Vledder stapte de grote recherchekamer binnen, pakte de stoel naast het bureau van De Cock en ging er omgekeerd op zitten. De jonge rechercheur duimde over zijn schouder.
‘Ik heb het beneden gehoord hoe je met Jan Kusters belde… Je hebt Maurice van Nederveld naar huis laten brengen.’‘Ja.’
‘Leg je hem niets ten laste?’
‘Wat?’
‘Poging tot moord op zijn broer.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Daar voel ik in principe niets voor,’ bromde hij. ‘Ik denk ook niet dat broer Gerard aangifte zal doen. En doet hij dat toch, dan kunnen we de zaak alsnog op papier zetten.’
Vledder grijnsde.
‘Je had hem toch geen taxirit behoeven aan te bieden… compleet met politiebegeleiding?’
De Cock keek zijn jonge collega verwijtend aan.
‘Je moet in ons vak menselijk blijven,’ sprak hij vermanend. ‘Dat loont op den duur. Maurice van Nederveld zag er tamelijk toegetakeld uit… een schram over zijn gezicht, gescheurde kleren. Ik kon hem zo verfomfaaid niet over straat laten gaan.’
Vledder bromde.
‘Dat is zijn eigen schuld. Maurice van Nederveld is een potige jongen. We konden hem in Westgaarde nauwelijks in bedwang houden. Het werd een robbertje vrij worstelen… catch-as-catchcan. Ik heb er een gekneusde schouder aan overgehouden.’ De Cock blikte hem van terzijde schattend aan.
‘Het zal wel meevallen.’
Vledder legde zijn rechterhand op zijn linkerschouder en bewoog zijn arm op en neer. ‘Ik kan er nog wel een vork mee vasthouden,’ stelde hij cynisch vast.
De Cock glimlachte.
‘Ik heb je bij het verhoor gemist.’
Vledder schonk hem een moede grijns.
‘Ik wilde er niet bij zijn. Ik had nog de pest in mijn lijf over zijn gedrag op Westgaarde. Daarom ben ik bij de wachtcommandant gaan zitten. Dat leek mij beter. Ik dacht dat mijn aanwezigheid bij het verhoor alleen maar storend zou werken.’ De Cock keek hem bewonderend aan.
‘Verstandig.’
‘Heeft het verhoor nog iets opgeleverd?’
De Cock knikte traag.
‘Volgens Maurice was zijn broer Marcel homofiel en zocht hij in de binnenstad vaak vluchtige contacten.’
Vledder grijnsde.
‘Dat verklaart zijn aanwezigheid in die nacht in de Paternostersteeg.’ De jonge rechercheur trok een denkrimpel in zijn voorhoofd. ‘Hoe kwam hij aan die wond op zijn borst?’
De Cock zuchtte.
‘Een onbekende man kwam in de donkere steeg op hem toe. Marcel dacht dat de man toenadering zocht. Maar onverhoeds stak hij hem met een dolk.’
Vledder trok een vies gezicht.
‘Zomaar?’
De Cock trok zijn schouders op.
‘Dat was alles wat Maurice mij over het voorval kon vertellen. Marcel was, zo zei hij, een man met een gesloten karakter, die weinig over zichzelf losliet en het feit dat hij homofiel was zoveel als doenlijk voor anderen verborg.’
Vledder knikte begrijpend.
‘Wat zei Maurice over zijn wurgpoging?’
‘Hij gaf toe dat hij op Westgaarde Gerard in woede naar zijn keel had gegrepen en dat hij er zich van bewust was dat hij op dat moment zeker tot moord op zijn broer in staat was.’ Vledder grinnikte.
‘Met twee dienders en een rechercheur als getuige kan hij dat moeilijk ontkennen.’
De Cock plukte aan zijn onderlip.
‘Die poging tot moord op zijn broer frappeerde mij,’ formuleerde hij voorzichtig, ‘omdat daaruit blijkt dat in Maurice van Nederveld de stellige overtuiging leeft dat zijn broer Gerard voor de tot nu gepleegde moorden verantwoordelijk is.’ Vledder trok zijn neus iets op.
‘Die overtuiging moet toch ergens op berusten?’
De Cock staarde nadenkend voor zich uit.
‘Daar ben ik ook dieper op ingegaan.’
‘En?’
De Cock trok een bedenkelijk gezicht.
‘Maurice meent,’ antwoordde hij voorzichtig, ‘dat zijn broer Gerard de complete verzameling van vader Van Nederveld, die zeer kostbaar zou zijn, geheel voor zichzelf wil behouden.’‘Zonder met de nog levende erfgenamen te willen delen?’ De Cock knikte met een ernstig gezicht.
‘Daarom zou hij doende zijn de gehele familie successievelijk uit te moorden.’
‘Heeft hij aanwijzingen voor die stelling?’
De Cock trok zijn schouders iets op.
‘Gerard van Nederveld zou voor de verkoop van die verzameling al contact hebben gezocht met Peter van der Zwaard.’ Vledder keek hem verward aan.
‘De man naar wie vader Van Nederveld onderweg was, toen hij in het water geraakte?’
‘Precies.’
Vledder likte aan zijn lippen.
‘Hoe… eh, hoe weet Maurice dat zijn broer Gerard voor de verkoop van de verzameling al contact heeft gezocht met… eh, met Peter van der Zwaard?’
De Cock streek met zijn handen over zijn grijze haren. ‘Het antwoord zal je verbazen… Maurice zegt dat te weten van Marcel.’‘Marcel?’
De Cock knikte.
‘Marcel had tegen Maurice gezegd dat hij wist dat broer Gerard met een inventaris van de verzameling van zijn vader bij Peter van der Zwaard had aangeklopt voor een schatting van de waarde.’‘Daar is toch niets op tegen?’
‘Wel als hij de nog levende erfgenamen daarover niet heeft geinformeerd.’
Vledder trok zijn wenkbrauwen op.
‘Wie was de informant van Marcel?’
De Cock maakte een hulpeloos gebaar.
‘Een goede vraag… een vraag die Maurice ook aan Marcel stelde.’‘Wat was het antwoord?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Hoewel Maurice erop aandrong, weigerde Marcel te zeggen hoe hij aan die wetenschap kwam.’
De grijze speurder stond van zijn stoel op, liep om Vledder heen naar de kapstok en pakte zijn regenjas.
De jonge rechercheur kwam hem na.
‘Waar ga je heen?’
De Cock pakte zijn hoedje en schoof het over zijn stugge grijze haren.
‘Doe je jas aan,’ gebood hij. ‘We gaan op pad.’
Vledder maakte een theatraal gebaar.
‘Oké. Waarheen?’
De Cock liep van hem weg. Bij de deur draaide hij zich om. ‘Er is volgens mij maar een man die het antwoord kent: Peter van der Zwaard.’
‘Ga je het hem persoonlijk vragen?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Nog niet.’
De oude rechercheur diepte uit een steekzak van zijn regenjas het apparaatje op dat hij eens van zijn vriend en ex-inbreker Handige Henkie had gekregen. Een koperen houdertje met uitschuifbaar een keur van sleutelbaarden. Hij hield het omhoog. ‘We doen eerst bij hem thuis een inkijkje.’
‘Dat is volgens ons Wetboek van Strafvordering streng verboden.’ De Cock knikte met een grijns.
‘Absoluut.’
Vledder toonde zich niet tevreden.
‘Ik… eh, ik houd daar niet van,’ sprak hij weifelend. De jonge rechercheur trok een bedenkelijk gezicht. ‘Als hij thuis is of zijn vrouw?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Hij heeft geen vrouw. Peter van der Zwaard is een verstokte vrijgezel.’
Vledder gebaarde protesterend.
‘Hij kan toch thuis zijn.’
De Cock trok een grijns van oor tot oor.
‘Peter van der Zwaard is niet thuis.’
De grijze speurder blikte op zijn polshorloge.
‘Hij zit op dit moment in het lokaal van Smalle Lowietje, die hem met een stalen gezicht een volkomen verzonnen verzameling antiek porselein aanbiedt.’
Vledder keek hem wantrouwend aan.
‘Heb jij dat gearrangeerd?’
De Cock lachte.
‘Twijfel jij daaraan?’
Vledder zuchtte diep.
‘Geen moment.’
De rechercheurs staken vanaf de Oudebrugsteeg het Damrak over. De vele lichtreclames schitterden kleurrijk in het natte asfalt. Via de Nieuwezijds Kolk liepen ze langs het Korenmetershuisje naar de Korte Kolksteeg. Het regende nog, maar niet zo fel meer als een paar uur tevoren. De Cock trok de kraag van zijn regenjas omhoog en blikte om zich heen. Het hem vertrouwde beeld van de oude binnenstad was in de laatste tien jaar, vond hij, sterk veranderd.
‘Met zijn ploeg,’ declameerde hij pathetisch, ‘getrokken door twee vuursnuivende stieren trok Jason, de grote Griekse held, kaarsrechte voren in de akker en zaaide drakentanden.’ Vledder keek hem van terzijde verbaasd aan.
‘Waar heb je het over?’
De Cock gebaarde weids.
‘Amsterdammertjes… ze schieten als drakentanden uit de grond.’ Het onderwerp interesseerde Vledder blijkbaar niet. ‘Ik krijg zo langzamerhand het idee,’ sprak hij peinzend, ‘dat jij die Peter van der Zwaard ontloopt.’
De Cock keek hem verbaasd aan. ‘Hoezo?’
De jonge rechercheur gebaarde heftig.
‘Zijn naam kwam al bij het begin van ons onderzoek naar voren. En volgens mij is hij heel nauw bij de moorden betrokken.’‘Hoe?’
Vledder snoof.
‘Jij hebt zelf opgemerkt dat Peter van der Zwaard topografisch gezien voor het plegen van de moorden uiterst gunstig woont. Nog geen honderd meter van de plek waar de lijken uit het water van het open havenfront zijn gevist.’
‘En?’
‘Ondanks die verdachte omstandigheden hebben we nog geen woord met hem gewisseld.’
De Cock trok zijn gezicht in een ernstige plooi.
‘Peter van der Zwaard heeft,’ sprak hij rustig, ‘in zijn rijke leven vrijwel alles gedaan wat bij wet en goed burgerlijk fatsoen is verboden. Bovendien is hij niet vies van een ripdeal en lapt hij bedreigingen uit de onderwereld aan zijn laars. Toch is hij nog nooit met politie of justitie in aanraking geweest en verkeert… zo heeft men mij verzekerd… nog steeds in blakende welstand.’ De grijze speurder schudde zijn hoofd.
‘Zo’n man kun je niet met wat simpele politiebluf benaderen.’ Vledder knikte begrijpend.
‘Wat dacht je bij hem thuis te vinden?’
De Cock maakte een schouderbeweging.
‘Geen flauw idee. We moeten maar eens wat gaan snuffelen.’ Vledder gniffelde.
‘Misschien hebben we een keer geluk… vinden wij bij hem thuis voorwerpen, waarvan wij kunnen bewijzen dat zij aan een van zijn slachtoffers hebben toebehoord.’
De Cock glimlachte.
‘Daar zou ik maar niet op rekenen. Daarvoor acht ik hem te schrander. Ik zou al blij zijn als wij iets vonden, waarmee wij hem subtiel onder druk kunnen zetten.’
‘Wat bedoel je met subtiel?’
Over het gezicht van De Cock gleed een vluchtige grijns. ‘Ik voel mij ten aanzien van Peter van der Zwaard niet geroepen om wettelijke spelregels te volgen.’
‘Daarom onze verboden kijkoperatie?’
‘Precies.’
Aan het einde van de Korte Korsjespoortsteeg sloegen ze rechtsaf en volgden de Singel in de richting van de Haarlemmersluis. Langs woonboten in allerlei fatsoenen slenterden ze naar de ronde muren van de oude Lutherse Koepelkerk.
In de Jeroenensteeg bleef De Cock staan en keek rechts naar de monumentale ingang van de voormalige kerk met twee antieke lantaarns, waarin als dissonant moderne spaarlampen gloeiden. De oude rechercheur wachtte geduldig tot een tegen de kerkmuur plassende man waggelend de steeg had verlaten. Toen richtte hij zijn aandacht op een donkergroen gelakte deur. Hoewel er geen enkel huisnummer of aanduiding was te zien, wist De Cock dat die deur toegang gaf tot de woning van Peter van der Zwaard. Uit het apparaatje van Handige Henkie koos hij met kennersblik de juiste sleutelbaard. In luttele seconden had hij de deur geopend en stapte naar binnen.
Vledder volgde.
Na een klein portaal liep een houten trap vrij steil naar boven. De Cock pakte de leuning en trok en drukte zijn negentig kilo zwaar hijgend omhoog. De oude traptreden kraakten onder zijn voeten. Op het portaal van de eerste etage nam de oude rechercheur een kleine pauze en bracht zijn ademhaling weer in een rustig ritme. Daarna voelde hij aan de kruk van de enige deur op het portaal. Er was geen slot. De Cock drukte de deur open, pakte zijn zaklantaarn en liet het ovaal van licht door het vertrek dwalen. Het was schaars gemeubileerd. Aan de wanden hingen enige schilderijen in vergulde lijsten. De Cock herkende werken uit de Amsterdamse school. Op een uitbundig Chinees tapijt stonden vier fauteuils om een ronde ruwhouten tafel. Links aan de muur was een immens groot bureau met twee telefoons en een fax. De oude rechercheur liet het ovaal van zijn zaklantaarn op de laden van het bureau rusten. Daarna draaide hij zich half om en wendde zich tot Vledder.
‘Neem jij de laden links,’ sprak hij fluisterend, ‘dan neem ik ze aan de rechterkant. Doe wel voorzichtig. Ik wil niet dat hij direct merkt dat wij in zijn paperassen hebben gesnuffeld.’ De rechercheurs knielden bij de laden neer. Al na enkele minuten kwam Vledder omhoog.
‘Ik heb hier iets,’ sprak hij opgewonden. ‘Een brief met het briefhoofd van Gerard van Nederveld, Camera Obscuralaan in Amstelveen.’
De Cock kwam naast hem staan.
‘Wat staat er in?’
‘Niets. Ik bedoel geen tekst. Alleen aanduidingen van een verzameling.’
‘Neem hem mee.’
‘Die lijst?’
‘Ja.’
Vledder ademde diep.
‘Peter van der Zwaard zal hem missen,’ sprak hij hijgend. ‘En wij kunnen er wettelijk nooit gebruik van maken zonder toe te geven dat wij onrechtmatig deze woning zijn binnengedrongen.’ De Cock wuifde de bezwaren van Vledder weg.
‘Ik wil die lijst op het bureau eens rustig bekijken. Weet je nog precies waar je hem hebt gevonden?’
Vledder knikte.
‘Hier in de bovenste lade. Het was het derde stuk dat ik in handen kreeg.’
De Cock glimlachte.
‘Zo nodig lokken wij na een paar dagen Peter van der Zwaard opnieuw uit zijn huis en brengen die lijst bij hem terug.’ Vledder grinnikte.
‘Alsof er niets is gebeurd.’
De oude rechercheur knikte instemmend. Daarna bukte hij zich weer over de laden aan de rechterkant. Het ovaal van licht uit zijn zaklantaarn gleed even over het blad van het bureau, wipte langs de beide telefoons en de fax. In een flits herkende De Cock een foto in een oude zilveren lijst rechts op een hoek van het immens grote bureau. Hij liet het licht van zijn zaklantaarn erop rusten en stootte Vledder aan.
De mond van de jonge rechercheur zakte open.
‘Maurice van Nederveld.’
De Cock schudde zijn hoofd. ‘Marcel.’