Vledder keek De Cock gespannen aan.
‘Hoe voorkomen wij een moord?’
De oude rechercheur maakte een grimas.
‘Door Henry Achterberch te waarschuwen of eerder bij hem te zijn dan Arno de Graaf.’
‘Kan dat nog?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik ben bang van niet,’ sprak hij somber. ‘Stephanie van Bruggen kende geen telefoonnummer of adres van hem, en moeder
De Graaf is dood.’
‘Inlichtingen bij de telefoondienst?’
‘Leverde niets op.’
‘Andere bronnen?’
De oude rechercheur wees voor zich uit.
‘Jij hebt met zijn ouders gebeld?’
Vledder knikte.
‘Die hadden al in maanden geen contact meer met hun zoon…wilden dat ook niet meer. Te veel strubbelingen. Volgens hun laatste berichten verbleef hij in kraakpanden. En dat is in Amsterdam zoeken naar een speld in een hooiberg.’
‘Heb je de ouders van Henry verteld van de gewelddadige dood van Anna-Marie de Graaf?’
Vledder knikte.
‘Ik heb hen gecondoleerd. Heel gevoelig, met een sombere grafstem.’
‘Hoe reageerden ze?’
‘Lauw.’
‘Hoe bedoel je… lauw?’
‘Ik kreeg niet het idee van warme familiebanden. Integendeel. Het echtpaar was beslist niet onder de indruk.’
‘Vreemd,’ sprak De Cock peinzend. ‘Anna-Marie de Graaf was toch zijn zuster en haar schoonzuster?’
Vledder grijnsde.
‘Ze vroegen niet eens naar bijzonderheden, hoe of wat er was gebeurd. “O, is ze dood.” Dat was hun enige commentaar.’
De Cock staarde nadenkend voor zich uit.
‘We moeten toch eens met hen praten. Misschien komt er iets los. Spanningen in de familie zijn voor ons vaak heilzaam.’
De rechercheurs zwegen een tijdje. Het was De Cock die de stilte verbrak.
‘Komen er in de antecedenten* van Arno de Graaf daden van geweld voor?’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Ondanks zijn nog jonge leeftijd is Arno de Graaf in een snel tempo vrijwel het hele Wetboek van Strafrecht door gehuppeld… alle vormen van diefstal, inbraak, vernielingen, oplichtingen, fraude. Maar daar zijn geen vormen van ernstig geweld bij.’
De Cock wees naar de telefoon.
‘Vraag die Henry Achterberch eens op. Misschien hebben we ergens een oud adres als uitgangspunt. Probeer ook wat meer te weten te komen van Gerard van Akkeren, de nieuwe vriend van wijlen moeder De Graaf.’
Vledder pakte de hoorn van zijn toestel en keek op.
‘Moeder De Graaf zal hem zonder enige achterdocht hebben binnengelaten.’
‘Zeker. Een prille liefde laat je niet voor de deur staan.’
Vledder trok zijn gezicht in een ernstige plooi.
‘Welbeschouwd is die Gerard van Akkeren ook een redelijke verdachte.’
De Cock glimlachte.
‘Je begint al als een echte rechercheur te denken.’
‘Is dat gunstig?’
De Cock grinnikte.
‘Het begin van een beroepsdeformatie.’
Vledder draaide een nummer.
‘Met die deformatie,’ gromde hij onderwijl, ‘kun jij toch al jaren aardig uit de voeten.’
* Opgeslagen gegevens over gepleegde misdrijven.
De Cock reageerde niet. Hij stond van zijn stoel op en begon door de kamer te stappen. Hij deed dat graag. In de cadans van zijn slenterpas lieten zijn gedachten zich gemakkelijker ordenen. De telefonerende Vledder hinderde hem niet.
De oude rechercheur vroeg zich af of het leven van Henry Achterberch werkelijk gevaar liep. Arno de Graaf was naar zijn gevoel geen moordenaar, maar de jongeman had in de boezem van de Tentakelbende besluitvormingen tot liquidatiemoorden bijgewoond… bemerkt hoe lichtvaardig men over leven en dood oordeelde. In hoeverre had dat zijn denken en doen beïnvloed?
Vledder had zijn telefoongesprek beëindigd en wenkte De Cock naderbij.
‘De berichten over Gerard van Akkeren zijn nogal vaag. Hij heeft een dossier bij de Narcoticabrigade, waarin melding wordt gemaakt van een mogelijke betrokkenheid bij handel in hasj. Maar tot een vervolging en veroordeling is het nooit gekomen. Over de man stond in het dossier een merkwaardige opmerking: on-be-re-ken-baar.’
De Cock snoof.
‘Onberekenbaar. Zo ken ik er meer. Wat heb je over Henry
Achterberch?’
Vledder wees naar de aantekeningen voor hem op zijn bureau.
‘Een strafblad van hier tot ginder. Meest diefstal uit auto’s. Aanvankelijk gaf hij als zijn woonplek het adres van zijn ouders op. Daarna eenmaal een kraakpand aan de Oostenburgerkade. Maar bij zijn laatste aanhoudingen staat zet-vee-wee.’
‘Zonder vaste woon-of verblijfplaats.’
‘Weinig hoopvol.’
De Cock gebaarde voor zich uit.
‘Laten we samen eens gaan neuzen op die Oostenburgerkade.
Misschien dat iemand zich daar iets van Henry Achterberch kan en… eh, wil herinneren.’
De oude rechercheur slenterde naar de kapstok en greep naar zijn regenjas en hoedje.
‘Neem een paar goede zaklantaarns mee,’ riep hij naar Vledder. ‘ ’s Avonds is het aardedonker in die gore kraakpanden. Ze hebben meest geen licht en geen water om hun…’
Er werd op de deur van de grote recherchekamer geklopt.
Vledder riep: ‘Binnen.’
In de deuropening verscheen en kleine, wat gezette vrouw. De Cock schatte haar op achter in de veertig. Ze droeg een effen bruin mantelpakje van een ruige tweed. Haar grijzende haren waren bedekt door een vreemd soort jagershoedje met een grote klep, waardoor haar ogen nauwelijks zichtbaar waren. Op haar stoerstevige wandelschoenen liep ze op de grijze speurder toe.
‘U bent rechercheur De Cock?’
Hij keek haar even aan.
‘Met… eh, met…’
De oude rechercheur beet op het puntje van zijn tong, bedwong zijn gebruikelijke reactie en knikte.
‘Ik ben De Cock.’
De vrouw glimlachte.
‘Met ceeooceekaa, heb ik gehoord. Hebt u even tijd voor mij?’
De Cock hing met een hoorbare zucht zijn regenjas en hoedje terug op de kapstok. Over het hoofd van de vrouw heen wendde hij zich tot Vledder.
‘Ga jij maar even kijken. Alleen. Wees voorzichtig. En maak het niet te lang. Dring niet te veel aan als ze niets willen zeggen. Ze zien je als politieman in zo’n kraakpand net zo graag als ik een rotte kool bij een groentevrouw.’
Bezorgd keek hij toe hoe zijn jonge collega de recherchekamer verliet. Daarna liep hij voor de vrouw uit en liet haar op de stoel naast zijn bureau plaatsnemen.
‘Waarmee zou ik u van dienst kunnen zijn?’ opende hij het onderhoud.
Ze schoof de klep van haar hoedje iets terug.
‘Ik ben Aleida… Aleida de Waal. Ik bewoon net als Anna-Marie de Graaf ook een appartement in een oud pakhuis… aan de Realen gracht bij de Zandhoek. Ik ben… was… bevriend met haar. Vanavond heeft haar zoon Arno mij gebeld en verteld wat er vanmiddag met zijn moeder is gebeurd. Verschrikkelijk, gewoon verschrikkelijk.’
Ze sprak snel, zonder enige intonatie.
‘Ik ben er kapot van. Ik heb in m’n eentje eerst een potje zitten janken, maar dat is nu over. Anna-Marie was niet altijd even makkelijk, maar ze had een hart van goud. Eenieder kon op haar hulp en steun rekenen. Ik heb wel eens tegen haar gezegd…’
De Cock onderbrak haar woordenstroom.
‘En verder?’
Aleida de Waal leek even van haar stuk gebracht.
‘Wat bedoelt u?’
‘Hebt u na deze korte karakterschets van mevrouw De Graaf nog andere mededelingen?’
Aleida de Waal verschoof iets op haar stoel.
‘Arno de Graaf zei mij dat u de zaak in behandeling hebt.’
‘Dat klopt.’
‘Weet u al wie het heeft gedaan?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Nog geen fl auw idee. Het onderzoek is nauwelijks gestart.’ Hij boog zich iets naar de vrouw toe. ‘Hoelang was u met haar bevriend?’
‘Vele jaren.’
‘Hoe hebt u haar leren kennen?’
‘Door onze mannen.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Mevrouw De Graaf is al enkele jaren weduwe.’
Aleida de Waal knikte instemmend.
‘Inderdaad. Net als ik. Haar man en mijn man zijn kort na elkaar overleden.’
De Cock lette scherp op haar reactie.
‘Van de man van mevrouw De Graaf,’ formuleerde hij voorzichtig, ‘werd gezegd dat hij in verdovende middelen handelde, tot een bende behoorde en vermoedelijk werd geliquideerd.’
Aleida de Waal keek hem bewonderend aan.
‘U bent goed geïnformeerd.’
De Cock schonk haar zijn liefste glimlach.
‘Behoorde uw overleden man wellicht ook tot een… eh, een bende?’
Aleida de Waal liet haar hoofd iets zakken. De klep van haar hoedje schoof weer naar voren.
‘Alex, mijn man, en André waren vrienden.’
‘En behoorden beiden,’ drong De Cock aan, ‘tot hetzelfde misdadige genootschap?’
Aleida de Waal knikte traag.
‘Waarom zal ik het verzwijgen?’ verzuchtte ze. ‘Het is verleden tijd.’
‘De Tentakels?’
‘Inderdaad. Zo noemden ze zich.’
‘Vriend André, begrijp ik goed, was de man van mevrouw De
Graaf?’
Over het gezicht van Aleida de Waal trok een schaduw.
‘Ze wilden op een andere manier zaken gaan doen. Netter. Openlijker. Met een gewoon kantoor en zo. Niet zo ruw, zo gewelddadig. Alex en André wilden beiden van die vreselijke Pedro de Jaager af. Zijn botte manier van werken beviel hen niet langer.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Het werd hun dood.’
Aleida de Waal keek op en schoof haar hoedje terug.
‘Het werd hun dood,’ herhaalde ze somber.
‘Uw vriendschap met Anna-Marie de Graaf bleef?’
Aleida de Waal knikte.
‘Ik was blij dat ik haar had.’ Ze zweeg even. ‘Wat Anna-Marie de Graaf is overkomen,’ ging ze ernstig verder, ‘kan ook mij overkomen.’
De Cock keek haar schattend aan.
‘Dat begrijp ik niet.’ Pedro de Jaager deinst voor geen moord terug. Toen niet en nu niet. Hij heeft al eens dodelijke bedreigingen tegen ons uitgesproken. Dat was toen Anna-Marie het plan opvatte om in verband met de liquidatie van haar man naar de politie te stappen.’
De Cock spreidde zijn handen.
‘Pedro de Jaager is dood.’
‘Wanneer?’‘Vanmorgen… in de buurt van Maarssen door een motorrijder met een duopassagier geliquideerd.’
Aleida de Waal ademde diep.
ddank,’ reageerde ze opgelucht. ‘En ik hoop dat zijn moordenaar nooit wordt gevonden.’
De Cock liet haar even begaan. ‘Een dode Pedro de Jaager kan uw vriendin niet hebben vermoord. Hebt u enig idee in welke richting ik haar moordenaar moet zoeken?’
Aleida de Waal trok haar schouders op. ‘Ik heb alleen aan die ellendige Pedro de Jaager gedacht.’
De Cock knikte begrijpend. ‘Hebt u door uw vriendschap met mevrouw De Graaf ene Henry Achterberch leren kennen?’
Aleida de Waal keek hem fronsend aan. ‘Een neef van AnnaMarie.’
De Cock knikte. ‘Arno de Graaf vermoedt dat die neef… die… eh, Henry Achterberch verantwoordelijk is voor de dood van zijn moeder.’
Aleida de Waal keek hem meelijwekkend aan. ‘Daar geloof ik niets van.’
‘Kent u Henry Achterberch?’
Aleida de Waal knikte nadrukkelijk. ‘Hij kwam wel eens bij mij thuis aan de Realengracht.’
‘Om geld voor zijn verslaving?’
‘Ook dat.’
De Cock grinnikte. ‘Wat nog meer?’
‘Hij heeft bij Anna-Marie en mij laatst een lening afgesloten.’
De Cock trok zijn neus iets op. ‘Een lening?’
‘Ja.’
‘Waarvoor?’
‘Machinerieën.’
De Cock grijnsde. ‘Wat moet een junk met machinerieën?’
Aleida de Waal schudde haar hoofd. ‘Zo erg verslaafd is Henry nu ook weer niet. Hij is heel handig. Technisch. In zijn schuur in de Houthaven sleutelt hij aan oude motorfietsen. Dat is zijn lust en zijn leven.’
De Cock streek met de toppen van zijn vingers over zijn voorhoofd. ‘Oude motorfietsen?’
Aleida de Waal knikte. ‘Henry knapt ze op met veel blinkend chroom. Hij maakt er juweeltjes van.’
‘Weet u waar Henry Achterberch woont?’
Aleida de Waal schudde haar hoofd.
‘Dat is niet bij te houden. Hij heeft een paar peuterige ouwelui. Echte zeikerdjes. Daar ligt hij steeds mee overhoop. Sinds zij hem uit huis hebben gezet, trekt hij van het ene pand naar het andere.’
De Cock plukte aan zijn onderlip. ‘Die schuur in de Houthaven?’
‘Ligt aan de Archangelweg.’
‘Hoe vind ik die?’
‘Die kan ik u wel wijzen,’ antwoordde de vrouw enthousiast.
‘Anna-Marie en ik zijn daar samen een keer geweest om te zien of Henry van het door ons geleende geld wel echt machinerieën had gekocht.’
In een van de wachtcommandant geleende surveillancewagen met zwaailicht en andere toeters en bellen reed De Cock in een verkeerde versnelling vanaf de houten steiger achter het politiebureau weg. Via de Oudebrugsteeg sukkelde hij naar rechts het Damrak op. De oude rechercheur had een hekel aan autorijden.
Versnellingen waren hem een gruwel.
Aleida de Waal naast hem keek bezorgd voor zich uit.
‘Hebt u al lang een rijbewijs?’ vroeg ze angstig.
De Cock knikte. ‘Lang genoeg. En maakt u zich geen zorgen. Ik heb nog nooit een aanrijding veroorzaakt.’
Aleida de Waal zwaaide voor zich uit.
‘Waarom wilt u er per se heen? Het is donker. De schuur is beslist op slot.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Dat is geen probleem.’
‘Wat wilt u daar vinden?’
‘Henry Achterberch.’
Aleida de Waal zuchtte. ‘Die is er niet meer op dit uur.’
‘Misschien vind ik in de schuur een aanwijzing waar ik hem wel kan vinden.’
‘Waarom zo’n haast? Dat kan toch morgen ook?’De Cock draaide zich iets naar haar toe. ‘Ik ben bang dat Arno de Graaf een daad van gerechtigheid gaat plegen.’
‘Een daad van gerechtigheid?’
De Cock knikte. ‘Ik heb u toch verteld dat Arno de Graaf denkt dat Henry Achterberch zijn moeder heeft vermoord. Hij wil wraak.’
‘Onzin.’
De Cock reageerde niet. Via de De Ruyterkade, de Westerdoksdijk en de Van Diemenstraat reed hij over de brug naar de Tasmanstraat en vandaar naar de Houthaven.
De Archangelkade lag er donker en verlaten bij.
Aleida de Waal wees geschrokken voor zich uit. ‘Er brandt licht in zijn schuur.’
De Cock parkeerde de surveillancewagen aan de trottoirband,stapte uit en sloop voorzichtig naderbij. Aleida de Waal volgde in zijn schaduw.De deur van de schuur stond op een kier. De Cock duwde hem verder open en ging naar binnen. Er hing een walm van roest en vuile olie. Langs oude frames en bergen motoronderdelen sloop De Cock verder. Aan het einde van de schuur, half onder een werkbank lag het lichaam van een jongeman. De besmeurde overall die hij droeg, was met bloed bevlekt. Naast zijn voeten lag een geweer.
De Cock hurkte bij hem neer. Een enkele blik op het gelaat was hem voldoende. Snel telde hij vijf kogelinslagen ter hoogte van de borst.
De grijze speurder kwam overeind. Zijn oude knieën kraakten.
Hij trok een schone zakdoek uit zijn broekzak en wapperde die open. Voorzichtig tilde hij het geweer omhoog en rook aan de mond van de loop.
Aleida de Waal stond schuin achter hem. Ze ademde zwaar, met een deinende boezem, en haar gezicht zag rood.
‘Wat is er?’ snikte ze. ‘Wat is er gebeurd? Wat is er gebeurd met Henry?’
De Cock wees naar de dode op de met afgewerkte olie bevuilde vloer.
‘Geliquideerd met een kalasjnikov.’