietgedaan door mijn zuster.’ ‘Anna-Marie de Graaf.’
Alfred Achterberch knikte opnieuw. Zijn helblauwe ogen lichtten op.‘Mijn zuster Anna-Marie,’ reageerde hij fel, ‘was een slecht mens. Haar verdorven ziel zal nu wel in de hel branden.’
De Cock keek Alfred Achterberch verwonderd aan. De felheid van zijn reactie verraste hem.
‘Haar man handelde in drugs.’
Alfred Achterberch knikte.‘Een drugsbaron… door haar toedoen. Toen hij in een bendeoorlogje sneuvelde, hebben zij en haar idiote vriendin Henry voorgoed verpest.’
‘Hoe?’
‘Ze gaven hem geld, zoveel hij maar wilde, en praatten alles goed wat hij deed. De Tantetjes… zo noemde Henry hen… schermden hem af. Mijn vrouw en ik hadden geen enkele invloed meer op hem.’
De Cock liet het onderwerp even rusten.
‘Kende u Henry’s voorliefde voor motorfietsen?’
Alfred Achterberch glimlachte.
‘Op zijn zestiende reed hij al op een brommer, die hij van oude onderdelen in elkaar had geprutst. Ik heb hem er later van verdacht dat hij motorfi etsen roofde, uit elkaar haalde en van de onderdelen een nieuw, onherkenbaar exemplaar produceerde.’
De Cock knikte.
‘In zijn schuur lagen stapels frames en onderdelen van motorfietsen.’
‘Dat verbaast mij niets.’
De Cock wreef met zijn hand over zijn gezicht.
Het was een gebaar om tijdwinst te boeken.
‘Henry,’ sprak hij nadenkend, ‘had dus een kalasjnikov?’
Alfred Achterberch knikte.
‘Ik heb dat moordtuig zelf in handen gehad. Later heb ik mij gerealiseerd dat ik totaal verkeerd heb gehandeld. Ik had dat wapen niet aan hem moeten meegeven, maar naar jullie moeten brengen.’
Hij zuchtte diep.
‘Maar welke vader geeft zijn eigen zoon aan?’
De Cock negeerde de opmerking.
‘De kalasjnikov waarmee hij werd gedood,’ ging hij gedragen verder, ‘was dus naar alle waarschijnlijkheid zijn eigen wapen.’
‘Dat neem ik aan. Iemand moet hebben geweten dat Henry zo’n geweer bezat. Ik denk dat die man of vrouw het wapen heeft gepakt en Henry heeft neergeschoten.’
De Cock maakte een weifelend gebaar.
‘Hoewel ik in de schuur geen sporen van een worsteling heb ontdekt, is het ook mogelijk dat Henry eerst met het wapen heeft gedreigd.’
‘Waarom?’
‘Geen idee. Maar de mogelijkheid bestaat dat een ander hem het wapen heeft afgenomen en daarna de fatale schoten op Henry heeft afgevuurd.’
Alfred Achterberch schudde resoluut zijn hoofd.
‘De volgende keer schiet ik eerst. Dat waren Henry’s woorden toen hij jaren geleden met die schotwond thuiskwam. Dat was zijn credo. Ik denk dat hij bij dit voornemen is gebleven.’
De Cock zuchtte.
‘Ik hoop,’ sprak hij somber, ‘dat ik de ware toedracht eens zal achterhalen. Ik heb het wapen in beslag genomen en het zal door onze wapendeskundige worden onderzocht.’
‘Begrijpelijk.’
De Cock boog zich iets naar voren.
‘Als… eh, als uit ons onderzoek zou blijken,’ formuleerde hij voorzichtig, ‘dat uw zoon Henry en zijn kalasjnikov betrokken zijn geweest bij liquidatiemoorden uit het verleden, wat is dan uw reactie?’
Alfred Achterberch snoof en kneep zijn lippen tot een smalle lijn.
‘Dat Henry is opgestookt… opgehitst, en voor zijn lugubere diensten is betaald door mijn zuster Anna-Marie en haar al even dwaze vriendin Aleida de Waal.’