De grote aula van de Oosterbegraafplaats vulde zich geleidelijk met deftige heren in donkere kostuums. Enigen van hen waren vergezeld van een eveneens stemmig geklede dame. Schuifelend zochten ze zich een plekje tussen de rijen stoelen. De meeste dames droegen een hoed met een zwarte voile, waardoor hun gelaatstrekken bijna niet waren te onderscheiden. De Cock stond wat achteraf, leunend met zijn rug tegen de eikenhouten lambrisering. Hij zocht naar de gestalte van Adelheid van Kleef, maar kon haar tussen de aanwezigen niet ontdekken.
Vledder, naast hem, boog zich iets naar hem toe.
‘Het schijnt,’ sprak hij zacht, bijna fluisterend, ‘dat vrijwel alle leden van het oudheidkundig genootschap aan de oproep van hun koning gehoor hebben gegeven. De aula loopt aardig vol.’ De Cock knikte.
‘Een opmerkelijke discipline. Ik heb zelfs meester Schaaps voorbij zien trekken.’
‘Onze officier van justitie?’
‘Ja, met zijn vrouw.’
Vledder hinnikte zachtjes.
‘Hij zal toch niet mee doen aan die poppenkast?’
‘Ik denk van wel. Hij en zijn vrouw zijn al jaren lid van het genootschap.’
‘Wie leidt de plechtigheid?’
De Cock trok zijn schouders op.
‘Geen flauw idee. Het plan voor het baargericht is van Adelheid van Kleef. Zij zal wel initiatieven hebben genomen. In hoeverre zij het genootschap daarbij heeft betrokken, weet ik niet.’ Hij trok zijn schouders op. ‘Ik wacht maar rustig af wat er gebeurt.’
Aan de zijde van een statig voortschrijdende Hilde Brunet, stapte Gunther Worms de aula binnen. Hij keek spiedend rond. Toen hij De Cock in het oog kreeg, liep hij bij haar vandaan en stevende op de grijze speurder af. Wild, bijna dreigend. Zijn zilvergrijze haren dansten op het straffe ritme van zijn tred. Pal voor De Cock bleef hij staan. Zijn gezicht zag rood en zijn handen, gestoken in zwarte handschoenen, waren tot vuisten gebald.
‘U was in Baarn,’ siste hij tussen zijn tanden. ‘Bij mijn vrouw… zonder mijn voorkennis… zonder dat ik u daartoe toestemming had gegeven.’
De oude rechercheur keek hem verwonderd aan.
‘Had ik daar uw toestemming voor nodig?’ vroeg hij ongelovig. Gunther Worms knikte.
‘Ik wil niet,’ sprak hij driftig, ‘dat u met haar spreekt zonder mijn aanwezigheid.’
De Cock trok een scheef lachje.
‘Ik leid als rechercheur het onderzoek naar de dood van Siegfried van Xanten… waarom zou ik dan niet entre nous mogen praten met iemand die de vermoorde heel goed heeft gekend?’ Gunther Worms gebaarde heftig.
‘Ik… eh, ik kan dan geen controle uitoefenen.’
De Cock hield zijn hoofd iets schuin.
‘U oefent controle uit… over uw vrouw?’ Opnieuw trilde ongeloof in zijn stem.
Het gezicht van Gunther Worms kleurde nog dieper rood. ‘Ik kan haar uitspraken dan niet corrigeren,’ sprak hij bijna wanhopig. ‘Hilde, mijn vrouw, heeft vreemde gedachten… opvattingen. Ik weet niet wat zij u gisteren allemaal heeft verteld, maar als u… als een onverstandig man… haar uitspraken letterlijk neemt, dan bestaat de mogelijkheid dat u een verkeerde indruk krijgt… van mij… en van de andere leden van ons genootschap.’‘En daar bent u bang voor?’
‘Zeker. De dood van ons voormalig lid Siegfried van Xanten doet aan de naam van ons oudheidkundig genootschap toch al geen goed. Daarom heb ik ook toegestemd in dit baargericht. Ik heb alle leden uitdrukkelijk verzocht om bij het ordale aanwezig te zijn. Het zal blijken dat geen enkel lid van ons genootschap iets met de dood van Siegfried van Xanten van doen heeft.’‘Daar bent u zeker van?’
‘Absoluut.’
De Cock wees opzij.
‘De toegangsdeuren van de aula gaan dicht. Als u nog iets met mij wilt bespreken, kom dan vanavond naar ons bureau in de Warmoesstraat.’
Gunther Worms weifelde even. Toen knikte hij vaag en liep bij de grijze speurder vandaan. Hij keek even rond en nam daarna plaats op de voorste rij naast Hilde Brunet. De Cock keek naar de ruggen van die twee. Enige plaatsen verder, ook op de eerste rij, ontwaarde hij de indrukwekkende gestalte van Hagen de Bourgondiër.
In de achterste rij stond een man op… een oude, wat beverige man. Met een vel papier in zijn rechterhand slofte hij naar een opgesteld kathedertje.
‘Etzel Hunnen,’ hijgde De Cock verrast.
Vledder keek hem van terzijde aan.
‘Is dat de man met de hond, die in de Muiderpoort het lijk van Siegfried ontdekte en jou inlichtte over de eed van Hilde Brunet?’
De Cock knikte.
‘Ik dacht dat hij niet van dat malle gedoe hield?’
Vledder snoof.
‘Niets veranderlijker dan een mens.’
Etzel Hunnen legde het vel papier voor zich op het kathedertje neer en schraapte zijn keel. ‘Wij zijn hier vanmorgen bijeengekomen,’ sprak hij met heldere stem, ‘om recht te doen… recht aan de eer en goede naam van ons geliefd genootschap. Ik juich het van harte toe dat Gunther Worms, onze koning, heeft besloten om aan dit baargericht gestalte te geven. Ik begrijp dat ons voormalig genootschapslid, Adelheid van Kleef, verblind door smart, de dader van de moord op Siegfried van Xanten, in ons midden zoekt.’
Etzel Hunnen keek van zijn papier omhoog.
‘Voor ons mensen,’ ging hij verder, ‘voor ons mensen blijft veel verborgen, maar God ziet alle dingen. Wij vragen om Zijn bemiddeling… Zijn tussenkomst… Zijn oordeel. Om die te verwerven maken wij, op aanvraag van Adelheid van Kleef, met eerbied en volle overtuiging, gebruik van een eeuwenoud ordale… het baargericht. Straks zal het lijk van Siegfried van Xanten, de verslagene, hier voor u worden opgebaard. Ik zal u één voor één oproepen om voor zijn lijk en God te verschijnen, waarna u, zijn dode lichaam beroerend, de dure eed zult zweren dat u de verslagene niet hebt gedood.’
Etzel Hunnen zweeg.
Rechts gingen brede zijdeuren open.
Voorafgegaan door een wasbleke Adelheid van Kleef, gekleed in een lang, zwart, vormloos gewaad en op blote voeten werd door acht geüniformeerde mannen… vier aan elke zijde… een baar, bedekt met een lang paars kleed, de aula binnengedragen. In het kleed waren de contouren van een lichaam zichtbaar. Ongeveer in het midden namen de dragers, als op commando, de baar van hun schouders en zetten hem in het front van de aanwezigen neer.
Adelheid van Kleef boog zich voorover, nam een rand van het paarse kleed op en vouwde het terug, zodat het gelaat en de naakte borst van Siegfried van Xanten zichtbaar werden. Na deze korte ceremonie ging Adelheid aan het hoofdeinde van de baar staan.
Er viel een beklemmende stilte. De confrontatie met de grauwe dood werkte verlammend.
De Cock liet zijn blik over de ruggen van de aanwezigen dwalen. Daarna keek hij terug naar de baar met de dode Siegfried van Xanten. Zelfs van de afstand, waarop hij stond, kon hij op de borst de rijgsteken zien, waarmee het lijk na de sectie was dichtgenaaid.
Zijn blik gleed omhoog naar Adelheid van Kleef. Haar blonde haren contrasteerden fraai met het diepzwarte gewaad dat zij droeg. Ineens deed ze hem denken aan Die Lorelei, het gedicht van Heinrich Heine dat hij langgeleden op school had moeten leren. Sie kämmt Ihr goldenes Haar… Sie kämmt es mit goldenem Kamme und singt ein Lied dabei…’
Hij vroeg zich af welk ‘lied’ zij zong… wat haar bezighield… wat zij beoogde. Geloofde ze echt in dat baargericht? Het vel papier op het kathedertje ritselde. Etzel Hunnen strekte zijn rug en riep: ‘Diederik van Bern.’
Vanuit een van de achterste rijen kwam een man naar voren. Voor de baar bleef hij in de houding staan.
Etzel Hunnen nam weer het woord. ‘Diederik,’ sprak hij plechtig, ‘Diederik van Bern… zweert gij, dat gij Siegfried van Xanten niet hebt gedood?’
De man legde zijn linkerhand op het voorhoofd van de dode, stak de wijs- en middelvinger van zijn rechterhand omhoog en antwoordde: ‘Zo waarlijk helpe mij God Almachtig.’ Met gebogen hoofd liep hij van de dode weg.
Etzel Hunnen riep: ‘Godfried Beier.’ En opnieuw kwam van een van de achterste rijen een man naar voren.
Vanaf zijn plek bij de eikenhouten lambrisering volgde De Cock de plechtigheid nauwlettend. Toen de voorste rijen aan de beurt kwamen, kreeg hij plotseling het gevoel dat hij te ver weg stond, dat hij de eedaflegging van meer nabij moest volgen. Hij wenkte Vledder. De jonge rechercheur liep hem op zijn tenen na toen hij schuifelend langs de lambrisering, achter de rijen met stoelen om, een plaats zocht, waar hij, slechts enkele meters van de baar verwijderd, de gelaatstrekken van de eedafleggers duidelijk kon onderscheiden.
Hij keek van opzij naar het wasbleke gelaat van Adelheid van Kleef en ontdekte bij haar mond en neus nerveuze trillingen. Toen Hilde Brunet de eed aflegde, kruisten de blikken van de beide vrouwen elkaar. Even leek het erop of Adelheid van Kleef iets wilde zeggen, maar ze sloot haar mond weer en staarde strak voor zich uit, onmachtig om kleine uitingen van inwendige spanning te bedwingen. Etzel Hunnen riep: ‘Hagen de Bourgondiër.’ De baardige Hagen kwam van zijn stoel overeind. Bijna schoorvoetend liep hij op de baar toe. De Cock bemerkte ook bij hem enige onrust.
Etzel Hunnen nam weer het woord. ‘Hagen,’ sprak hij plechtig, ‘Hagen de Bourgondiër… zweert gij dat gij Siegfried van Xanten niet hebt gedood?’
De zwaargebouwde man aarzelde even. Trillend strekte hij zijn linkerhand naar het voorhoofd van de dode man op de baar. Traag kwamen de wijs- en middelvinger van zijn rechterhand omhoog. ‘Zo… zo…’ stotterde hij, ‘zo waarlijk helpe mij God Almachtig.’
Een ijselijke gil van Adelheid van Kleef snerpte door de aula, echode trillend langs de lambrisering.
De Cock keek. Verbijsterd.
Uit de halfopen mond van de dode Siegfried sijpelde een dun straaltje bloed.
De Cock wiste met een bonte zakdoek het zweet van zijn voorhoofd. ‘Wat een tumult,’ verzuchtte hij. ‘Mensen, mensen, ik dacht dat het dak van de aula zou instorten. Het leek wel een Babylonische spraakverwarring. Iedereen gilde en schreeuwde door elkaar.’ Hij keek dankbaar opzij naar Vledder aan het stuur. ‘Ik was blij dat jij snel de dragers riep om de dode Siegfried van Xanten via de zijdeur af te voeren. Er ontstonden hachelijke situaties rond het lijk.’
Vledder grinnikte.
‘Hilde Brunet viel in onmacht en ik heb die Gunther Worms nog nooit zo bleek gezien. Er lagen er nog meer in katzwijm, maar die kwamen gelukkig weer gauw bij hun positieven.’ De jonge rechercheur schudde zijn hoofd. ‘Dat baargericht heeft wat teweeggebracht. Laten we hopen dat de pers er geen lucht van krijgt… anders staat ons nog wat te wachten.’
De Cock knikte traag voor zich uit.
‘Zeker. Maar ik denk niet dat Gunther Worms voor zijn genootschap die openbaarheid wenst. Hij zal wel proberen om het uit de pers te houden. Van meester Schaaps hebben we in dit geval niets te vrezen. Ik ben alleen bang voor Adelheid van Kleef.’‘Waarom?’
De Cock borg zijn zakdoek weg.
‘Adelheid van Kleef was in alle staten. Ze leek wel hysterisch. Ze schold mij uit voor ongelovige hond omdat ik weigerde Hagen de Bourgondiër te arresteren. U hebt toch Gods aanwijzing gezien, gilde ze. Naar mijn uitleg, dat het oude baargericht al sinds eeuwen niet meer als een wettig bewijsmiddel gold, wilde ze niet luisteren. “Siegfried van Xanten heeft Hagen de Bourgondiër als zijn moordenaar aangewezen!” riep ze steeds. “U moet hem arresteren.”’
Vledder blikte even kort opzij. Het drukke stadsverkeer stond hem niet toe zijn aandacht voor de weg langer te laten verslappen. ‘Wat ga je werkelijk doen met de uitkomst van dat baargericht?’
‘Niets.’
‘Hagen de Bourgondiër krijgt van ons geen extra belangstelling?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Waarom… extra?’
‘Jij gelooft toch aan een godsoordeel?’
De Cock knikte.
‘Maar niet aan een baargericht.’
Vledder keek hem even verrast aan.
‘Je hebt het lijk van Siegfried van Xanten toch zien bloeden toen Hagen de Bourgondiër de eed aflegde?’
‘Dat heb ik.’
‘En?’
De Cock reageerde wat kriegel.
‘Voor mij telt geen baargericht,’ riep hij geprikkeld. ‘Voor mij tellen de emoties. Dat is ook de reden dat ik mij niet tegen dat vreemde baargericht heb verzet. Zolang de dood van Siegfried van Xanten de gemoederen van de betrokkenen bezighoudt, zolang maken wij kans dat er iets losweekt… dat wij iets vernemen van de werkelijke motieven voor deze moord.’
‘En die kennen wij volgens jou nog niet?’
‘Nee.’
‘En dat oudheidkundig genootschap… heeft dat iets met die motieven te maken?’
De Cock trok wat onwillig zijn schouders op.
‘Mogelijk,’ sprak hij wat onzeker. ‘Mogelijk. Het lijkt erop. Maar men heeft zoveel mistbanken voor ons opgetrokken dat ik het gevoel heb tot nu slechts een schimmenspel te hebben gezien.’
Ze reden zwijgend verder. De beelden van de gebeurtenissen in de aula beheersten hun gedachten.
Omdat, zoals in zomers Amsterdam gebruikelijk, vele straten waren opengebroken, bereikte Vledder het Damrak eerst na een reeks van omwegen. Hij parkeerde de oude Volkswagen op de steiger achter het bureau.
De beide rechercheurs stapten uit en slenterden via de Oudebrugsteeg naar de Warmoesstraat. Toen ze de hal van het bureau binnenstapten, wenkte Jan Kusters De Cock met een kromme vinger. Hij reikte achter zich en gaf de grijze speurder een enveloppe. Aan rechercheur De Cock stond er in een krachtig handschrift. Meer niet.
De oude rechercheur keek op.
‘Niet met de post?’
De wachtcommandant schudde zijn hoofd.
‘Die brief lag plotseling op de balie. Ik denk dat een of ander jochie hier uit de buurt hem daar heeft neergelegd.’
De Cock scheurde de enveloppe open. Er zat een enkel velletje in en daarop stond een enkele zin: Vraag Hagen de Bourgondiër naar de schat van de Nevelberg.