20

De Cock schonk klokkend cognac in diepbolle glazen. Hij reikte Dick Vledder een glas aan, daarna Fred Prins en tenslotte de jonge diender, die hij in de Muiderpoort bij het lijk van Siegfried van Xanten had ontmoet. Hij had allen uitgenodigd voor een bijeenkomst bij hem thuis om, zoals hij dat had geformuleerd, een bijna volledige opening van zaken te geven. Hij keek de kring rond en vroeg zich af of hij een toast moest uitbrengen… op wie of wat… maar kon niets vinden. Hij hield alleen zijn glas even omhoog en nam een slok. De cognac verwarmde zijn wat verkild gemoed. Hij liet zich in zijn leren fauteuil zakken.

‘Adelheid van Kleef is dood,’ sprak hij droevig. ‘Vannacht om half drie is ze in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis gestorven. Ik heb ruim een uur met haar kunnen praten. De behandelende doktoren wilden dat aanvankelijk niet, maar Adelheid van Kleef stond erop dat ik bij haar bleef. Tot ze in bewusteloze toestand geraakte, heb ik aan haar bed gezeten. Pas toen ben ik weggegaan. Uit de coma is ze niet meer ontwaakt.’

Hij drukte het beeld van de bewusteloze Adelheid van Kleef uit zijn gedachten en zette zijn cognacglas naast zich op een bijzettafeltje. ‘Het is mijn ervaring,’ ging hij met een diepe zucht verder, ‘dat men als rechercheur in vrijwel elke zaak een paar fouten maakt. Onvolkomenheden… onachtzaamheden. Het is een menselijk falen, dat vrijwel niet is te vermijden.’ Vledder boog zich geïnteresseerd naar voren.

‘Wat was onze fout… dit keer?’

De Cock schonk hem een trieste glimlach.

‘We hebben van het begin af aan te weinig aandacht besteed aan de persoon van Siegfried van Xanten. Wij hebben ons bijna niet in zijn leven verdiept. Hadden wij dat wel gedaan, dan waren de motieven die in deze zaak een rol speelden, veel eerder aan de oppervlakte gekomen. Siegfried van Xanten was bezeten van alles wat met de oudheid had te maken. Hij wilde het verleden volledig doorgronden. Al heel jong liep hij musea en kerken af om kunstvoorwerpen uit de oudheid te bewonderen. Soms was zijn bewondering zo groot, dat hij zich niet kon bedwingen en de kunstvoorwerpen wegnam. Hij vond als jongen van twaalf jaar de gebeeldhouwde hoofden aan de Etruskische graven in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden zo mooi, dat hij ze er afsloeg en meenam.’

Vledder wenkte.

‘Siegfried is voor zo’n diefstal van kunstschatten toch een keer gepakt?’

De Cock knikte.

‘Maar we hebben de processen-verbaal die daarvan destijds zijn opgemaakt nooit opgevraagd… nooit doorgenomen. Als we dat wel hadden gedaan… als we daar niet zo achteloos overheen waren gestapt… dan hadden we kunnen lezen dat Siegfried van Xanten de kunstschatten, die hij uit musea en kerken roofde, na enige tijd weer verkocht aan een wat louche antiquair, een man die in het leven van Siegfried van Xanten later een fatale rol zou spelen… Gunther Worms.’

De mond van Vledder viel open.

‘Kenden die twee elkaar al zo lang?’

De Cock knikte.

‘Al vanaf dat Siegfried veertien was.’

‘Is Gunther Worms nooit voor heling vervolgd?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘De hele zaak is destijds geseponeerd.’ Hij nam nog een slok van zijn cognac. ‘Siegfried van Xanten,’ ging hij verder, ‘snuffelde ook graag in oude geschriften… in kronieken uit het verleden. Hij scharrelde ook veel op markten waar oude boeken worden verkocht. Tijdens zo’n marktbezoek in Ede rond de kerk leerde hij Adelheid van Kleef en Hagen de Bourgondiër kennen. Het bleek dat ze alledrie een gelijke interesse hadden: een onweerstaanbare drang om het verleden te kennen. Een verleden, dat zij, meestal ongemotiveerd, idealiseerden… zich veel mooier, rijker en indrukwekkender voorstelden dan het in werkelijkheid vermoedelijk ooit is geweest. Het leidde tot een soort verheerlijking, waarop het verleden, naar mijn idee, geen enkele aanspraak kan maken.’

Fred Prins onderbrak hem.

‘Er zijn ook mensen die het heden idealiseren, die menen dat er nooit een beter tijdperk is geweest. Het is maar hoe men tegen mensen en tijden aankijkt.’

De Cock knikte instemmend, maar wuifde een discussie weg. ‘Adelheid van Kleef en Hagen de Bourgondiër,’ ging hij verder, ‘brachten Siegfried van Xanten in contact met het eerbiedwaardige oudheidkundig genootschap van de Klokbekers, waar, tot Siegfrieds grote verbazing, antiquair Gunther Worms de scepter zwaaide.’

Vledder grinnikte.

‘Toen was het hele stel compleet.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Je vergeet onze Hilde Brunet. Ook zij was lid van het oudheidkundig genootschap. Hilde Brunet bezat een soort onderkoelde schoonheid, waartoe Gunther Worms zich sterk voelde aangetrokken.’

Vledder glimlachte.

‘Maar Hilde Brunet wilde niets van de avances van Gunther Worms weten.’

‘Precies. Haar belangstelling ging veel meer uit naar de blonde Siegfried van Xanten, die toen al heimelijk bij Adelheid van Kleef was ingetrokken.’

‘Heimelijk?’

De Cock knikte.

‘Adelheid van Kleef wist dat Hagen de Bourgondiër verliefd op haar was. Ook Siegfried van Xanten wist dat. Zij wilden de gevoelens van Hagen de Bourgondiër niet kwetsen en hielden hun verhouding aanvankelijk geheim.’

Vledder keek naar De Cock op.

‘Toen Adelheid van Kleef bij ons in de Warmoesstraat de vermissing meldde, deed ze ook al zo vaag over haar verhouding tot Siegfried van Xanten.’

De Cock maakte een berustend gebaartje.

‘Blijkbaar was Adelheid van Kleef gewend om tegenover anderen een soort sluier over hun verhouding te leggen. Siegfried was voor haar oneindig veel meer dan een man over wie zij min of meer haar zorgen uitstrekte. Hij was haar grote liefde. Adelheid hield zielsveel van Siegfried van Xanten. En in het licht van die liefde moet je ook haar later gedrag bezien.’ De grijze speurder zweeg even. Hij nam zijn glas op en dronk het leeg.

‘Adelheid en Siegfried,’ vervolgde hij, ‘bleven zich intens in de gedragingen en gebruiken van mensen uit de oudheid verdiepen. Adelheid had op een rommelmarkt een bijzonder en al heel oud kruidenboek ontdekt. Het bleek haar, dat men al in een ver verleden geestverruimende middelen kende en kruiden om mensen te bedwelmen. Het is hoogst gevaarlijk om met de wolfskers, de doornappel, de naakte juffrouw en dergelijke uiterst giftige planten te experimenteren, maar aan de hand van dat oude kruidenboek kwam ze tot verrassende resultaten. Het middel waarmee Siegfried van Xanten de verliefde Hilde Brunet… zoals ze dat zelf noemde… aan Gunther Worms onderdanig maakte… was door Adelheid gebrouwen.’

Vledder kneep zijn wenkbrauwen samen.

‘Adelheid wist waarvoor het moest dienen?’

‘Zeker, dat wist ze. Ze stemde ook volledig met het plan in. Ze beschouwde de mooie Hilde Brunet toch als een rivale in haar liefde voor Siegfried van Xanten en vond het wel een goede gedachte dat Hilde Brunet aan Gunther Worms werd gekoppeld.’ Vledder zwaaide met zijn beide armen.

‘Ik hoor nog steeds niets,’ riep hij ongeduldig, ‘over de schat van de Nevelberg!’

De Cock liet zich in zijn fauteuil terugzakken.

‘Dat was ook voor mij een compleet raadsel,’ verzuchtte hij. ‘Er zijn echt wel momenten geweest dat ik aan het bestaan van zo’n schat twijfelde. Hilde Brunet vestigde de aandacht op die schat. Ze wilde er echter niets over zeggen, maar volgens Adelheid wist ze wel degelijk wat de schat behelsde. Hilde Brunet wist ook welke rol haar man, Gunther Worms, had gespeeld en kende het aandeel van Hagen de Bourgondiër in de moord op Siegfried van Xanten.

Siegfried had in een oude kroniek gelezen, dat ergens bij een dorpje in Zuid-Wales een kerkje was dat boven op een oude grafheuvel was gebouwd. Het lukte hem om een afbeelding van het kerkje te bemachtigen. Siegfried zag aan de vorm van de grafheuvel vrijwel onmiddellijk dat het een grafheuvel betrof, zoals die in de bronstijd door het volk van de Klokbekers werden opgericht.

Siegfried van Xanten reisde naar Zuid-Wales. Toen hij ’s avonds vrij laat in het dorpje aankwam, wilde hij eerst nog het kerkje zien, voor hij naar zijn hotelkamer ging. Hij volgde een smal pad en plotseling, zo vertelde hij aan Adelheid, lag voor hem een zacht glooiende berg, waarop een lief oud kerkje stond. De berg en het kerkje waren door avondnevelen omhuld. Dat was de reden dat hij later de schat zo noemde… de schat van de Nevelberg.’

Vledder schoof naar het puntje van zijn stoel.

‘Wat voor een schat?’

‘Grafgiften. De volgende morgen ging Siegfried terug naar het kerkje. Het was vervallen. Het werd ook niet meer voor de eredienst gebruikt, maar diende als opslagplaats voor veevoeders. Siegfried nam contact op met het veevoederbedrijf en vroeg en kreeg een baantje als beheerder van de opslagplaats… onder de voorwaarde dat hij tevens iets aan het vervallen kerkje zou doen.’

Vledder glimlachte begrijpend.

‘Maar hij ging graven.’

De Cock knikte.

‘Weliswaar met beperkte middelen, maar het lukte hem toch om een schat aan kunst- en gebruiksvoorwerpen uit de bronstijd boven aarde te brengen. Hij liet Adelheid overkomen en beetje bij beetje smokkelden beiden de hele schat Engeland uit. Terug in Nederland vertelde Siegfried aan Gunther Worms, dat hij in het bezit was gekomen van een schat aan grafgiften. Gunther Worms toonde direct grote belangstelling. Hij zei dat hij bereid was om voor veel geld de grafgiften te kopen, maar dan moest hij de schat wel eerst zien. En daar voelde Siegfried niets voor. Hij kende Gunther Worms lang genoeg en wist hoe doortrapt gemeen de man was. Siegfried eiste eerst geld. Wanneer dat in zijn bezit was, zou hij de schat overhandigen.’ Fred Prins lachte.

‘En daar wilde Gunther Worms niets van weten.’

‘Nee. Gunther Worms wilde een bewijs dat er werkelijk zoiets als een schat bestond. Siegfried beloofde toen een van de bronzen dolken die hij uit de grafheuvel had gedolven, als bewijs van die schat te leveren. Hij ging echter naar Peter Karstens, liet drie replica’s maken en gaf Gunther Worms zo’n replica.’ Vledder grinnikte vreugdeloos.

‘En daarmee begon de dodendans.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Niet direct. Gunther Worms ontdekte algauw dat de dolk een replica was. Hij had in het verleden dikwijls met Siegfried in kunstschatten gehandeld. Het feit dat Siegfried van Xanten dit keer zo uiterst omzichtig te werk ging, deed hem beseffen, dat er wel degelijk een schat bestond. Hij sprak erover met Hagen de Bourgondiër, zijn compagnon, en beiden besloten om die schat te bemachtigen… hoe dan ook.

Ze wisten dat Siegfried door de aard van zijn belangstelling erg aan zijn lidmaatschap van het oudheidkundig genootschap was gehecht. Gunther Worms en Hagen de Bourgondiër dreigden Siegfried dat ze hem bij de sapientes terzake diefstal van de dolk zouden aanklagen, als hij niet met hen tot een overeenkomst kwam.’ Vledder grijnsde.

‘Het valse vondenis.’

‘Siegfried stoorde zich er niet aan. Toen kwam Gunther Worms op een idee. Hij had van het middel scopolamine gehoord… het zogenaamde waarheidsserum. Hagen de Bourgondiër vond het een prachtig plan. Als zij het middel op Siegfried zouden toepassen, dan zou Siegfried hen, onder de invloed van dat waarheidsserum, exact openbaren waar hij de schat verborgen hield. Via een Amerikaanse relatie kwam Gunther Worms in het bezit van een kleine hoeveelheid scopolamine. Daarna namen ze contact op met Siegfried van Xanten en vroegen hem wat hij nu precies wilde. Siegfried eiste vernietiging van het vondenis en van Gunther Worms een bod op de grafgiften… ongezien. Dat zou worden overwogen.

Hagen de Bourgondiër, die inmiddels wist dat Siegfried bij Adelheid woonde, belde Siegfried op, zei hem dat Gunther Worms akkoord ging en vroeg hem naar het heiligdom te komen om te onderhandelen.’

‘En Siegfried ging.’

De Cock knikte met een bedroefd gezicht.

‘Het werd zijn dood. De scopolamine werkte niet. Vermoedelijk hebben ze Siegfried te veel van dat goedje toegediend. In plaats van antwoord te geven op de vraag waar de schat van de Nevelberg was verborgen, viel Siegfried voorover op tafel en raakte in coma. Hagen de Bourgondiër was woest. Hij nam de replica, die tijdens de onderhandelingen op tafel lag en stak die Siegfried in zijn rug.’

‘Wat stom!’ riep Vledder. ‘Siegfried was de enige die hem kon vertellen waar de schat van de Nevelberg was!’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Hagen de Bourgondiër rekende erop dat Adelheid het hem ook kon vertellen. Of dat hij in de paperassen van Siegfried voldoende aanwijzingen zou vinden.’

Vledder boog zich weer naar voren.

‘Wanneer brachten ze hem naar de Muiderpoort?’

‘Pas de volgende avond. Siegfried was niet zes, maar al bijna twintig uur dood toen hij werd gevonden.’

De jonge diender stak als een schooljongen zijn vinger op. ‘Waarom de Muiderpoort?’

De Cock grijnsde.

‘Het was een idee van Gunther Worms. Hij vond dat de Muiderpoort van enige afstand precies op een graftombe leek. Een ideale plek, meende hij, om een lijk neer te leggen.’ De grijze speurder zweeg. De lange uitleg had hem wat vermoeid. Hij nam de cognacfles en schonk nog eens in. Vledder kon zijn ongeduld niet bedwingen.

‘En Gunther Worms… Hagen de Bourgondiër?’

De Cock nam zijn glas op.

‘De wraak van Adelheid.’

‘Bedoel je, dat ze beiden om het leven bracht?’

De Cock knikte.

‘Zowel Gunther Worms als Hagen de Bourgondiër.’ Vledder reageerde verbaasd.

‘Alleen… zonder hulp van anderen?’

‘A lleen.’

‘Hoe?’

De Cock nam een slok van zijn cognac.

‘Adelheid belde Gunther Worms op en zei hem dat zij wist waar Siegfried de grafgiften had verborgen. Ze toonde zich bereid om te onderhandelen.

Gunther Worms reed, zonder Hagen de Bourgondiër erin te kennen, naar Amsterdam. Hij parkeerde zijn wagen om de hoek in de Montelbaanstraat en ging naar haar woning aan de Oude Waal. Adelheid had hem via haar spionnetje aan het raam zien komen. Ze stelde zich soepel op en zei bereid te zijn Gunther Worms bij de schat te brengen. Om hun overeenkomst te vieren, schonk ze een glas wijn… en daarin zat iets van hetzelfde spul als waarmee Siegfried Hilde Brunet had bedwelmd. Al lichtelijk beneveld stapte Gunther Worms bij haar in de wagen. Na een minuut of tien viel hij voorover in slaap. Adelheid zette koers naar Baarn. Een eind voorbij Bussum zette ze de wagen op een vluchtstrook en stak Gunther Worms een replica van de dolk in zijn rug. Ze wachtte nog een poosje, reed verder naar Baarn en duwde het lijk van Gunther Worms bij de oprijlaan van zijn villa uit de auto.’

Fred Prins deed zijn ogen even dicht.

‘Wat een vrouw.’

De Cock glimlachte om de opmerking.

‘Hetzelfde deed ze bij Hagen de Bourgondiër. Ook hij werd door de schat van de Nevelberg naar haar woning gelokt. Als dubbele troef liet ze doorschemeren dat ze enige tijd na de dood van Siegfried toch wel weer behoefte zou hebben aan een relatie. Er ging echter iets mis. Adelheid had van de dode Gunther Worms de sleuteltjes van zijn wagen genomen. Ze wilde zich ook van die wagen ontdoen. Nadat ze Hagen de Bourgondiër had bedwelmd, liet ze hem naast haar in de vuurrode Mitsubishi stappen. De grote, grofgebouwde Hagen had vermoedelijk meer lichamelijke weerstand tegen het gif dan Gunther Worms. Nog voordat Adelheid kon wegrijden, kwam hij weer enigszins tot zijn positieven. Hagen de Bourgondiër herkende de wagen van Gunther Worms. In een moment van helderheid moet hij hebben beseft in welk gevaar hij verkeerde. Nog zwaar beneveld probeerde hij uit de wagen te komen. Adelheid begreep dat ze snel moest handelen. Ze stak onmiddellijk toe, maar raakte door de bijna mislukte aanval wel in paniek. Het moet haar bedoeling zijn geweest om het lijk van Hagen de Bourgondiër op de stoep voor zijn woning te leggen en daarna de wagen ergens op een parkeerplaats achter te laten.’

Vledder keek De Cock bewonderend aan.

‘Daarom zei jij, nadat wij haar waren kwijtgeraakt, dat ik naar de Keizersgracht moest rijden.’

De Cock knikte.

‘Ik verwachtte dat zij hetzelfde zou doen als bij Gunther Worms. Door haar paniek reed ze verkeerd. Toen ze bij de Tasmanstraat zag dat de weg door een politiewagen was geblokkeerd, werd haar paniek nog groter. Onbekend met de situatie reed ze de Houtmankade op, slipte bij de Spaarndammerstraat en reed tegen het viaduct.’

De grijze speurder zweeg. Hij pakte zijn glas op en nam nog een slok.

Fred Prins boog zich naar hem toe.

‘Waar is nu de schat… de schat van de Nevelberg?’

De Cock trok zijn schouders op.

‘Adelheid van Kleef heeft het mij niet verteld… en ik heb er niet naar gevraagd.’‘Waarom niet?’

De Cock keek Fred Prins aan.

‘Vier doden… in totaal. Ik vond dat de schat van de Nevelberg aan alle mensen die haar begeerden, weinig geluk had gebracht.’ Het gesprek werd algemener. Mevrouw De Cock kwam uit de keuken met schalen vol lekkernijen.

Het liep al tegen middernacht toen het bezoek afscheid nam. De Cock nestelde zich in zijn fauteuil. Hij voelde zich loom, moe en een tikkeltje verdrietig.

Mevrouw De Cock schoof een poef bij.

‘Ze hebben het je niet gevraagd,’ sprak ze voorzichtig, ‘maar tijdens dat baargericht… bloedde het lijk van Siegfried van Xanten werkelijk?’

‘Ja.’

‘Kan dat?’

De Cock ontweek haar vraag.

‘De begrafenisondernemer vertelde mij dat Adelheid van Kleef lange tijd bij het lichaam van Siegfried heeft vertoefd, voordat het lijk de aula werd binnengedragen. Ik weet niet wat ze heeft gedaan. Ik had het haar vannacht nog willen vragen, maar ik ben er niet toe gekomen. Ik denk dat er in vroegere tijden ook met zo’n ordale, zo’n godsgericht werd geknoeid.

Adelheid wist veel over oude gebruiken en zeden. Ze wist alles van het baargericht. Ik denk dat ze eens heeft gelezen hoe men een lijk kan laten bloeden. Mensen zijn altijd zeer vindingrijk geweest… in het kwade.’

Mevrouw De Cock keek haar man glimlachend aan. ‘Jij gelooft niet in een ordale?’

De Cock knikte heftig.

‘Zeker… ik geloof in een godsgericht… zolang mensen er maar niets mee van doen hebben.’

Загрузка...