Vanaf de Westerdoksdijk liep dokter Den Koninghe met korte driftige pasjes het terrein van de Rijkspolitie te Water op. Hij werd gevolgd door twee broeders van de Gemeentelijke Geneeskundige Dienst met hun onafscheidelijke brancard. Ze torenden hoog boven de kleine lijkschouwer uit.
Met zijn beminnelijkste glimlach op zijn lippen, liep De Cock op de dokter toe en schudde hem hartelijk de hand. ‘Ik ben blij u weer te ontmoeten,’ sprak hij vormelijk.
De kleine lijkschouwer keek omhoog en schudde zijn hoofd. ‘Ik niet,’ sprak hij knorrig. ‘Het spijt me, De Cock, maar ik ben nooit zo blij als ik jou zie.’
De grijze speurder trok een verongelijkt gezicht. Hij schoof de mouw van zijn regenjas iets terug en keek op zijn horloge. ‘Het is even over negenen,’ sprak hij verontschuldigend. ‘Een redelijke tijd. De vorige keer liet ik u midden in de nacht opdraven.’
De dokter blikte naar de hemel en vandaar naar het water van het IJ, dat schuimkoppend opspatte.
‘Het lijkt ook nu wel nacht,’ gromde hij. ‘Ik denk dat die beloofde depressies uit het westen nu allemaal tegelijk op ons afstormen.’
De Cock had geen lust in een gebruikelijk weerpraatje. Hij liep voor de lijkschouwer uit.
‘Het is nu een man,’ gaf hij uitleg. ‘Opper Vermeulen, die het lijk heeft opgevist, zegt zoals de vorige keer, dat het slachtoffer met zijn rug iets te hoog boven het water dreef. Hij vermoedt dat er lucht in zijn longen is achtergebleven.’
‘Heeft de sectie hem de vorige keer gelijk gegeven?’ De Cock knikte.
‘Absoluut. Ook u had gelijk. Dokter Rusteloos vond inderdaad gebroken kraakbeenringetjes in de luchtpijp van de vrouw.’‘Verwurging. De symptomen wezen erop.’
‘Vermoedelijk met een sjaal.’
Dokter Den Koninghe keek naar hem op.
‘Ben je inmiddels al iets verder gekomen met je onderzoek naar haar dood?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Het is nogal gecompliceerd,’ antwoordde hij somber. ‘En ik vind geen motief.’
De oude lijkschouwer snoof.
‘Rechercheurs willen altijd een motief,’ reageerde hij vinnig. ‘Vaak slachten de mensen elkaar gewoon voor de lol af.’ De Cock trok zijn gezicht strak.
‘Dan is lol het motief,’ sprak hij cynisch.
De grijze speurder hielp de lijkschouwer bij het opstapje naar de deinende surveillanceboot, maar bleef zelf aan de wallenkant staan. Van een afstandje keek hij toe hoe dokter Den Koninghe in de gutsende regen het slachtoffer onderzocht. Het duurde dit keer langer dan gewoonlijk.
Pas na een minuut of vijf kwam de oude lijkschouwer uit het gangboord omhoog. De Cock steunde hem bij het overstapje naar de wal.
Met precieze bewegingen nam de dokter zijn bril af, pakte zijn pochet uit het borstzakje van zijn jacquet en poetste zijn glazen. Het was bij de stromende regen een zinloze handeling. ‘Hij is dood,’ sprak hij laconiek.
De Cock knikte met een strak gezicht.
‘Dat begreep ik,’ reageerde hij simpel.
De lijkschouwer gebaarde in de richting van de dode in het gangboord van de surveillanceboot.
‘De opper krijgt opnieuw gelijk.’
‘Lucht in zijn longen?’
De dokter knikte.
‘Dokter Rusteloos moet zijn longen maar eens goed bekijken. Ook zijn hals. Volgens mij zijn er ook nu in de luchtpijp kraakbeenringetjes gebroken.’
De lijkschouwer zweeg even.
‘Er is nog iets vreemds. De jongeman heeft een fikse vleeswond aan zijn borst. Vermoedelijk een steek met een stiletto of dolk.’ De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Een steekwond?’
‘De wond is stuntelig… ondeskundig verbonden met verbandgaas en pleisters. En niet gedesinfecteerd. De kleur van het wondvocht op het verbandgaas duidt op een ontsteking.’ De Cock wiste met zijn vlakke hand het regenwater van zijn gezicht.
‘Hoe… eh, hoe oud is die wond?’
Dokter Den Koninghe antwoordde niet. Zonder iets te zeggen liep hij van hem weg. Na enige stappen draaide hij zich half om.
‘Enkele dagen… schat ik.’
Daarna liep hij door.
De Cock keek hem met gemengde gevoelens na. Toen de oude lijkschouwer uit zijn gezichtsveld was verdwenen, wenkte hij de broeders van de Geneeskundige Dienst. Ze tilden het slachtoffer uit het gangboord en legden de dode op het canvas van de brancard. Voordat zij een laken over hem heen drapeerden, riep de grijze speurder zijn jonge assistent naderbij en wees naar het kostuum dat de dode droeg.
‘Hoe noem jij die kleur?’
Vledder keek hem niet-begrijpend aan.
‘Donkergrijs.’
‘En de kleur van zijn haar?’
‘Blond… donkerblond.’
De Cock knikte. Daarna wendde hij zich tot de oudste van de twee broeders.
‘Laat hem zijn kleding aanhouden. Leg hem zo maar in de koeling.’
De broeder trok een bedenkelijk gezicht.
‘Liever niet.’
‘Waarom niet?’
‘Dan moppert dokter Rusteloos morgen dat het lijk nog gekleed is.’
De Cock glimlachte.
‘We zullen dokter Rusteloos zeggen,’ sprak hij geruststellend, ‘dat het op ons uitdrukkelijk verzoek gebeurde.’
Na de dode met een laken te hebben bedekt, sloegen de broeders de canvasflappen dicht, sjorden de riemen vast en droegen de dode zacht wiegend weg.
De Cock nam ondanks de felle regen zijn vilten hoedje af. De dood, zo vond hij, verdiende eerbied. Toen het rode achterlicht van de ambulancewagen door de nevel was opgeslokt, zette hij zijn hoedje weer op en wendde zich tot Vledder.
‘Heb jij nog de namen van die twee verbouwereerde dienders die een lijk uit de Paternostersteeg zagen weglopen?’‘Die heb ik.’
‘Trommel ze op en ga met hen naar Westgaarde voor een confrontatie.’
Vledder keek hem verrast aan.
‘Jij denkt, dat… eh, dat…’
De Cock onderbrak hem knikkend.
‘Inderdaad, dat denk ik.’
Vledder liet zich met een diepe zucht op zijn stoel achter zijn bureau zakken. Zijn gezicht zag rood en zijn blonde haren hingen verward langs zijn hoofd.
De Cock keek hem onderzoekend aan.
‘Wat is er?’
Vledder zuchtte opnieuw.
‘Wat een consternatie.’
‘Op Westgaarde?’
Vledder knikte.
‘Die twee jonge agenten hadden gelukkig dienst. Ze reden op mijn verzoek in hun eigen surveillancewagen achter mij aan. Onderweg bedacht ik dat ik meteen wel een wettelijke herkenning kon arrangeren.’
‘Voor het verlof tot begraven na de sectie?’
Vledder grijnsde.
‘Het kon in een moeite door, dacht ik.’
‘En?’
Vledder gebaarde.
‘Ik reed met die jonge dienders achter mij naar de President Kennedylaan, naar het adres dat Maurice van Nederveld destijds aan mij had opgegeven. Ik trof hem thuis en vroeg hem of hij bereid was om mee te werken aan een identificatie van een dodelijk slachtoffer.’
‘Hoe reageerde hij?’
‘Hij trok direct zijn regenjas aan en stapte bij mij in de Golf.’ De Cock keek hem verrast aan.
‘Vroeg hij niets… hoe en waarom… wat voor een slachtoffer het was?’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Ook onderweg heeft hij geen woord met mij gewisseld. Ik heb hem ook niets gezegd of gevraagd.’
‘Vreemd.’
‘Dat vond ik ook.’
‘En verder?’
Vledder spreidde zijn handen.
‘De Kennedylaan is niet zo ver van Amstelveen.’
‘Broer Gerard in de Camera Obscuralaan.’
Vledder knikte.
‘Ook hij was thuis en zegde zonder morren zijn medewerking toe.’ De jonge rechercheur ademde diep.
‘Voor de zekerheid liet ik hem bij de jonge dienders in de surveillancewagen plaatsnemen.’
De Cock glimlachte.
‘Ik heb jou nog nooit zoveel eigen initiatieven zien ontplooien,’ sprak hij bewonderend.
Het gezicht van Vledder betrok.
‘In Westgaarde ging het hopeloos mis. Met behulp van die twee dienders haalde ik het lijk van vanavond uit het koelvak. We legden hem op de sectietafel. De beide dienders herkenden hem onmiddellijk als de man die zij voor dood in de Paternostersteeg hadden aangetroffen en daarna van hen wegliep. Na deze confrontatie liet ik de broers binnenkomen.’
‘Tegelijk?’
‘Ja.’
De Cock kneep zijn ogen even dicht.
‘Stom… stom.’
Vledder knikte traag voor zich uit.
‘Dat was het. Stom. Ondoordacht. Dat had ik nooit moeten doen.’‘Wat gebeurde er?’
‘Aanvankelijk niets. Secondenlang staarden beide broers naar het lijk op de sectietafel. Beiden leken versteend. Maar ineens, zonder enige aanleiding, stormde Maurice op Gerard af en greep hem bij zijn keel.’
‘Een wurgpoging.’
Vledder knikte.
‘Inderdaad. Als wij niet tussenbeide waren gekomen, had hij hem ter plekke vermoord.’
‘Die indruk had je?’
Vledder slikte.
‘Absoluut. Maurice van Nederveld was gewoon buiten zinnen. Zijn ogen rolden in zijn kop en het schuim stond op zijn mond. Hij schold Gerard uit. “Moordenaar!” riep hij. “Moordenaar, dit is al de derde die je van het leven hebt beroofd.” Hij gilde… was niet tot bedaren te brengen.’
De jonge rechercheur maakte een vermoeid gebaar. ‘Ik liet Gerard van Nederveld door de beide jonge dienders afvoeren. “Breng hem maar terug naar Amstelveen,” zei ik.’ Vledder liet zich achterover zakken. Met een droevige grijns op zijn gezicht schudde hij zijn hoofd.
‘Dat was ook fout,’ sprak hij somber. ‘Dat had ik niet in het bijzijn van Maurice moeten zeggen. Hij vloog onmiddellijk op mij af… trommelde met zijn beide vuisten als een bezetene op mijn borst. “Ben je helemaal gek geworden?” schreeuwde hij. “Laat je hem gaan? Sluit die vent in… sluit hem in… voor hij ons allemaal uitroeit.” Daarna stortte hij zich op het lijk van zijn broer en begon te snikken.’
De Cock keek zijn jonge collega met een blik vol medelijden aan. ‘Inderdaad… consternatie.’
Vledder boog zich weer iets naar voren.
‘Het is mijn eigen schuld. De hele enscenering was fout. Ik heb de situatie in Westgaarde geen moment onder controle gehad.’ Zijn gezicht betrok. In een plotselinge explosie van woede, sloeg de jonge rechercheur met zijn vuist op de rand van zijn bureau. ‘Je moet in dit gore beroep ook waarachtig aan alles denken.’ De Cock liet hem begaan. Hij begreep hoe zijn jonge collega zich voelde.
‘Wat heb je met Maurice van Nederveld gedaan?’ vroeg hij na een poosje.
‘Meegenomen.’
‘Meegenomen?’
‘Ja.’
‘Waarheen?’
‘Hier naar de Kit. Hij zit in de wachtkamer. Jan Kusters praat op hem in.’
De Cock keek naar Maurice van Nederveld, die op de stoel naast zijn bureau had plaatsgenomen. De jongeman zag er verfomfaaid uit. Zijn jack was gescheurd en over zijn wang liep een rode striem.
‘Hoe voelt u zich?’
‘Belabberd.’
De Cock glimlachte om het antwoord.
‘Dat gaat wel weer over.’
Maurice van Nederveld kneep even zijn ogen stijf dicht. Het was een uitdrukking van diepe smart. Zijn onderlip trilde. ‘Marcel… Marcel is dood,’ stamelde hij.
De Cock knikte traag.
‘Net als uw vader en moeder… gevist uit het water van het open havenfront.’
Maurice keek met een betraand gezicht naar hem op. ‘Wat is er met onze familie aan de hand?’ riep hij verdrietig. ‘Hebben we Gods toorn opgewekt?’
‘U bent gelovig?’
Maurice schudde zijn hoofd.
‘Niet erg. Maar als iets vreselijks je overkomt, denk je toch aan een opperwezen.’
De Cock liet het onderwerp rusten.
‘Hoe kwam Marcel aan die wond aan zijn borst?’
Maurice liet zijn hoofd iets zakken.
‘Marcel was homofiel.’
‘En u?’
Maurice schudde zijn hoofd.
‘Ik niet. Het heeft ook lang geduurd voor ik wist dat Marcel homofiel was. Op straat kwamen wel mannen op mij toe die mij aanspraken en mij Marcel noemden. Wanneer ik dan zei dat ik niet Marcel was, maar Maurice, dan liepen ze bij mij weg. Zich verontschuldigend.’
‘Dat vond u vreemd?’
Maurice knikte.
‘Toen ik Marcel daar eens over aansprak, vertelde hij mij dat hij homofiele contacten had.’
De Cock veinsde onbegrip.
‘Wat heeft het feit dat Marcel homofiel was, met die wond aan zijn borst te maken?’
Maurice aarzelde. Hij keek omlaag en antwoordde toen: ‘Marcel zocht wel eens vluchtige contacten. Dan ging hij de stad in… plekken waar homofielen elkaar ontmoeten. Een paar dagen geleden kwam hij meer dood dan levend thuis. Midden in de nacht. Hij maakte mij wakker en liet die wond aan zijn borst zien.
Hij vertelde dat hij in een donkere steeg stond te pissen, toen plotseling een wildvreemde man op hem afkwam en hem zonder iets te zeggen met een dolk in zijn borst stak. Marcel dacht dat hij kort daarna het bewustzijn had verloren. Toen hij weer bijkwam, stonden er een paar agenten in de steeg.’
De Cock knikte.
‘Marcel stond op en liep weg.’
Maurice keek verrast op.
‘Dat wist u?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik wist niet dat het slachtoffer Marcel was, maar het voorval stond wel in het politierapport.’
Maurice ademde diep.
‘Marcel hield het feit dat hij homofiel was zoveel als doenlijk verborgen. Hij wilde geen aangifte doen van die messteek. Hij weigerde ook om die wond door een arts te laten verzorgen. “Het geneest wel weer,” zei hij.’
Maurice schudde zijn hoofd.
‘Zo was Marcel,’ ging hij verder, ‘erg gesloten. Hij was mijn tweelingbroer. Men zegt dat tweelingen altijd een goed geestelijk contact met elkaar hebben. Bij Marcel en mij was dat niet zo. Hij maakte mij zelden deelgenoot van zijn gedachten.’ De Cock gebaarde in zijn richting.
‘Jullie woonden toch samen?’
‘Ja.’
‘Wanneer hebt u uw broer Marcel voor het laatst in leven gezien?’
‘Enige dagen geleden.’
‘Zei hij waar hij heen ging?’
‘Dat deed Marcel nooit. Het verbaasde mij ook niet dat hij een paar nachten van huis bleef. Dat gebeurde wel meer.’‘Wisten uw ouders dat Marcel homofiel was?’
‘Nee.’
‘Evelien… Gerard?’
Maurice trok een bedenkelijk gezicht.
‘Misschien hebben ze wel eens iets gemerkt. Maar er is nooit over gesproken.’
De Cock wreef met zijn vlakke hand over zijn breed gezicht. Het was een gebaar om tijd te winnen.
‘U… eh, u bent vanavond,’ ging hij aarzelend verder, ‘tijdens de confrontatie op Westgaarde nogal tekeergegaan. Mijn collega Vledder vertelde mij dat hij de grootste moeite had om u van een moord te weerhouden.’
Maurice liet zijn hoofd weer zakken.
‘Ik was buiten zinnen van woede. Ondanks zijn gesloten karakter was ik erg op Marcel gesteld. Als kind waren wij onafscheidelijk.’ De Cock keek hem schuins onderzoekend aan.
‘U… eh, u moet toch wel de absolute overtuiging hebben dat jullie oudste broer Gerard voor de dood van Marcel verantwoordelijk is? Hoe… eh, hoe kan ik anders uw poging tot moord verklaren?’
Maurice zuchtte diep.
‘Ik weet niet of ik hem echt zou hebben gewurgd, maar op het moment dat het tot mij doordrong dat Marcel nooit meer zou leven, was ik er wel toe in staat.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Dat is geen antwoord op mijn vraag,’ reageerde hij streng. ‘Ik wil van u weten waar die absolute overtuiging dat Gerard betrokken is bij de dood van Marcel op stoelt.’
Maurice gleed met zijn linkerhand langs zijn nek. ‘Het is… eh, het is gegroeid,’ antwoordde hij traag. ‘Toen Evelien mij vertelde dat zij vermoedde dat moeder en Gerard betrokken waren bij de dood van vader, heb ik die gedachte verworpen. Het leek mij waanzinnig. Absurd.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Wat deed u van gedachten veranderen?’
Maurice antwoordde niet. Hij sloeg zijn handen voor zijn gezicht.
De Cock boog zich iets naar hem toe.
‘Wat deed u van gedachten veranderen,’ herhaalde hij dwingender.
Maurice nam zijn handen van zijn gezicht weg.
‘Gerard wil de kostbare verzameling van vader niet met ons delen. Hij wil die alleen voor zichzelf. Daarom moordt hij ons een voor een uit.’
De Cock kneep zijn wenkbrauwen bijeen.
‘Waarop baseert u dat?’
‘Gerard heeft al pogingen gedaan om de verzameling van vader aan een louche handelaar te verkopen.’
‘Een louche handelaar?’
Maurice knikte.
‘Peter van der Zwaard.’