12

De Cock schoof de mouw van zijn regenjas iets terug en scheen met zijn zaklantaarn op zijn polshorloge.

‘We moeten maken dat we hier weg komen,’ sprak hij fluisterend. ‘Ik wil niet dat hij ons overvalt. Het hangt ervan af hoe goed Smalle Lowietje zijn rol speelt. Als Peter van der Zwaard bemerkt dat het verhaal van de caféhouder louter humbug is, dan hebben we niet veel tijd meer over.’

Vledder kwam uit zijn gebukte houding bij de laden van het immense bureau omhoog.

‘Meer dan die lijst heb ik niet gevonden,’ verzuchtte hij. De Cock richtte het licht van zijn zaklantaarn op de foto van Marcel van Nederveld in de oudzilveren lijst.

‘Dit vind ik belangrijk.’

Vledder fronste zijn wenkbrauwen.

‘Heb jij enig idee waarom Peter van der Zwaard een foto van Marcel van Nederveld zo prominent op zijn bureau heeft staan?’ De Cock tuitte zijn lippen.

‘Hoewel niemand erover sprak,’ formuleerde hij bedachtzaam, ‘vermoed ik dat ook de ongehuwde Peter van der Zwaard homofiel is.’

Vledder ademde diep.

‘Marcel en Peter… een homofiele relatie.’

‘Precies.’

Vledder knikte voor zich uit.

‘Ik begrijp nu hoe Marcel van Nederveld wist dat zijn broer Gerard met een inventaris van de verzameling van zijn vader bij Peter van der Zwaard had aangeklopt voor een schatting van de waarde.’

De Cock wees naar het ontvreemde papier.

‘Hij zal hier die lijst hebben gezien en daaruit hebben geconcludeerd dat zijn broer Gerard de andere erfgenamen buiten de opbrengst van de kostbare verzameling probeert te houden.’ Vledder keek hem schuins aan.

‘Een terechte conclusie?’

De Cock trok een pijnlijk gezicht.

‘Dat is moeilijk te zeggen. Wat voert Gerard van Nederveld in zijn schild? Wat is zijn intentie? Wil hij van Peter van der Zwaard alleen een waardeoordeel over zijn vaders verzameling… of is hij echt van plan om de andere erfgenamen niet te laten meedelen?’

Vledder gromde.

‘Volgens mij is hij alleen op eigen voordeel uit.’

De Cock plukte aan zijn onderlip.

‘In dat geval komt er een belangrijke vraag naar boven.’ Vledder keek hem niet-begrijpend aan.

‘Welke?’

De Cock hield zijn wijsvinger voor zijn neus.

‘Weet Gerard dat zijn broer Marcel vriendschapsbanden met Peter van der Zwaard onderhield?’

‘Is dat belangrijk?’

De Cock knikte nadrukkelijk.

‘Denk eens goed na. Als Gerard van Nederveld weet of sinds kort heeft ontdekt dat zijn broer Marcel de handelaar Peter van der Zwaard kende… een homofiele relatie met hem had aangeknoopt… dan vormde broer Marcel voor Gerard van Nederveld een belangrijk obstakel voor eventuele verdere onderhandelingen met die Peter van der Zwaard.’

De oude rechercheur dacht na.

‘Zolang die relatie bestond… met andere woorden… zolang Marcel leefde… kon Gerard van Nederveld nooit ongemerkt de verzameling van zijn vader van de hand doen.’

In het schaarse gele licht dat van de antieke kerklantaarns door de zijramen het vertrek binnenviel, waren de opengesperde ogen van Vledder duidelijk zichtbaar.

‘Een motief,’ stamelde hij onthutst. ‘Een duidelijk motief voor moord.’


Nadat De Cock de sporen van hun aanwezigheid, zoveel als doenlijk had uitgewist en in de Jeroenensteeg de toegangsdeur weer zorgvuldig slotvast had gesloten, slenterden de rechercheurs terug naar de Kit. Het regende niet meer. De koelte die de regenbuien hadden gebracht, voelde aangenaam aan. De Cock keek om zich heen en gebaarde naar de woonboten aan de Singel.

‘Vraag eens een lijst op van de bewoners van die schepen hier.’‘Waarom?’

De Cock grijnsde.

‘De slachtoffers moeten toch ergens te water zijn gelaten.’‘Dat behoeft toch niet per se vanaf een woonboot te gebeuren?’ De Cock schudde zijn hoofd.

‘Het kan op tal van manieren… ook vanaf een woonboot.’ Vledder reageerde verder niet.

De Cock knoopte zijn regenjas los. Het raderwerk van zijn denken kwam knarsend op gang. Met zijn hoofd licht gebogen slofte de oude rechercheur diep in gedachten verzonken voort. De foto van Marcel van Nederveld in kabinetformaat op het bureau van Peter van der Zwaard had hem verrast. Hij vroeg zich af welke consequenties het had voor de beoordeling van de gepleegde moorden. Hoeveel had Marcel geweten van de activiteiten van Peter van der Zwaard? Hoe intiem was de vriendschap? En vooral, hoe vertrouwelijk waren beiden geweest?

Vledder verbrak zijn overpeinzingen.

‘Zullen we naar het cafeetje van Smalle Lowietje gaan? Misschien zit die Peter van der Zwaard daar nog? Ik wil die vent wel eens van nabij zien.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ik ben nog niet rijp voor een confrontatie.’

‘Wanneer wel?’

De Cock toonde zich wat geprikkeld.

‘Dat hoor je nog van me.’

De jonge rechercheur beluisterde de toon en liet het onderwerp rusten. Morrend liep hij verder.

Toen ze in de Warmoesstraat de hal van het politiebureau binnenstapten, wenkte Jan Kusters hen met een kromme vinger. De Cock liep op de wachtcommandant toe.

‘Als jij mij gaat vertellen,’ sprak hij dreigend, ‘dat er weer een lijk in het open havenfront drijft, ga ik gillen.’

Jan Kusters lachte. Hij stak zijn arm omhoog.

‘Er zit boven iemand op je te wachten.’

‘Wie?’

De wachtcommandant grijnsde.

‘Dezelfde vent die je een paar uur geleden naar huis hebt laten brengen.’

‘Maurice van Nederveld.’

Jan Kusters knikte.

‘Dat is hem. Hij kwam hier ongeveer een kwartier geleden nogal opgewonden binnen en vroeg naar jou. Toen ik hem vertelde dat jij er niet was en dat ik ook niet wist hoe laat jij zou terugkomen, stond hij erop om te blijven wachten.’

De Cock liep van de balie weg en stormde opmerkelijk kwiek de twee stenen trappen op.

Vledder volgde.

Maurice van Nederveld zag er weer toonbaar uit. Hij droeg een andere pantalon en zijn gescheurd jack was vervangen. Alleen de kras op zijn wang herinnerde nog aan zijn optreden op Westgaarde. Onder zijn linkerarm hield hij een schrift met een harde kaft geklemd.

De Cock schonk hem zijn beminnelijkste glimlach en leidde de jongeman de recherchekamer in naar de stoel naast zijn bureau. ‘Ga zitten,’ sprak hij vriendelijk. ‘Ik had u niet zo snel terug verwacht.’

Maurice van Nederveld nam plaats en legde het schrift op zijn knieën.

‘De… eh, de dood van Marcel houdt mij bezig,’ sprak hij hakkelend. ‘Ik denk niet dat ik dat ooit uit mijn gedachten kan bannen.’ De Cock keek hem bemoedigend aan.

‘De tijd heelt alle wonden.’

Maurice kneep zijn lippen op elkaar.

‘Ik verlang dat zijn moordenaar wordt ontmaskerd en gestraft.’ De Cock knikte met een ernstig gezicht.

‘Een terecht verlangen.’

Maurice wees voor zich uit.

‘Ik heb u al verteld dat Marcel nogal gesloten van aard was. We gingen heel goed met elkaar om, maar er was een brok in zijn leven, waarvan hij mij geen deelgenoot wilde maken.’‘Zijn homofiele geaardheid?’

Maurice maakte een hulpeloos gebaar.

‘Ik denk dat het daarmee te maken heeft. Toen ik vanavond thuiskwam en mij wat had opgefrist, ben ik naar zijn kamer gegaan en heb daar wat rondgekeken. Ik kwam daar nooit. Een moment overwoog ik om terug te gaan naar mijn eigen vertrek. Ik vond het gênant… een soort inbreuk op zijn privacy.’ De Cock knikte begrijpend.

‘U ging niet terug naar uw eigen vertrek?’

Maurice schudde zijn hoofd.

‘Mijn nieuwsgierigheid… mijn verlangen om meer van Marcel te weten… hield mij in zijn kamer. Ik heb niet bewust ergens naar gezocht. Ik wist ook niet waarnaar ik zoeken moest.’ De Cock glimlachte.

‘U hebt wel iets gevonden?’

Maurice knikte.

‘In zijn nachtkastje onder een schone pyjama lag dit schrift.’ De jongeman pakte het van zijn knieën en legde het voor zich op het bureau van De Cock.

‘Het lijkt een soort dagboek in geheimschrift met alleen data en initialen. Ik kan er nog niet goed wijs uit worden. Maar er was een duidelijk leesbare zinsnede die mij deed besluiten om het schrift onmiddellijk naar u te brengen.’

Maurice sloeg het schrift open, bladerde even en wees toen met zijn vinger. ‘Daar staat het: Moeder had kort voor haar dood nog een afspraak met PvdZ.’

De Cock slikte.

‘PeevandeZet… Peter van der Zwaard.’

Maurice van Nederveld ademde diep.

‘Dat moet,’ verzuchtte hij. ‘Het kan niet anders.’


De Cock had moeie voeten. Ze waren er ineens, onaangekondigd. Het was er als een donderslag bij heldere hemel. Hij leunde achterover en legde zijn voeten op een hoek van zijn bureau. Met een van pijn vertrokken gezicht bevoelde hij zijn kuiten. Het was alsof geniepige kleine duiveltjes uit pure boosaardigheid met duizend spelden in zijn kuiten prikten. Hij kende de pijn die uit de holten van zijn voeten kwam, langs zijn hielen omhoog trok en zich vastzette in zijn kuiten. Hij wist ook wat die pijn betekende. Telkens als de zaken slecht verliepen, als zijn onderzoek dreigde te verzanden en als hij het machteloze gevoel had volkomen in het duister te tasten, gaven die helse duiveltjes acte de présence.

Vledder keek hem bezorgd aan. ‘Zijn ze er weer… de duiveltjes?’ De Cock knikte en sloot zijn ogen. Enkele minuten bleef hij zo zitten, bewegingloos en geconcentreerd. Zijn markant gezicht leek een stalen masker. Om de pijn te verdrijven zette hij zijn tanden in zijn onderlip.

‘Het gaat wel weer over,’ sprak hij mat. ‘Het duurt nooit zolang.’ Vledder schudde zijn hoofd. ‘Je had vanmorgen beter thuis kunnen blijven… met je voeten in een teil met warm water.’ De Cock keek hem verwijtend aan.

‘Ik wist toch een uur geleden niet dat de duiveltjes mij vandaag zouden bezoeken. Het komt omdat wij na dagen van speuren in feite nog geen steek verder zijn gekomen. Dat wreekt zich bij mij.’ Vledder klapte met zijn vlakke hand op het schrift met harde kaft, dat voor hem op zijn bureau lag.

‘We moeten Peter van der Zwaard aanpakken,’ riep hij geëmotioneerd. ‘Alle lijnen lopen in zijn richting. De oude heer Van Nederveld gaat op pad naar een afspraak met hem… en wordt levenloos uit het water gevist. Moeder Van Nederveld heeft een afspraak met hem… en wordt levenloos uit het water gevist. Marcel van Nederveld heeft een relatie met hem… en wordt levenloos uit het water gevist.’

De jonge rechercheur zwaaide met zijn armen.

‘Het kan toch allemaal geen toeval zijn?’

De Cock tilde de benen van zijn bureau. De pijn in zijn kuiten trok langzaam weg. Alleen in zijn voeten bleef nog een gevoel van intense moeheid hangen. Hij boog zich iets naar voren. ‘Noem mij,’ sprak hij loom, ‘het motief en ik loop blijmoedig achter je aan om hem te arresteren.’

Vledder maakte een wrevelig gebaar. ‘Omdat wij zijn motief niet kennen, betekent dat toch niet dat Peter van der Zwaard onschuldig is?’

De Cock zuchtte diep. ‘Wat heeft het voor zin om Peter van der Zwaard naar de Kit te slepen met de wetenschap dat je hem na twee dagen toch weer vrij moet laten? Als ik iets tegen hem onderneem, moet ik zeker van mijn zaak zijn.’

Vledder grijnsde. ‘En intussen moordt hij voort.’

De Cock negeerde de opmerking. Hij wees naar het schrift met de harde kaft. ‘Heb je buiten de mededeling dat moeder Van Nederveld voor haar dood nog een afspraak met Peter van der Zwaard had, nog iets gevonden?’

Vledder trok zijn linkerschouder iets op. ‘De initialen PvdZ komen meerdere malen in het schrift voor. Maar er zijn ook vele andere initialen met data. Ik heb het idee dat Marcel elke amoureuze ontmoeting met datum en tijdstip noteerde.’

‘Is er een ontmoeting met PvdZ op of rondom het tijdstip van de dood van de heer en mevrouw Van Nederveld?’

Vledder schudde zijn hoofd. ‘Daar heb ik speciaal op gelet.’ Hij schoof het schrift met de harde kaft van zich af. ‘Ik geloof niet dat we er veel aan hebben.’

De Cock liet het onderwerp rusten. ‘Hoe laat is er sectie op het lijk van Marcel?’

Vledder schudde zijn hoofd. ‘Er is vandaag geen sectie. Dokter Rusteloos had er al vier op zijn lijstje. Marcel van Nederveld kon daar niet meer bij. Het wordt morgen.’

De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd. ‘Heb je nog geinformeerd naar de bewoners van de woonboten aan dat stukje Singel bij de Jeroenensteeg?’

Vledder knikte. ‘De man van het bevolkingsregister die ik aan de lijn had, zei mij dat zo’n onderzoek wel even kon duren. Hij raadde mij aan om zelf naar de Herengracht te komen.’ De Cock knikte begrijpend. ‘Doe dat. Maar bel eerst even met Gerard van Nederveld en zeg hem dat ik hem vanmiddag om twee uur hier aan de Warmoesstraat verwacht.’

Vledder keek hem verrast aan. ‘Ga je hem in staat van beschuldiging stellen?’

De Cock negeerde de vraag. ‘Ik wil opheldering over die lijst.’‘Die inventarislijst die wij bij Peter van der Zwaard hebben aangetroffen?’

‘Ja.’

‘Daar kunnen we toch niet mee voor de dag komen?’‘Ik wil weten hoe hij reageert als wij suggereren dat er zo’n lijst bestaat.’

De oude rechercheur stond op en slenterde naar de kapstok. Vledder kwam hem na. ‘Waar ga jij heen?’

De Cock wurmde zich in zijn regenjas. ‘Naar de Hartenstraat. Ik heb het gevoel dat ik destijds niet goed genoeg naar mamma Bonardi heb geluisterd.’


Ze zat breed en mollig tegenover hem in het restaurant bij het raam aan een kleine tafel bedekt met een stemmig Dessokleedje. De Cock keek haar glimlachend aan.

‘Ik wilde nog eens met u babbelen over de dood van mevrouw Van Nederveld.’

‘Bent u al iets met uw onderzoek gevorderd?’

De Cock schudde zijn hoofd. ‘We zijn nog niet veel verder dan op de dag dat ik u op een stuntelige manier van Westgaarde naar huis reed.’

Mevrouw Bonardi lachte. ‘U reed fantastisch,’ sprak ze vrolijk. ‘Ik heb geen schrammetje opgelopen.’

De Cock zwaaide de lof weg. ‘U hebt mij destijds geschetst hoe zo ongeveer de verhoudingen in de familie Van Nederveld lagen. Daar ben ik u nog dankbaar voor. Ik heb het idee dat u een goed inzicht had.’

Mevrouw Bonardi schonk hem een milde grijns. ‘Ik heb zelf zonen en dochters. Ik weet hoe een moeder zich voelt.’ De Cock knikte. ‘U… eh, u wist hoe mevrouw Van Nederveld zich voelde?’

Mevrouw Bonardi zuchtte. ‘Ze had het niet gemakkelijk… een moeilijke man, een dominante zoon en een voortdurend geldgebrek.’

De Cock plukte aan zijn onderlip. ‘Hoe dominant was Gerard?’ Mevrouw Bonardi schudde haar hoofd. ‘Ik zou van geen van mijn kinderen hebben geduld dat ze mij zo behandelden. De man van mevrouw Van Nederveld bemoeide zich totaal niet met zijn gezin, maar Gerard regelde alles. Hij stond erop dat zij elke uitgave met hem besprak.’

‘Was ze bang voor hem?’

Mevrouw Bonardi antwoordde niet direct. ‘Ik weet niet,’ sprak ze bedachtzaam, ‘of zij bang voor Gerard was.’

‘Voor wie wel?’

Mevrouw Bonardi schudde haar hoofd. ‘Dat weet ik niet. Dat heeft ze mij nooit verteld.’

De Cock boog zich iets naar voren. ‘Tijdens ons vorig onderhoud… terug van Westgaarde… vroeg u mij: “Werd ze vermoord?” Ik reageerde: “Waarom vraagt u dat?” En toen antwoordde u: “Ze was er bang voor.” Herinnert u zich dat nog?’‘Ja.’

‘Dus mevrouw Van Nederveld heeft u gezegd dat zij bang was om slachtoffer van moord te worden?’

Mevrouw Bonardi verschoof iets op haar stoel. ‘Kort voor haar dood kwam ik haar op straat tegen. Ze liep met gebogen hoofd en zag er moe en zorgelijk uit. Ik vroeg wat eraan schortte. Ze zei toen: “Soms zou je wensen dat je ze nooit had gebaard.” Ik beaamde dat. Elke moeder kent die momenten.’

Mevrouw Bonardi stokte. Ze plukte een onzichtbaar pluche van het tafelkleed. ‘Toen zei ze iets wat mij aan het denken zette.’‘Dat was?’

‘Ik weet niet hoe ik moet vluchten.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen. ‘Zei ze dat… vluchten?’ Mevrouw Bonardi knikte. ‘Ik zag aan haar dat ze bang was en ik begreep dat ze hulp nodig had. Ik dacht aan u. Ik had wel eens iets over u gelezen. Toen ik haar de volgende dag weer zag, heb ik haar aangeraden om zich met u in verbinding te stellen.’ De oude rechercheur keek haar onbewogen aan. ‘U gaf haar een eigenhandig geschreven briefje met mijn naam.’

Over het ronde gezicht van mevrouw Bonardi gleed een lieve glimlach. Daarna knikte ze instemmend.

‘De Cock met ceeooceekaa.’

Загрузка...