2

De Cock keek de vrouw voor hem enige ogenblikken verbijsterd aan. ‘Siegfried van Xanten,’ reageerde hij ongelovig, ‘is volgens u ge-von-nist?’ Hij sprak het uit alsof het een vies woord was. Adelheid van Kleef hield haar blik strak op hem gericht. ‘Siegfried was bang… doodsbang. Al maanden leefde hij in angst… durfde hij het huis niet meer uit… kroop hij ineen bij iedere voetstap op de trap.’

De Cock slikte.

‘Waar was hij dan bang voor?’

‘Voor het vonnis.’

‘Noemde hij het zo… vonnis?’

Adelheid van Kleef schudde haar hoofd.

‘Hij sprak van vondenis.’

De Cock keek haar niet-begrijpend aan.

‘Wat betekent vondenis?’

‘Hetzelfde als vonnis. Siegfried zou hebben gezondigd tegen de ewa en hij was bang dat de sapientes zich voor zijn dood hadden uitgesproken.’

Op het brede gezicht van De Cock kwam een kille grijns. Hij viel fel naar haar uit. ‘Het is mijn beroep om misdaden op te sporen en moorden te ontrafelen,’ sprak hij grimmig. ‘Maar ik ben beslist niet door de Staat der Nederlanden geëngageerd om grappige woordspelletjes met u te doen.’ Hij keek haar streng aan. De welwillendheid was duidelijk uit zijn houding verdwenen. ‘Wat is de ewa en wie zijn de sapientes?’

Adelheid van Kleef liet haar hoofd zakken. Er glommen plotseling tranen in haar mooie ogen. Ze gleden over haar wangen en drupten in haar schoot. Ineens toonde ze het beeld van een totale ontreddering. ‘Ik weet het niet,’ jammerde zij. ‘Ik weet het niet. Siegfried vertelde mij nooit zoveel. Dat mocht hij niet. Hij had een eed afgelegd… een dure eed, dat hij over al die dingen niet zou praten.’

De Cock monsterde haar ineengedoken gestalte, de tranen die overvloedig vloeiden, en had alweer spijt van zijn felle uitval. ‘Hoe lang is Siegfried al weg?’ vroeg hij vriendelijk. ‘Een hele nacht en een halve dag.’

‘En komt u nu al zijn vermissing opgeven?’

Adelheid van Kleef wreef met de rug van haar hand langs haar ogen en verveegde haar make-up.

‘Ik acht elk uur kostbaar.’

De Cock zuchtte.

‘Hebt u enig idee,’ vroeg hij wat vermoeid, ‘waar hij zich zou kunnen ophouden?’

‘Nee… zoals ik al zei… hij was de laatste maanden steeds thuis… ging nooit de deur uit.’

‘Waarom verliet hij dan gisteren wel het huis?’

‘Siegfried kreeg een telefoontje.’

‘Van wie?’

Adelheid van Kleef schudde haar hoofd.

‘Dat weet ik niet. Gisteravond ging plotseling de telefoon. We worden bijna nooit gebeld. Siegfried nam direct de hoorn op. Het leek alsof hij er op had zitten wachten. Het gesprek duurde maar kort… of feitelijk was er geen sprake van een gesprek. Siegfried heeft geen woord gezegd. Al na enkele seconden legde hij de hoorn op het toestel terug, liep naar de gang en trok zijn regenjas aan. Ik liep hem na en vroeg hem wat hij ging doen. “Even iets rechtzetten,” zei hij.’

‘Hoe laat was dat?’

‘Even na negenen.’

‘Heeft hij u nog gezegd wat dat rechtzetten betekende, wat het inhield?’

‘Nee.’

De Cock gebaarde in haar richting.

‘Heeft Siegfried kennissen, vrienden, familie?’

Adelheid van Kleef maakte een lichte schouderbeweging. ‘Ik was de enige met wie hij nog enigermate vertrouwelijk omging. Verder had hij nog een oude moeder, maar met haar had hij al jaren geen contact meer.’

De Cock beluisterde haar woorden.

‘U spreekt steeds in de verleden tijd?’

Adelheid van Kleef sloot even haar beide ogen.

‘Naar mijn diepste gevoel,’ verzuchtte zij, ‘is Siegfried van Xanten ook niet meer in leven.’

De stelligheid waarmee ze sprak, prikkelde de oude rechercheur een beetje. Hij gleed langzaam met zijn pink over de rug van zijn neus. ‘Misschien,’ formuleerde hij voorzichtig, ‘misschien is hij uit angst voor de… eh, vondenis wel naar het buitenland gevlucht?’

Zijn stem kreeg ongewild een cynische ondertoon.

Het ontging Adelheid van Kleef niet. Ze strekte haar rug en dreef de ontreddering van zich af. Van haar gezicht straalde weer een onverzettelijke weerbaarheid.

‘Meneer De Cock,’ sprak ze scherp, ‘ik hoop oprecht, voor u en voor Siegfried van Xanten, dat u hem eerder vindt dan de anderen.’

De grijze speurder liet zijn blik op haar rusten.

‘Welke anderen?’

In haar blauwe ogen vonkte haat.

‘Het volk van de Klokbekers.’


Toen Adelheid van Kleef was vertrokken, keken de beide rechercheurs elkaar aan. Zwijgend. Het was alsof na haar vertrek in de recherchekamer een vacuüm was ontstaan, een leegte, die niet werd opgevuld.

Wat verdoofd blikte De Cock naar de stoel, waarop ze had gezeten. Hem bekroop een vaag gevoel dat de vrouw hem een mysterie had aangereikt, waarvan hij de ernst en de omvang niet vermocht te doorzien.

Na enige tijd hervond hij zijn spraak. Hij draaide zijn bureaustoel een kwartslag en wuifde naar Vledder.

‘Heb je zijn signalement?’

De jonge rechercheur raadpleegde zijn aantekeningen. ‘Siegfried van Xanten,’ las hij hardop, ‘oud vierendertig jaar, lengte plusminus een-meter-vijfentachtig, fors postuur, brede schouders, blond krullend haar, lichtblauwe ogen, een rechte neus, iets oplopende jukbeenderen en een krachtige kin.’ De Cock liet het signalement even op zich inwerken. ‘Een stevig gebouwde man,’ concludeerde hij.

‘Als we die Adelheid van Kleef mogen geloven, dan heeft Siegfried van Xanten het voorkomen van een goddelijke held uit de Griekse mythologie.’

De Cock lachte.

‘Het is mijn ervaring dat vrouwen mannen vaak met vreemde ogen bezien. Ik begrijp er iets van als een man een vrouw beschrijft, maar omgekeerd heb ik in het verleden dikwijls voor raadsels gestaan.’ Hij zweeg even en veranderde toen van onderwerp. ‘Heb je ook een goede beschrijving van de kleding die hij droeg?’

‘Zeker.’

‘Verstuur maar een VOV’tje… een telexbericht met Verzoek Opsporing Verblijfplaats.’

Vledder keek naar hem op.

‘Wil je er nu direct al aan beginnen?’

De Cock knikte.

‘Waarom niet?’

‘Siegfried van Xanten wordt slechts één enkele dag vermist.’ De Cock maakte een weifelend gebaartje.

‘Misschien heeft Adelheid van Kleef wel gelijk… is elk uur kostbaar.’

Vledder trok een bedenkelijk gezicht.

‘Ik weet het niet,’ sprak hij wat onzeker. ‘Ik… eh, ik weet niet wat ik van haar zeggen moet. Ze heeft iets vreemds… iets wat ik moeilijk onder woorden kan brengen.’

De Cock glimlachte.

‘Ze is uitzonderlijk mooi.’

Vledder toonde een lichte irritatie.

‘Toch wekt ze geen begeerte bij mij op.’

De Cock gniffelde.

‘Moet dat?’

Vledder lachte niet. Zijn gezicht bleef ernstig.

‘Ik zou geen relatie met haar willen aangaan… in welke zin dan ook. Ik denk dat ik mij in haar gezelschap niet op mijn gemak zou voelen.’

‘Ik heb uit jouw mond nog nooit zo’n openhartige analyse van vrouwen gehoord.’

Vledder zwaaide met beide armen.

‘Dat komt omdat ik al die tijd bijzonder scherp op haar heb gelet. De eerste impressie verbijsterde mij. Toen ze hier het vertrek binnenstapte, stokte de adem in mijn keel. Maar daar bleef het bij. Het had geen vervolg. Toen die verbijstering vergleed, groeide in mij het besef hoe koel en kil haar schoonheid feitelijk was… zonder diepte, zonder menselijke warmte.’ De Cock trok zijn schouders iets op.

‘Toen ze begon te huilen, vertederde mij dat toch.’

Vledder schudde geërgerd zijn hoofd. Hij klapte met zijn vuist op het blad van zijn bureau. ‘Die tranen waren niet echt. Het was geen uiting van een oprecht verdriet. Haar opzet was dat jij welwillend naar haar luisterde.’ Hij keek grinnikend naar De Cock op. ‘En in die opzet is ze volledig geslaagd.’

De grijze speurder proefde de toon. Hij plukte nadenkend aan het puntje van zijn neus.

‘Jij gelooft haar niet?’

‘Nee… het is een dwaas verhaal.’

‘Hoe dwaas?’

Vledder trok zijn kin iets omhoog.

‘Te dwaas om als basis van een rechercheonderzoek te dienen.’


Het regende nog steeds. De felle kleuren van de lichtreclames spiegelden in het natte asfalt. Het was stil in de Lange Niezel. Veel stiller dan normaal. De gestaag neervallende regen had de mensen van de straten verjaagd. Bij de ingang van het sekstheater zat een juffrouw met een breiwerkje achter de kassa. Ze knikte wat verveeld toen de rechercheurs haar in het voorbijgaan groetten. De Cock trok de kraag van zijn regenjas omhoog en schoof zijn oude hoedje iets naar voren. Hij keek schuin opzij naar Vledder, die zoals gewoonlijk een halve meter voor hem uit liep. ‘Denk jij dat die Siegfried van Xanten niet werkelijk is verdwenen?’

De jonge rechercheur hield zijn pas even in en draaide zijn gezicht naar De Cock toe. ‘Misschien,’ sprak hij achteloos. ‘Ik denk dat zij gisteravond samen ruzie hebben gehad en dat hij daarna kwaad de deur is uitgelopen.’

‘En nu heeft zij spijt en doet bij ons aangifte van vermissing om hem weer bij haar terug te krijgen?’

Vledder knikte nadrukkelijk.

‘Precies. Ze gebruikt… of beter gezegd… ze misbruikt ons. Als ze jou vanavond had verteld dat die Siegfried na een woordenwisseling bij haar was weggelopen, dan had je daar geen aandacht aan geschonken. Daarom komt ze met een onmogelijk verhaal over een vonnis, waardoor jij onmiddellijk een landelijk telexbericht laat verzenden.’

De Cock beluisterde een licht verwijt.

‘Die twee hebben niets met elkaar,’ verdedigde hij zich. ‘Zij zijn geen levenspartners. Siegfried is een vriend over wie, zo Adelheid van Kleef zegt, zij min of meer haar zorgen uitstrekt.’ Vledder keek hem grijnzend aan.

‘Hij woonde toch bij haar in?’

‘Ja.’

De jonge rechercheur snoof.

‘Nou, welke jonge vrouw heeft een jonge man bij haar inwonen met wie zij geen verhouding heeft?’

De Cock bleef het antwoord schuldig. Zijn puriteinse ziel had het altijd moeilijk met dergelijke zaken.

Vanuit de Lange Niezel slenterden zij via de Voorburgwal en de Oudekennissteeg naa r de Achterburgwal. Op de hoek van de Ba r ndesteeg glipten zij het etablissement van Smalle Lowietje binnen. De Cock boog zich iets naar voren en liet een straaltje water uit de rand van zijn hoed glijden. Het vormde een plasje op de tapijttegels. Daarna wurmde hij zich uit zijn natte regenjas, liep naar het einde van de bar en hees zich op een kruk. Vledder kwam met druipende haren naast hem zitten.

Caféhouder Lowie, om zijn geringe borstomvang door de penoze steevast Smalle Lowietje genoemd, streek met zijn kleine handjes langs zijn morsig vest en kwam opgewekt naar De Cock toe. Zijn vriendelijk muizensmoeltje glom van genegenheid. ‘Blij je weer eens te zien,’ kirde hij. ‘Ik neem aan dat het druk is aan de Kit?’

De grijze speurder knikte met een ernstig gezicht.

‘Criminaliteit is in ons brave landje de enige bedrijfstak met een geringe werkloosheid.’

Smalle Lowietje grinnikte. Hij wuifde naar De Cock. ‘Dat mis ik nu zo… die pittige uitspraken van je. Hetzelfde recept?’ Zonder op antwoord te wachten dook hij aalglad onder de tapkast en kwam tevoorschijn met een fles fijne Franse cognac Napoleon, die hij met een kreetje van verrukking op de bar plaatste. Hij vatte drie diepbolle glazen en schonk klokkend in. De Cock keek toe. Hij hield van de manier waarop Lowietje de fraaie fles hanteerde. Het was een ceremonieel, bijna devoot gebaar.

Ze namen beiden het glas op, keken elkaar in de ogen… de oude rechercheur… de wat louche caféhouder… en lachten. ‘Op de misdaad.’

Het was hun gebruikelijke toast.

De Cock warmde het glas in de palm van zijn hand, snoof de prikkelende geur en liet de fluweelzachte nectar door zijn keel glijden.

De grijze speurder genoot van deze schaarse momenten die de actieve misdaad hem gunde. Het verzoende hem een beetje met zijn woelig ambtelijk leven, volgepropt met moord, doodslag en bedrog.

Hij zette zijn glas neer en blikte omhoog naar Lowietje. ‘Denk je dat een rechercheur van politie in de hemel komt?’ vroeg hij somber.

Over het muizensmoeltje van de Smalle gleed een grijns. ‘Sommigen… niet allemaal.’

De Cock lachte.

‘Schenk nog eens in.’

Smalle Lowietje gehoorzaamde met de welwillendheid van een kastelein.

De Cock nam het glas op. Maar na enkele seconden zette hij het weer terug op de bar. Op zijn breed gezicht kwam een peinzende uitdrukking. Vertrouwelijk boog hij zich voorover. ‘Heb jij in deze tent wel eens van het volk van de Klokbekers gehoord?’‘Het volk van de Klokbekers?’

‘Ja.’

‘Je bedoelt de klok-beker-mensen… die luitjes, die elk jaar naar Lunteren trekken?’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Naar Lunteren?’

De tengere caféhouder knikte.

‘Daar houden ze hun jaarlijkse bijeenkomsten. In Amsterdam hebben ze ook een lokaal. In de buurt van de Muiderpoort. Ik dacht eerst dat het zoiets was als de Kerk van Satan, hier op de gracht. Maar bij die mensen gaat het niet om seks.’

‘Waar dan wel om?’

Smalle Lowietje trok dwarse denkrimpels in zijn voorhoofd. ‘Het is een… eh, een soort genootschap,’ formuleerde hij voorzichtig. ‘Een verbond. Ze zijn erg streng onder elkaar. Als iemand niet precies doet wat hij volgens de leden van het genootschap zou moeten doen, dan spreken ze gezamenlijk een vonnis over hem uit.’

De mond van De Cock viel open.

‘Een wat?’

Smalle Lowietje keek hem verwonderd aan.

‘Von-nis… ken jij dat woord niet?’

Загрузка...