Na het stormachtige onderhoud met commissaris Buitendam keerde De Cock in de grote recherchekamer terug. Hij slofte met licht gebogen hoofd naar de stoel achter zijn bureau en liet zich zakken. De grijze speurder voelde na een lange werkdag een intense vermoeidheid in zijn botten kruipen.
Vledder keek hem peilend aan.
‘Was het weer zover?’
‘Buitendam is er,’ verzuchtte De Cock, ‘op een of andere manier achtergekomen dat de lijken van het echtpaar Van Nederveld door de rijkspolitie uit het open havenfront waren gevist.’‘En?’
‘De commissaris wil nu dat wij het onderzoek aan de Rijkspolitie te Water overdragen. Buitendam was bang voor een competentiegeschil.’
‘Zot.’
‘Dat zei ik hem ook.’
Vledder gniffelde.
‘En toen stuurde hij je zijn kamer uit.’
‘Zoals gebruikelijk.’
Vledder keek hem aan.
‘Doe je het?’
‘Wat?’
‘De zaak overdragen aan de Rijkspolitie te Water?’‘Wij hebben,’ antwoordde De Cock traag, ‘correct gehandeld. Er is sprake geweest van overleg. Ik heb duidelijk met opper Vermeulen afgesproken dat wij de zaak in behandeling zouden nemen.’
De Cock blikte nadenkend voor zich uit, en wendde zich daarna tot Vledder:
‘Heb je nog een afschrift van het rapport dat je voor Buitendam hebt gemaakt?’
‘Zeker.’
‘Maak er een kopie van voor de Rijkspolitie te Water en doe er een kort begeleidend briefje bij, waarin je vermeldt dat het in het rapport genoemde echtpaar Van Nederveld met een interval van ongeveer een jaar door hun dienst uit het water van het open havenfront is gevist.’
‘Punt?’
De Cock knikte instemmend.
‘Meer niet. Geen bijzonderheden, geen details.’
Vledder keek hem verwonderd aan.
‘Wat hebben ze daaraan?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Niets.’ De oude rechercheur glimlachte. ‘Het is een administratief foefje. Als de leiding van de Rijkspolitie te Water ondanks mijn overeenkomst met opper Vermeulen toch in de zaak is geinteresseerd, zullen ze ons om nadere inlichtingen vragen. Zijn ze niet geïnteresseerd, dan nemen ze het rapport voor wat het is, maar dan hebben wij aan onze plicht voldaan en de Rijkspolitie te Water formeel in kennis gesteld.’
‘En wat doen wij?’
‘Wat dacht je?’
Vledder lachte vrolijk.
‘Doorgaan.’
De Cock knikte met een ernstig gezicht.
‘Ik heb nog nooit een moordzaak uit handen gegeven,’ sprak hij verbeten, ‘en ik ben ook nu niet van plan om dat te doen.’ Vledder trok zijn wenkbrauwen op.
‘En als de leiding van de Rijkspolitie te Water achteraf toch geïnteresseerd blijkt en om nadere inlichtingen vraagt?’‘Dan rapporteren wij,’ antwoordde De Cock rustig, ‘dat wij bij ons onderzoek inzake de beide moorden tot nu… ondanks onze uiterste inspanningen… geen positieve resultaten hebben geboekt. En dan blijven wij strikt binnen de kring van de waarheid.’
Vledder zuchtte diep.
‘Wat een gemeier. Als wij toch met opper Vermeulen afspreken dat wij aan de Warmoesstraat de zaak behandelen, dan is daar toch niets op tegen. Waar bemoeit…’
De jonge rechercheur stokte. Er werd op de deur van de recherchekamer geklopt. Nog voor Vledder kon reageren, werd de deur geopend door een man in een blauwe spijkerbroek en een bont gekleurd jack.
De Cock kneep zijn ogen half dicht en herkende Jacques Verdonk, alias Gaatjes Sjaak, een bedaagde inbreker die hij vele jaren geleden eens had gearresteerd op basis van zijn specifieke, zeer succesvolle werkwijze. Jacques Verdonk boorde bij zijn inbraken altijd gaten in de sponningen van ramen. Daarin stak hij een scharnierende stalen pen, waarmee hij aan de binnenzijde grendels kon openschuiven. Hij had er in penozekringen exclusief de bijnaam Gaatjes Sjaak aan overgehouden.
De inbreker stapte dreunend op De Cock af en liet zich op de stoel naast zijn bureau zakken.
De oude rechercheur keek naar de grote klok boven de toegangsdeur en blikte daarna opzij.
‘Hoe later op de avond hoe schoner volk,’ grapte hij. Jacques Verdonk duimde over zijn schouder.
‘Smalle Lowietje stuurt me.’
‘En jij laat je sturen?’
Jacques Verdonk grijnsde.
‘De Smalle vertelde mij dat jij belangstelling had voor Peter van der Zwaard… en voor jongens die wel eens door hem zijn belazerd.’
De Cock keek hem grijnzend aan.
‘Zo’n jongen ben jij?’
Jacques Verdonk knikte.
‘Smalle Lowietje zei dat jij de boter op mijn hoofd niet zou laten smelten.’
De Cock glimlachte.
‘Heb je nog boter op je hoofd, Sjaak?’
Jacques Verdonk schudde zijn hoofd.
‘Ik doe al jaren niks meer. Het is niet meer nodig. Ik heb een lief wijfje aan de hand met een goede baan. Zij gaat ’s morgens vroeg de deur uit. Dan fiets ik een uurtje later met de stofzuiger door het huis, schud de bedden op en maak ’savonds wat lekkers voor haar klaar.’
‘Een best leven.’
‘Die wijven zijn gek met hun emancipatie. Ik verzeker je… huisman is een prachtig bestaan,’ antwoordde Jacques grinnikend. ‘En je gaatjespen?’
De ex-inbreker maakte een weids gebaar.
‘Die bewaar ik voor slechtere tijden.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Hoe heb jij die Peter van der Zwaard destijds leren kennen?’ Jacques ademde diep.
‘Hij… eh, hij kwam op een dag naar mij toe,’ antwoordde hij aarzelend, ‘en zei dat hij had gehoord dat ik nogal makkelijk ergens binnen kon komen.’
‘Met je gaatjespen?’
‘Precies. Hij wist ook hoe ik werkte. Iemand had hem blijkbaar iets in zijn oor gefluisterd.’
‘En?’
‘Na een inleidend babbeltje legde hij een tekening voor mij neer… een plattegrond van een villa in Blaricum. Hij vertelde mij dat in de woonkamer gelijkvloers, links van de open haard een ongesloten secretaire stond, waarin zich een verzameling oude munten bevond. En om die munten was het hem te doen.’ De Cock knikte begrijpend.
‘Heb je aan Peter van der Zwaard gevraagd hoe hij zo zeker wist dat daar munten lagen?’
Jacques reageerde verrast.
‘Waarom zou ik?’
De Cock negeerde het antwoord.
‘Wat bood hij?’
‘Hoe bedoelt u?’
De Cock grinnikte.
‘Heb je geen deal gesloten? Je gaat toch niet zomaar voor niets op pad?’
‘Peter van der Zwaard dacht dat de munten een bom duiten zouden opbrengen. Maar dat wist hij niet zeker. Hij moest ze eerst door een expert laten onderzoeken.’
‘En daar ging jij mee akkoord?’
Jacques knikte.
‘Onder voorwaarde dat in en om de villa geen extra obstakels waren.’
‘Zoals?’
‘Honden of beveiligingen waardoor ik mijn gaatjespen niet kon gebruiken.’
‘Die obstakels waren er niet?’
‘Nee. Het verliep allemaal gladjes. Geen centje pijn. Ik ben die nacht alles bij elkaar nog geen halfuurtje bezig geweest.’ Gaatjes Sjaak glimlachte.
‘Thuis heb ik die munten eens goed bekeken. Ouwe troep. Ik had voor dat gammele zootje oud metaal nog geen stuiver gegeven.’
‘Jij zag er de waarde niet van in?’
‘Anders had ik ze zelf wel gehouden. Dan had Peter van der Zwaard naar zijn munten kunnen fluiten.’
De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.
‘Omdat jij er zelf niets in zag, bracht jij dat gammele zootje oud metaal, zoals afgesproken, naar Peter van der Zwaard.’ Jacques knikte.
‘De volgende morgen ging ik ermee naar de Jeroenensteeg. Daar was ook een zogeheten expert aanwezig. Die bekeek de munten, trok zijn neus op en zei dat het niet was wat hij dacht. Hij gaf mij drie meier{Meier: bargoens voor een bankbiljet van honderd gulden.} voor de moeite en toen kon ik vertrekken.’ Het verweerde gezicht van Gaatjes Sjaak kleurde rood. ‘Een dag later,’ sprak hij met ingehouden woede, ‘las ik in de krant dat die munten in Blaricum voor een vermogen waren verzekerd.’
De Cock keek hem gespannen aan.
‘En toen?’
Jacques zwaaide wild met zijn rechterarm.
‘Met die krant in mijn hand ben ik teruggegaan naar de Jeroenensteeg. Ik liet het bericht door Peter van der Zwaard lezen en zei dat ik meer poen moest hebben. Hij lachte mij vierkant uit en zei dat drie meier een redelijke beloning was voor zo’n simpel akkefietje.’
‘Hoe was jouw reactie?’
‘Ik heb die vent vervloekt.’
De Cock keek hem onnozel aan.
‘Meer niet?’ vroeg hij verwonderd.
‘Wat moest ik?’ schreeuwde Jacques verongelijkt. ‘Ik kon moeilijk naar de politie stappen en zeggen dat Peter van der Zwaard mij met gejatte munten had belazerd. Later hoorde ik dat hij ook andere penozejongens een kunstje had geflikt.’
‘Ik heb eens geïnformeerd. Volgens mijn berichten leeft hij nog.’‘Onbegrijpelijk.’
‘Heb je na dat geval met die munten nog wel eens iets voor die Peter van der Zwaard gedaan?’
Jacques grinnikte.
‘Ik ben wat dat betreft een koppige ezel.’
De Cock lachte.
‘Je bedoelt dat je je niet twee keer aan dezelfde steen stoot.’‘Zo is het.’
‘Heb jij ene Klaas Sonderlick gekend?’
Jacques keek hem verward aan.
‘Klaas hoe…?’
‘Klaas Sonderlick. Hij had een antiekwinkeltje in de Nieuwe Spiegelstraat.’
Jacques schudde zijn hoofd.
‘Na dat geintje met die munten heb ik nooit meer iets in antiek gedaan.’
De Cock nam een kleine pauze en liet het gesprek nog eens aan zich voorbij trekken. Ineens verscheen een denkrimpel in zijn voorhoofd.
‘Die drie meier… die kreeg je van die expert?’ vroeg hij met een zweem van verwondering.
Jacques Verdonk knikte.
‘Hij trok zijn portefeuille.’
‘Waren die munten voor hem bestemd?’
‘Daar leek het op.’
‘Weet je wie die expert was?’
‘Geen idee.’
‘Hoe zag hij eruit?’
Jacques spreidde zijn handen.
‘Een heer… zou ik zeggen… een echte heer… goed in het pak. Hij was die ochtend niet alleen. Hij had een dochter bij zich… een bloedmooie meid van een jaar of achttien.’
Toen De Cock de volgende morgen na een gezonde nachtrust opgewekt de grote recherchekamer binnenstapte, zat Vledder al achter zijn elektronische schrijfmachine en liet zijn rappe vingers over de toetsen dansen.
De oude rechercheur nam tegenover hem aan zijn bureau plaats en boog zich iets naar voren.
‘Wat ben je aan het doen?’
Vledder wees naar het blad in zijn machine.
‘Voor de Rijkspolitie te Water… een vriendelijk kattebelletje.’ De jonge rechercheur schoof de schrijfmachine van zich af. ‘Ik heb gisteravond voor ik naar bed ging eens nagedacht.’ De Cock knikte hem bemoedigend toe.
‘Heel goed als jonge mensen nadenken,’ sprak hij half spottend. Vledder zwaaide de opmerking weg.
‘Die muntenexpert bij Peter van der Zwaard en zijn bloedmooie achttienjarige dochter… volgens mij waren dat de oude heer Van Nederveld en zijn dochter Evelien.’
‘Een knappe gedachte.’
Vledder stak zijn kin iets naar voren.
‘Het is zo gek niet. We weten dat de oude heer Van Nederveld relaties met Peter van der Zwaard onderhield. Ik ben het vanmorgen nagegaan. Die muntendiefstal in Blaricum is bijna dertien jaar geleden gepleegd. Evelien van Wezep-van Nederveld loopt nu tegen de dertig. Het is heel goed mogelijk dat zij haar vader destijds bij die muntentransactie heeft vergezeld.’ De Cock knikte.
‘De rol van de oude heer Van Nederveld wordt steeds dubieuzer,’ sprak hij peinzend. ‘Klaas Sonderlick is dood. Maar ik denk dat Peter van der Zwaard… als hij wil praten… ons aardig op streek zou kunnen helpen.’
‘Kunnen we hem niet onder druk zetten?’
‘Hoe?’
‘Die muntendiefstal uit de villa in Blaricum. Uitlokking. Hij zette Gaatjes Sjaak tot inbraak aan.’
De Cock trok een bedenkelijk gezicht.
‘Daar voel ik niets voor. Het betekent woordbreuk jegens Smalle Lowietje. Hij stuurde Gaatjes Sjaak in het vertrouwen dat ik niets tegen hem zou ondernemen. Bovendien is het is één tegen één. Jacques Verdonk contra Peter van der Zwaard. En als ik mij niet vergis, dan is strafvervolging ook niet meer mogelijk.’‘Waarom niet?’
‘Dertien jaar geleden… de zaak is vrijwel zeker verjaard.’ De oude rechercheur staarde peinzend voor zich uit. ‘Als ik Peter van der Zwaard aanpak, dan moet ik er zeker van zijn dat hij geen kant meer uit kan.’
De grijze speurder kwam van zijn stoel omhoog en slenterde naar de kapstok.
Vledder kwam hem na.
‘Waar gaan we heen?’
De Cock draaide zich half om.
‘Heemstede. Ik heb Afra Molenkamp de administratie laten omspitten naar dat oude proces-verbaal van die diefstal van antiek porselein.’
‘Gestolen door Handige Henkie en waarvoor Klaas Sonderlick terzake heling werd veroordeeld?’
De Cock knikte.
‘De benadeelde was ene Erik van Zuijderveen. Volgens mijn inlichtingen woont hij nog steeds op hetzelfde adres. Ik ben benieuwd of hij zich de oude heer Van Nederveld nog herinnert.’
In de zware toegangsdeur ging achter een koperen traliewerk een luikje open.
‘Ja?’ klonk het beverig.
De oude rechercheur deed een stap terug en nam zijn hoedje af. ‘Mijn naam is De Cock met… eh, met ceeooceekaa,’ sprak hij luid. Hij gebaarde opzij. ‘En dat is mijn collega Vledder. Wij zijn rechercheurs uit Amsterdam, verbonden aan het bureau Warmoesstraat.’
‘Wat wilt u?’
De Cock boog naar het luikje.
‘Ik vind een conversatie via een getralied luikje niet aangenaam.’
Het luikje werd gesloten en de zware toegangsdeur zwaaide langzaam open. In de deuropening stond een oude heer, gehuld in een glimmend zwarte kamerjas.
‘Ik ben voorzichtig,’ kraakte hij, ‘er is al eens een keer bij mij ingebroken.’
De Cock knikte.
‘Dertien jaar geleden.’
De oude heer keek op.
‘Dat weet u?’ vroeg hij met verbazing.
De Cock glimlachte.
‘Het is voor een rechercheur zaak om veel te weten. U bent de heer Erik van Zuijderveen. U bezat een prachtige verzameling antiek porselein. Die is dertien jaar geleden uit uw huis ontvreemd.’
Van Zuijderveen knikte.
‘Ik heb gehoord dat de zaak destijds is opgelost, maar van mijn verzameling heb ik nooit iets teruggezien. De verzekering heeft mij uitbetaald en ik heb inmiddels weer een aardige verzameling verworven.’ De oude heer deed de deur verder open. ‘Komt u binnen. Ik hoop dat de dader naar behoren is gestraft.’ De Cock dacht aan zijn vriend en ex-inbreker Handige Henkie en sjokte zwijgend achter de heer Van Zuijderveen aan naar zijn gezellige woonkamer. De oude heer wees naar een kring van fauteuils.
‘De heren kunnen plaatsnemen,’ bromde hij.
De Cock liet zich in een fauteuil zakken en legde zijn hoedje naast zich op de parketvloer.
‘Wie wist in die jaren dat u zo’n prachtige verzameling antiek porselein bezat?’
Van Zuijderveen ging recht tegenover De Cock zitten en trok zijn schouders op.
‘Waarvoor heeft men een verzameling… om die vol trots aan vrienden en kennissen te laten zien. Althans… zo ga ik met mijn verzameling om.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Bij die verzameling porselein die destijds van u werd gestolen, waren daar ook poppen bij?’
De ogen van de oude man begonnen te glinsteren.
‘Prachtige exemplaren,’ riep hij verrukt. ‘Unieke poppenkoppen met een serene uitstraling, die niet alleen kinderen, maar ook bejaarden fascineert. Beeldschoon. Het is mij nooit gelukt om nog eens zo’n exemplaar te bemachtigen. En ik bezoek toch nog regelmatig belangrijke antiekveilingen.’
‘Zegt u de naam Van Nederveld iets?’
Van Zuijderveen knikte.
‘Een verzamelaar. Ik ontmoette hem op een antiekveiling in Amsterdam. Ik bood toen op een prachtige vaas van Chinees porselein met een kobaltblauw onderglazuur. Zeldzaam fraai. De vaas ging jammer genoeg aan mijn neus voorbij. Een poenerige vent bood als een krankzinnige. Het ging boven mijn budget.
Na afloop kwam die Van Nederveld naar mij toe, troostte mij dat ik de vaas niet had bemachtigd en vertelde dat ook hij in porselein was geïnteresseerd. Ik heb hem toen hier thuis mijn verzameling laten zien.’
De Cock grijnsde.
‘Wij hebben sterk het vermoeden dat hij na zijn bezoek hier aan u een inbreker heeft opgedragen om uw verzameling te roven.’ Van Zuijderveen schudde zijn hoofd.
‘Daar geloof ik niets van. Die Van Nederveld was een vriendelijke, innemende vent. Hij kwam hier met zijn dochter… een fraai geschapen kind. We hebben wat gedronken en gezellig gebabbeld. Ook na de inbraak heeft hij mij nog een paar maal bezocht.’
Van Zuijderveen zweeg even en schonk De Cock een meelijwekkend lachje.
‘Rechercheur,’ sprak hij vriendelijk, ‘u moet zich vergissen.’