2

Ze lag languit op haar rug in het gangboord van een ranke surveillance-motorboot van de Rijkspolitie te Water. Het schelle licht van een schijnwerper hield haar wasbleek gezicht gevangen. Een stroompje water gleed uit haar kleren, verdween door een spleet in de reling.

Met zijn handen diep in de steekzakken van zijn oude regenjas keek De Cock vanuit de hoogte secondenlang op haar neer. De woorden van Gerard van Nederveld kwamen terug in zijn gedachten: een lief, klein, parmantig dametje. Hij nam zijn handen uit zijn zakken, hield zich aan de reling vast en hurkte in het smalle gangboord. Zijn oude stramme knieën protesteerden hoorbaar. Met duim en wijsvinger drukte hij de gesloten oogleden even terug. Vledder boog zich over hem heen.

‘Bruin,’ sprak hij zacht.

De Cock knikte.

‘Bruine ogen. Vrijwel zeker de vermiste Alida Maria de Ruijter, weduwe van Van Nederveld. Ze lijkt inderdaad iets op haar zoon Gerard. We zullen hem morgen met haar confronteren.’ De grijze speurder kwam weer omhoog, wierp nog een korte blik op de dode en stapte van de zacht deinende surveillanceboot op de wallenkant.

Vledder volgde.

Een statige rijkspolitieman met een korte ringbaard liep op hem toe en tikte met zijn wijsvinger tegen de rand van zijn pet. ‘Mijn naam is Vermeulen… Opper Vermeulen.’ Hij zweeg even en hield zijn hoofd iets schuin. ‘U bent de befaamde rechercheur De Cock… met… eh, met ceeooceekaa?’

De oude speurder grijnsde.

‘Die faam mag u weglaten,’ sprak hij wuivend. Hij gebaarde opzij. ‘En dat is collega Vledder… Dick Vledder, mijn onvolprezen hulp.’ Opper Vermeulen knikte even in de richting van de jonge rechercheur en wees naar het lijk van de vrouw in het gangboord. ‘We werden gewaarschuwd door een van uw mensen van de Warmoesstraat,’ legde hij uit. ‘Ze dreef in het water van de westelijke toegang onder het viaduct.’

De opper grinnikte.

‘Dat behoort tot het open havenfront en is dus ons territorium. Wij hadden u ook niet lastiggevallen, wanneer wij dat briefje niet in haar mantelzak hadden gevonden.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Hebt u dat briefje?’

De opper duimde over zijn schouder naar het kantoor van de Rijkspolitie te Water.

‘Het ligt op een vloeiblaadje te drogen. U kunt het straks meenemen.’

‘Stond er alleen mijn naam op?’

Opper Vermeulen knikte.

‘Rechercheur De Cock, politiebureau Warmoesstraat… verder niets.’

De opper wees opnieuw naar het lijk.

‘Ik vertrouw het niet helemaal,’ sprak hij peinzend. ‘Toen we haar vonden lag haar rug naar mijn gevoel te hoog uit het water. Ik dacht eerst dat er een luchtbel onder haar mantel was blijven hangen.’‘En?’

Opper Vermeulen schudde zijn hoofd.

‘Dat bleek niet.’

De Cock keek hem onderzoekend aan.

‘Wat betekent volgens u… haar rug te hoog uit het water?’ Opper Vermeulen trok zijn gezicht in een ernstige plooi. ‘Dat kan betekenen,’ antwoordde hij bedachtzaam, ‘dat de vrouw nog lucht in haar longen heeft.’

De Cock kneep zijn ogen half dicht en schudde zijn hoofd. ‘Geen normale drenkeling?’

Opper Vermeulen trok zijn schouders iets op.

‘De sectie zal het moeten uitwijzen, maar ik heb zo het vermoeden dat ze al dood was voor zij in het water terechtkwam.’‘Moord?’

‘Dat is uw conclusie,’ antwoordde de opper. ‘Zover durf ik niet te gaan.’

De Cock negeerde de opmerking. Hij liet zijn blik over het water van het IJ dwalen. Een strook zilver maanlicht gleed glinsterend over een zwakke golfstroom.

‘Waar?’

‘U bedoelt: waar ze te water is geraakt?’

‘Precies.’

De rijkspolitieman gebaarde wijd om zich heen.

‘Dat is moeilijk te zeggen. Vrijwel iedere nacht wordt het grachtenwater gespuid. Dan ontstaan er sterke stromingen. Lijken leggen in het grachtenstelsel van de stad soms hele afstanden af.’ De Cock staarde peinzend voor zich uit.

‘Het zou voor mij prettig zijn om te weten waar ze ongeveer in…’

Opper Vermeulen onderbrak hem. Hij wees opnieuw naar het lijk in het gangboord.

‘Doet u het onderzoek naar de oorzaak van haar dood of doen wij dat?’ vroeg hij zakelijk.

De Cock dacht na en wreef met zijn vlakke rechterhand over zijn brede gezicht.

‘Gezien het briefje met daarop mijn naam dat u in haar mantelzak hebt gevonden, lijkt het mij het beste dat ik de zaak van u overneem. Bovendien… vannacht… nog geen uur geleden, heeft haar zoon bij mij haar vermissing gemeld.’

Opper Vermeulen trok een denkrimpel in zijn voorhoofd. ‘U weet wie zij is?’ vroeg hij verbaasd.

De Cock knikte traag.

‘Alida Maria de Ruijter, negenenvijftig jaar. Weduwe van Van Nederveld.’

Opper Vermeulen keek hem verrast aan.

‘Van Nederveld?’ herhaalde hij vragend.

De Cock knikte.

‘Zo heet ze… vrijwel zeker. Ik moet uiteraard nog een confrontatie doen.’

De mond van opper Vermeulen zakte half open.

‘Van Nederveld,’ lispelde hij. ‘Van Nederveld. Ik heb al eens een Van Nederveld uit het water gevist… nog geen jaar geleden.’ Vanaf de Westerdoksdijk liep dokter Den Koninghe met korte driftige pasjes het terrein van de Rijkspolitie te Water op. Hij werd gevolgd door twee broeders van de Geneeskundige Dienst met hun onafscheidelijke brancard. Ze torenden hoog boven de kleine lijkschouwer uit.

De Cock liep blij op de dokter toe en schudde hem hartelijk de hand. De grijze speurder had al sinds hun eerste kennismaking een zwak voor de excentrieke lijkschouwer met zijn ouderwetse grijze slobkousen onder een deftige streepjesbroek, zijn stemmig jacquet en zijn verfomfaaide groen uitgeslagen garibaldihoed.

‘Hoe maakt u het?’ vroeg hij uitbundig.

Den Koninghe antwoordde niet, verwonderd blikte hij naar hem op.

‘Sinds wanneer ben jij in dienst bij de Rijkspolitie te Water?’ De Cock schudde glimlachend zijn hoofd.

‘Ik ben hier te gast.’ Hij duimde over zijn schouder naar opper Vermeulen. ‘Hij heeft met zijn bemanning uit het open havenfront een lijk van een vrouw gevist.’

De dokter trok een grijns.

‘En daar had jij iets mee van doen?’

‘Juist.’

De lijkschouwer schudde zijn hoofd.

‘Het verbaast mij niets.’ Hij keek om zich heen. ‘Waar ligt ze?’ De Cock wees achter zich.

‘In het gangboord van die motorboot.’

‘Een drenkeling?’

De Cock trok een bedenkelijk gezicht.

‘Opper Vermeulen van de Rijkspolitie te Water meent dat de vrouw met haar rug iets te hoog boven het water dreef. Hij vermoedt dat er lucht in haar longen is achtergebleven.’ De dokter knikte begrijpend. De kleine lijkschouwer stapte van de wal op de boot. Hij nam zijn garibaldihoed af, trok de pijpen van zijn streepjesbroek iets omhoog en knielde bij de dode neer. Nauwlettend bekeek hij haar gezicht. Daarna schoof hij de revers van haar mantel iets opzij en knoopte de hooggesloten blouse los. Aandachtig bezag hij haar hals.

Na enige tijd kwam hij overeind. Zijn knieën kraakten. Hij zette zijn hoed weer op en stapte van de motorboot op de wal. Met precieze bewegingen nam hij zijn bril af, pakte zijn pochet uit het borstzakje van zijn jacquet en poetste zijn glazen. ‘Ze is dood,’ sprak hij laconiek.

De Cock knikte met een strak gezicht.

‘Dat begreep ik,’ reageerde hij simpel.

De dokter gebaarde in de richting van de dode in het gangboord.

‘Ik denk dat de opper gelijk krijgt.’

‘U bedoelt… lucht in haar longen?’

De dokter knikte.

‘Dokter Rusteloos moet morgen bij de gerechtelijke sectie haar longen maar eens goed bekijken. Ook haar hals. Ik vraag mij af hoeveel kraakbeenringetjes van haar luchtpijp zijn gebroken.’ De Cock keek hem verbijsterd aan.

‘Gebroken kraakbeenringetjes?’ vroeg hij geschrokken. Dokter Den Koninghe knikte opnieuw.

‘Volgens mij heb je weer eens een moord op je nek. De vrouw is gewurgd.’


De Cock had zich ruim zes uur slaap gegund. Na een stevig ontbijt en een vluchtige kus op de wang van zijn vrouw, was hij ondanks een gebroken nachtrust opgewekt op weg gegaan naar de Warmoesstraat. Op het Stationsplein stapte hij uit een overvolle tram, keek speurend om zich heen naar mogelijke zakkenrollers en liep toen in een stroom reizigers uit het Centraal Station naar het brede trottoir van het Damrak. Voor het Victoriahotel wachtte hij geduldig tot de rode loopmannetjes in de verkeerszuilen groen werden en slofte toen verder.

Het was prachtig zomerweer. De zon stond statig stralend aan een strakblauwe hemel. Slechts hier en daar gleed een nietig stapelwolkje aan haar voorbij. Ze vormden geen enkele bedreiging. Al dagenlang had een reeks van aangekondigde depressies uit het westen de zon niet kunnen verdrijven.

De Cock hield van zijn stad en genoot. De ellende van de afgelopen nacht verdween uit zijn gedachten. In het helle zonlicht scheen misdaad een onwezenlijk fenomeen. Hij schoof zijn oude hoedje ver naar achteren en blikte om zich heen. Door de luchtige kledij leek het aantal aantrekkelijke vrouwen in het stadsbeeld meer dan verdubbeld. Links van hem, aan de steigers van de rondvaartboten, wapperden de vlaggen. Ook de Beurs van Berlage was vrolijk gestemd.

Op de hoek van de Oudebrugsteeg bleef hij staan, zocht en vond in zijn broekzak een gulden voor de manser van het straatorgel en stak voor een aanstormende tram van lijn 9 de rijbaan van het Damrak over.

Op het veilige trottoir blikte hij de tram hijgend na. ‘Lijn 9,’ mompelde hij zwaar zuchtend, ‘wordt nog eens mijn dood.’

Toen zijn ademhaling weer op peil was, sjokte hij verder naar de Warmoesstraat en stapte het bureau in.

Voor de balie stond een groepje toeristen. Gezien kleding en uitmonstering zonder twijfel from Great Britain.

‘Robbed?’ vroeg de wachtcommandant in stijl.

De Engelsen knikten zonder uitzondering.

De Cock liep snel aan hen voorbij en besteeg de stenen trappen naar de tweede etage. Toen hij de grote recherchekamer binnenstapte, trof hij Vledder achter zijn elektronische schrijfmachine. De rappe vingers van de jonge rechercheur dansten over de toetsen. De Cock keek hem glimlachend aan.

‘Uitgeslapen?’

Vledder liet zijn vingers rusten.

‘Nee,’ riep hij kortaf.

De Cock veinsde verwondering.

‘Wat doe je dan hier?’

Vledder reageerde nukkig.

‘Iemand moet vanmiddag om drie uur toch naar Westgaarde voor de sectie. Ik heb een afspraak met dokter Rusteloos en ik kan hem niet laten wachten.’ Hij klapte met zijn vlakke rechterhand op zijn schrijfmachine. ‘En er moet toch ook een procesverbaal komen van het vinden van dat lijk vannacht.’‘Je bent onmisbaar,’ knorde De Cock.

Het klonk spottend.

‘Het wordt tijd,’ snauwde Vledder, ‘dat je het inziet.’ De Cock negeerde de opmerking.

‘Heb je een confrontatie geregeld?’

‘Om halfdrie… voordat dokter Rusteloos het mes in het lijk zet. Gerard van Nederveld komt en ik heb nog een dochter van het slachtoffer opgetrommeld.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Hoe kom je aan die dochter?’

Vledder zuchtte.

‘Ik zei tegen Gerard van Nederveld dat ik voor de herkenning… voor het vaststellen van de identiteit van het slachtoffer… minstens twee mensen nodig had. Toen noemde hij mij zonder enige aarzeling de naam van zijn zuster Evelien van Nederveld, getrouwd met Eduard van Wezep.’

De Cock wreef nadenkend over zijn kin.

‘Hoe… eh, hoe reageerde Gerard van Nederveld toen jij hem vertelde dat de vrouw die de Rijkspolitie te Water vannacht uit het open havenfront had opgevist, vermoedelijk zijn vermiste moeder was?’

Vledder trok zijn schouders op.

‘Ik heb hem telefonisch benaderd. Ik heb dus geen gelaatsexpressie kunnen waarnemen. Het was even stil aan de andere kant van de lijn, maar verder verliep het gesprek zakelijk.’ De Cock knikte begrijpend.

‘Heb je hem verteld dat wij het vermoeden hebben dat zijn moeder niet door verdrinking om het leven is gekomen, maar werd gewurgd?’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Dat laat ik liever aan jou over.’

De Cock glimlachte. Hij draaide zich langzaam om, slofte naar de kapstok en hing zijn regenjas en hoedje op. ‘Weet je,’ riep hij terugkomend. ‘Ik ga vanmiddag met je mee naar Westgaarde. Ik wil het gezicht van Gerard van Nederveld zien als hij met zijn dode moeder wordt geconfronteerd.’

‘Verwacht je daar wat van?’

De Cock liet zich in zijn stoel achter zijn bureau zak ken. ‘Dat is niet te voorspellen,’ antwoordde hij bedachtzaam. ‘Ik heb eens…’ De oude rechercheur stokte. Er werd op de deur van de recherchekamer geklopt en Vledder riep: ‘Binnen!’

De deur gleed open en in de deuropening verscheen de gestalte van een jonge vrouw. De Cock schatte haar op achter in de twintig. Ze had lang blond haar dat golvend tot aan haar schouders reikte. De zachtblauwe nauwsluitende japon die ze droeg, accentueerde haar bijna wulpse vormen. Licht heupwiegend schreed ze naderbij.

Als gebiologeerd volgde De Cock haar bewegingen. Eerst toen ze pal voor hem stond, ontwaakte hij uit een lichte hypnose en gebaarde uitnodigend naar de stoel naast zijn bureau. Ze nam plaats, sloeg haar benen over elkaar en draaide zich iets naar hem toe.

‘Ik ben Evelien,’ sprak ze zacht, ‘Evelien van Wezep. Ik ben vanuit dit politiebureau gebeld om vanmiddag om halfdrie op Westgaarde te kijken naar een vrouw die vannacht uit het water is gehaald.’

De Cock reageerde niet direct. Hij leunde iets achterover en keek haar onderzoekend aan. Ze was mooi, vond hij, uitzonderlijk mooi. Ze had een ovaal gezicht met naar haar kin toe afvlakkende wangen. Met haar volle, fraai getekende lippen had ze in de omlijsting van haar lange blonde haren een haast wellustige uitstraling. Maar de blik uit haar helgroene ogen was hard en koel.

‘Uw eigen naam is Van Nederveld?’

‘Dat klopt.’

De Cock trok zijn gezicht in een ernstige plooi. Hij bracht zijn handen naar voren en drukte de vingertoppen tegen elkaar. ‘Wij vermoeden dat de vrouw die vannacht uit het water is opgehaald uw moeder is.’

Evelien van Nederveld leek niet geschokt.

‘Mijn moeder?’ vroeg ze vlak.

De Cock knikte.

‘Alida Maria de Ruijter. Uw broer Gerard van Nederveld heeft bij ons haar vermissing gemeld. Onze vermoedens steunen op de gegevens die uw broer aan ons heeft verstrekt.’

Om de volle mond van Evelien van Nederveld kwam een harde trek. ‘Waarom wilt u mij naar die vrouw laten kijken?’ vroeg ze bits. De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.

‘Ik begrijp u niet?’

Evelien van Nederveld gebaarde voor zich uit.

‘U had toch ook een van mijn andere broers kunnen oproepen?’ De Cock zuchtte.

‘Voor de vaststelling van de identiteit van… eh, van die vrouw verlangt de wet twee personen. Uw broer Gerard noemde spontaan uw naam.’

Evelien van Nederveld klemde haar lippen op elkaar. ‘Ik ga niet naar die vrouw kijken.’

‘Uw moeder.’

‘Haar dood interesseert mij niet.’

De Cock maakte een hulpeloos gebaar.

‘Ik kan u niet dwingen,’ sprak hij hoofdschuddend. ‘Als u niet wilt, dan zal ik moeten zoeken naar een andere getuige die uw moeder kan identificeren. Ik moet u wel zeggen dat uw houding mij verbaast.’

Evelien van Nederveld snoof.

‘U kent mijn moeder niet… U hebt haar nooit van nabij meegemaakt.’

De Cock boog zich iets naar haar toe.

‘U bewaart geen prettige herinneringen aan haar?’

Evelien van Nederveld schudde haar hoofd.

‘Ze was een serpent.’

De Cock spreidde zijn handen.

‘Ik heb niet de indruk dat uw broer Gerard uw mening deelt. Hij toonde zich bezorgd… kwam zelfs midden in de nacht nog haar vermissing melden.’

Evelien van Nederveld grijnsde.

‘Hij zal wel hebben staan janken toen hij de vermissing van zijn moessie meldde?’

Het klonk zeer spottend.

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Nee,’ antwoordde hij kalm, ‘Gerard jankte niet.’

‘Dat verbaast me,’ sprak Evelien half lachend. ‘Moeder en Gerard waren twee handen op een buik. Samen broedden zij hun plannetjes uit.’

De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.

‘Plannetjes?’ vroeg hij met een zweem van achterdocht. Evelien van Nederveld knikte nadrukkelijk.

‘Volgens mij hebben zij vorig jaar samen onze vader om zeep geholpen.’

De Cock keek haar strak aan.

‘Wat bedoelt u met… om zeep geholpen?’

Evelien van Nederveld antwoordde niet direct. Ze ademde diep. Haar prachtige boezem deinde.

‘Vermoord.’

Загрузка...