12

De Cock liet de woorden van de jongeman even tot zich doordringen. Het was, zo overwoog hij, min of meer een bevestiging van zijn vermoeden dat Henry Achterberch en Cornelis van Dammen, alias Keesie de Scheurder, verantwoordelijk waren voor de liquidatie van Pedro de Jaager en mogelijk nog anderen.

Maar voor een wettelijke bewijsvoering had hij niets aan zo’n uitspraak. Het was te vaag, voor velerlei uitleg vatbaar.

De oude rechercheur zocht naar een andere opening. Hij keek Arno de Graaf minzaam aan.

‘Strafvervolging,’ sprak hij zacht, ‘vervalt met de dood van de verdachte.’

De jongeman knikte.

‘Dat zal best,’ sprak hij gelaten, ‘je kunt een dode niet meer vervolgen. Toch weiger ik uitspraken over haar te doen. Ik wil het blazoen van moeder na haar dood niet verder besmeuren.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Dat hoeft ook niet. Het is mijn taak om zaken tot klaarheid te brengen. En dat wordt steeds moeilijker. Henry Achterberch kan nooit meer verklaren dat hij van jouw moeder opdrachten voor liquidaties kreeg. Ook Aleida de Waal zal voor eeuwig zwijgen.’

Arno de Graaf grinnikte.

‘Dat is toch mooi.’

‘Keesie de Scheurder leeft nog.’

Arno de Graaf reageerde ineens fel.

‘Die weet niets.’

De Cock glimlachte.

‘Je bedoelt… die weet niet van wie de opdrachten tot liquidaties kwamen?’

‘Er is Henry Achterberch,’ brieste Arno fel, ‘altijd duidelijk te verstaan gegeven dat hij daarover zijn bek moest houden… tegen wie dan ook. Zwetsen over dat soort zaken is levensgevaarlijk.’

De Cock boog zich naar hem toe.

‘Door wie… door wie is hem dat duidelijk te verstaan gegeven?’

Arno de Graaf schudde zijn hoofd.

‘Jij kent mijn antwoord… nog eens… over de doden niets dan goeds.’

‘En jouw moeder is dood.’

‘Precies.’

De Cock strekte zijn wijsvinger naar hem uit.

‘Wat weet jij van die liquidatiemoorden?’

‘Niets… niet veel meer dan dat neef Henry zich daarmee bezighield. Details ken ik niet… heb ik ook nooit naar geïnformeerd.

Ik las alleen in de kranten wie er om zeep was geholpen.’

‘Mensen in relatie tot de Tantetjes?’

Arno de Graaf reageerde nukkig.

‘Met de handel van mijn moeder en tante Aleida heb ik mij nooit bemoeid.’

De Cock toonde verbazing.

‘Waarom niet… je zat er toch dichtbij?’

Arno de Graaf boog zich iets naar voren.

‘Ik wil graag blijven leven. Begrijpt u. In die vieze handel word je niet oud. Kijk maar om je heen. Ze zijn of dood of zitten in de bajes. Hoeveel heb ik er al zien sneuvelen?’

‘Hoeveel?’

Arno de Graaf draaide zijn hoofd weg.

‘Ik ben de tel kwijt.’

De Cock knikte met een glimlach.

‘Waarom zocht jij Keesie de Scheurder?’

Arno de Graaf antwoordde niet direct. Hij kauwde wat nerveus op de toppen van zijn vingers. Pas na enkele seconden keek hij op.

‘Wilt u de waarheid weten?’

De Cock glimlachte.

‘Daarvoor zit ik hier?’

Arno de Graaf zuchtte.

‘Stephanie… Stephanie was bang dat jij mij zou arresteren voor de moord op Henry Achterberch. Ze had jou verteld dat ik van plan was dat te doen. Toen ze Henry dood in zijn schuur aantrof, was ze ervan overtuigd dat ik hem had vermoord. Stephanie raakte in paniek. Toen ik haar ’s morgens vroeg trof, was ze totaal van de kaart. Hysterisch. Ze wilde dat ik ging vluchten… naar het buitenland… ergens ver weg. Ik bezwoer haar dat ik geen reden had om te vluchten, dat ik het niet had gedaan… dat ik Henry niet had omgebracht. Toen vroeg ze: hoe maak je dat De Cock duidelijk… hoe bewijs je dat?’

‘En?’

‘Wat?’

‘Hoe bewijs je dat?’

Arno de Graaf slikte.

‘Door… eh, door Keesie de Scheurder te laten bekennen dat hij Henry had neergeknald.’

‘Waarom Keesie?’

‘Die is maf.’

‘Dat is geen bewijs voor moord.’

Arno de Graaf ademde diep.

‘Hij was het… geloof me. Die twee hadden vaak bonje. Noch Henry noch Maffe Keesie ziet op tegen een moord. Het moest eens gebeuren. Nu was Henry het slachtoffer. Het had ook andersom Keesie kunnen zijn.’

Arno de Graaf zweeg even. Hij balde zijn vuisten en zijn lippen vormden een dunne lijn.

‘En als ik hem had gevonden… ik had een volledige bekentenis uit zijn gammele bast gerammeld.’

Vledder keek De Cock niet-begrijpend aan.

‘Je hebt hem laten gaan… gewoon, alsof er niets aan de hand is.

Dat is al de tweede keer dat je hem uit je vingers laat glippen.’

De oude rechercheur staarde voor zich uit.

‘Hij gaat de begrafenis van Aleida de Waal regelen,’ sprak hij stroef, ‘en die van zijn moeder bijwonen.’

‘Heb je hem daarom laten gaan?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Onmacht. Ik begrijp nu waarom Smalle Lowietje hem Gladde Arno noemde.’ De oude rechercheur gebaarde naar zijn jonge collega. ‘Heb jij iets van hem gehoord dat in zijn nadeel spreekt?’

Vledder bromde. ‘Van die liquidatiemoorden weet hij veel meer dan hij prijsgeeft.’

De Cock knikte. ‘Hij wil zijn moeder niet belasten.’

‘Dat mens is dood.’

De Cock trok zijn schouders op. ‘Dat maakt voor hem blijkbaar geen verschil. Maar als je zijn uitspraken goed interpreteert, dan geeft hij volmondig toe dat moeder De Graaf opdrachten tot liquidatiemoorden gaf. Ik begrijp nu ook dat Pedro de Jaager heel voorzichtig met haar omsprong. Het was een gevaarlijk wijf.’

Vledder keek hem schattend aan.

‘Zet je Keesie de Scheurder op de telex?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ik wacht eerst op het rapport van onze wapendeskundige. Is dat positief, en kwamen de kogels in het lijf van Pedro de Jaager uit de kalasjnikov van Henry Achterberch, dan brengen we onze collega’s van de Gooi-en Vechtstreek op de hoogte van het bestaan van Cornelis van Dammen, alias Wilde Keesie of Keesie de Scheurder.’

‘Volgens Arno de Graaf vermoordde hij Henry Achterberch.

En dat is onze zaak.’

De Cock grijnsde.

‘Volgens Arno de Graaf vermoordde Henry Achterberch zijn moeder. En dat klopt ook niet.’

‘Waarom niet?’

De Cock keek hem verward aan.

‘Stomme vraag,’ riep hij verbaasd. ‘Anna-Marie de Graaf en Aleida de Waal zijn beiden door dezelfde man of vrouw vermoord. Zonder twijfel. Toen Henry Achterberch met zijn eigen kalasjnikov werd neergemaaid, leefde Aleida de Waal nog.’

Toen De Cock de volgende morgen na een korte maar verkwikkende nachtrust, opmerkelijk kwiek de grote recherchekamer binnenstapte, trof hij Vledder achter zijn computer.

De grijze speurder hing zijn regenjas en hoedje aan de kapstok en ging achter zijn bureau zitten.Vledder liet zijn vingers even op de toetsen rusten en keek op.

‘Je bent laat.’

De Cock knikte met een grijns.

‘Ik heb een aantal slechte gewoonten, die ik blijf koesteren. Een ervan is te laat komen.’

Vledder wierp hem een brok krant toe.

‘Die Arno de Graaf is een vlotte jongen,’ snierde hij. ‘In het ochtendblad stond al een vette rouwadvertentie van Aleida de Waal. Door-moordenaarshand-van-ons-weggerukt.’

De Cock grinnikte.

‘Een dramatische tekst. Die moet hij vannacht nog bij de redactie van de krant hebben ingeleverd.’

Vledder knikte.

‘Kijk maar. Hij staat onder de rouwadvertentie van Anna-Marie de Graaf.’

De Cock zuchtte.

‘Die advertentie is gisteren nog door Aleida de Waal opgegeven. Ze zal daarbij nooit hebben gedacht dat haar naam op dezelfde pagina zou staan.’

Hij keek zijn jonge collega onderzoekend aan.

‘Wat zie je er belabberd uit,’ sprak hij bezorgd. ‘Je hebt een gezicht van oude lappen.’

Vledder reageerde fel.

‘Weet je hoe laat ik vannacht naar mijn bed ging… drie uur.

En ik kon de slaap niet vatten omdat die idiote zaak door mijn hoofd bleef malen.’

De Cock glimlachte.

‘Leverde dat malen nog iets op?’

‘Wat bedoel je?’

‘Een briljante gedachte?’

Vledder liet het blauwe scherm van de monitor doven en schoof het toetsenbord van zijn computer ver van zich af.

‘Ik… eh, ik weet niet of jij het een briljante gedachte vindt,’ sprak hij aarzelend, ‘maar volgens mij is er maar één man die een motief heeft voor zowel de moord op Anna-Marie de Graaf als Aleida de Waal.’

‘Wie?’

‘Alfred Achterberch, de vader van Henry.’

De Cock hield zijn hoofd iets schuin.

‘Jij had, meen ik, al vanaf de eerste kennismaking een hekel aan die Alfred Achterberch?’

Vledder weifelde.

‘Een hekel… ik vond hem een vreemde man. Een man met ongewone reacties.’

De Cock tuitte zijn lippen.

‘Alfred Achterberch acht beide vrouwen… de Tantetjes, verantwoordelijk voor het mislukken van zijn zoon. En dat steekt hij niet onder stoelen of banken.’

Vledder knikte.

‘Misschien dat hij aanvankelijk alleen zijn zuster Anna-Marie heeft willen straffen, maar toen zoon Henry werd omgebracht, besloot hij om voor haar aandeel ook Aleida de Waal te doden.’

De Cock dacht na.

‘Ik… eh, ik kan er eerlijk gezegd niets tegen inbrengen,’ sprak hij vlak. ‘Haat, gekrenkte trots… redelijke motieven voor moord. We zullen Alfred Achterberch nog eens stevig aan de tand voelen.’

De grijze speurder stak zijn wijsvinger omhoog.

‘Heb je het rapport van onze wapendeskundige al binnen?’

Vledder knikte.

‘Vanmorgen. Het is positief. De kogels die Pedro de Jaager troffen, komen uit de kalasjnikov van Henry Achterberch.’

De Cock glimlachte.

‘Mooi. Heb je het al doorgebeld naar onze collega’s van de regio Gooi-en Vechtstreek?’

‘Direct toen ik het rapport binnen had. Ze waren er bijzonder blij mee. Ik heb ook volledig opening van zaken gegeven.’

‘Keesie de Scheurder?’

Vledder knikte.

‘Ze zouden Cornelis van Dammen met zijn aliassen op de telex zetten. En als morgen dokter Rusteloos de kogels uit het lijf van Henry Achterberch heeft gepeuterd, en ook die komen uit de kalasjnikov, dan zijn ze bereid om die zaak bij hen te voegen.’

De Cock glunderde.

‘Prachtig,’ jubelde hij. ‘Zijn we daar van af. Rest ons de moord op de Tantetjes. En als…’

Verder kwam hij niet. Zonder te kloppen stapte een vrouw de grote recherchekamer binnen. In haar rechterhand hield ze een opgerolde krant.

De Cock schatte haar op achter in de veertig. Ze droeg een beige regenjas, die tot ver onder haar knieën reikte. Haar helblond geverfde haren waren geknipt in een pony-kapsel.

Ze keek van De Cock naar Vledder en terug.

‘Wie van de heren,’ vroeg ze bedeesd, ‘behandelt de moord op Aleida de Waal?’De Cock wees naar de stoel naast zijn bureau. ‘Dat doen wij samen,’ sprak hij vriendelijk. ‘Gaat u hier maar zitten.’

Ze nam plaats, knoopte haar jas los en vouwde de krant open.

Met trillende hand wees ze op de rouwadvertentie.

‘Is die Anna-Marie de Graaf-Achterberch, net als Aleida de Waal, ook vermoord?’

De Cock trok zijn wenkbrauwen op. ‘Waarom vraagt u dat?’

‘Het staat er niet bij.’

De Cock keek haar glimlachend aan. ‘Wie bent u… en vanwaar uw belangstelling?’ ‘Ik… eh, ik ben Henriëtte… Henriëtte Bakker, weduwe van Piet Bakker.’ ‘Waarom wilt u weten of Anna-Marie de Graaf ook werd vermoord?’

Henriëtte Bakker vouwde de krant weer dicht. ‘Omdat ik daar bang voor ben.’

‘Dat begrijp ik niet.’

Henriëtte Bakker verschoof iets op haar stoel. ‘Ik woon op de Noordermarkt, praktisch bij mevrouw De Graaf om de hoek. Ik deed wel eens boodschappen voor haar en haar vriendin Aleida de Waal.’

‘Wat voor boodschappen?’

Het gezicht van Henriëtte Bakker versomberde nog meer. In haar ogen lag een treurige blik.

‘Mijn man, Piet Bakker, heeft vroeger met de man van mevrouw De Graaf samengewerkt.’

‘In welk verband?’

‘Ze dealden.’

‘In de groep Tentakels?’

Henriëtte Bakker knikte. ‘Zo noemden ze zich… Tentakels, omdat ze nogal wat vertakkingen kenden. Er kwam oorlog in de groep en toen is er een stel gesneuveld. Daar was mijn man ook bij. Ze vonden zijn lijk naast de snelweg bij Den Haag… doorzeefd met kogels.’

De Cock knikte begrijpend. ‘Iets dergelijks overkwam ook de man van mevrouw De Graaf en de man van Aleida de Waal.’

‘Dat weet u?’

‘Dat is mij verteld.’

‘Mevrouw De Graaf nam na de dood van haar man contact met mij op. Ze wilde zelf in de handel gaan en vroeg of ik haar wilde helpen.’

‘Boodschappen?’

Henriëtte Bakker zuchtte. ‘U mag dat zelf invullen.’

De Cock gniffelde. ‘Wie wist dat u wel eens… eh, boodschappen voor mevrouw De Graaf deed?’

‘Aleida de Waal en vermoedelijk nog anderen.’

‘Wie?’

Henriëtte Bakker trok een bedenkelijk gezicht. ‘Het is een raar wereldje. Hoewel je het niet zou denken, wordt er veel gekletst. Men pocht over geld en invloed. Men rijdt in dure auto’s, koopt luxe buitenverblijven in Zuid-Frankrijk of Spanje.’

De Cock schudde zijn hoofd. ‘Ik vroeg niet hoe dat wereldje eruitziet. Dat weet ik wel. Ik vroeg wie wisten dat u wel eens boodschappen voor mevrouw De Graaf deed.’

Henriëtte Bakker liet haar hoofd zakken en snikte. Tranen drupten op de gevouwen krant op haar schoot.

‘Dat weet ik niet. Misschien heeft iemand gekletst… expres of per ongeluk. Je verrader slaapt nooit.’

Ze keek hem met een betraand gezicht aan.

‘Ik ben bang… bang dat mij hetzelfde overkomt als mevrouw De Graaf en Aleida de Waal. Zij waren kiene vrouwen, heel voorzichtig… altijd beducht voor verraad.’

‘Toch vond hun moordenaar hen.’

Henriëtte Bakker zuchtte diep.

‘Ik ben niet zo kien. Ik ben veel hulpelozer dan die twee. U moet mij beschermen.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Dat kan ik niet. Ik kan geen kordon politiemensen om u heen zetten. Misschien kunt u ter bescherming de hulp inroepen van de neef van mevrouw De Graaf… Henry Achterberch?’

Henriëtte Bakker plukte een zakdoekje uit de mouw van haar regenjas en droogde haar tranen.

‘Henry is een gevaarlijke, onbetrouwbare jongen. Er kleeft bloed aan zijn handen.’

‘Hoe weet u dat?’

Henriëtte zwaaide afwerend.

‘Laten we het onderwerp Henry rusten.’

De Cock maakte een verontschuldigend gebaar.

‘Ik heb u wat voorgelogen. Ik wilde alleen uw reactie peilen. Henry kan u niet meer beschermen. Hij is dood… gisteravond vermoord met zijn eigen wapen.’

Er kwam een grijns om de mond van Henriëtte Bakker.

‘Verbaast mij niets.’

‘U zou een beroep kunnen doen op Arno.’

Henriëtte schudde haar hoofd.

‘Liever niet. Arno lijkt op zijn vader. Hij is alleen wat slimmer.’

De Cock trok zijn schouders op.

‘Ik weet niet wie ik dan nog moet aanbevelen. Hebt u zelf geen enkel idee vanwaar het gevaar dreigt?’

Henriëtte Bakker strekte haar rug.

‘Ik heb de laatste keer dat ik mevrouw De Graaf bezocht in haar appartement op de Brouwersgracht, een man gezien… Gerard van Akkeren.’

De Cock keek haar scherp aan.‘Kent u die?’

Henriëtte Bakker knikte. ‘Van vroeger. Toen mijn man nog leefde zocht hij toenadering met mij. Vervelend, opdringerig. Ik was niet van zijn avances gediend. Ik vond hem een griezel. Dat zei ik hem ook en ik raadde hem aan om uit mijn buurt te blijven.’

‘En?’

‘Toen werd hij kwaad. “Zorg jij maar,” zei hij, “dat jij uit mijn buurt blijft. Er is nog nooit een vrouw geweest die mij ongestraft heeft afgewezen”.’

Загрузка...