8

‘Hoe kwam dokter Rusteloos tot die conclusie?’

Vledder maakte een lichte schouderbeweging.

‘Dat is mij niet helemaal duidelijk geworden,’ sprak hij wrevelig. ‘Die oude lijkensnijder is zo doof als een kwartel. Je kunt bijna geen woord met hem wisselen. Hij had het over de geur van het bloed en over spierreacties. Ik begreep er niet veel van. Uiteraard zal een toxicologisch onderzoek moeten uitmaken of er inderdaad sprake was van een bedwelming en welk middel er voor die bedwelming is gebruikt.’

De Cock knikte.

‘Bel eens met het gerechtelijk laboratorium in Den Haag en vraag of ze dat toxicologisch onderzoek met enige voorrang willen behandelen.’

Vledder snoof.

‘Het zal weinig helpen. Ze kampen daar ook al met personeelsgebrek.’

‘Probeer het toch maar.’

‘Waarom?’

De Cock drong aan:

‘Ik ben erg benieuwd naar het middel dat is gebruikt. Het kan een belangrijke aanwijzing zijn. Bovendien… als Siegfried van Xanten eerst is bedwelmd en daarna doodgestoken, dan wijst dat duidelijk in de richting van het wettelijke voorbedachte rade. Dan is er sprake van een vooraf geplande moord.’‘Inderdaad.’

De Cock wreef over zijn kin.

‘Het vreemde is dat buiten dat malle vondenis van het genootschap zich geen enkel bruikbaar motief voor de moord aandient. Waarom moest hij sterven?’ De grijze speurder stond van zijn stoel op en gebaarde naar Vledder. ‘Ga eens na wat Siegfried deed… waarvan hij leefde? Zoek eens uit of zijn moeder nog leeft… waar ze woont? Doe eens navraag naar die dolk… of er inderdaad opgravingen in Uffelte zijn geweest en of daar een dergelijke dolk kan zijn gevonden? Vraag eens aan Hagen de Bourgondiër wanneer hij voor het eerst van die dolk hoorde… en of hij de naam nog kent van de handelaar aan wie Siegfried de dolk te koop aanbood? En doe eens…’

Vledder onderbrak hem afwerend.

‘Wat wil je daar allemaal mee?’

De Cock keek hem verwonderd aan.

‘Een moord oplossen.’

‘En moet ik dat in m’n eentje doen?’

De grijze speurder reageerde verrast.

‘In je eentje?’

Vledder knikte nadrukkelijk.

‘In m’n eentje, ja. Je wilt mij allerlei dingen laten doen, maar wat doe jij?’

De Cock glimlachte.

‘Ik ga naar het Alexanderplein.’

‘Wat is daar?’

‘Daar woont Etzel Hunnen.’

‘Wie is Etzel Hunnen?’

De Cock slenterde naar de kapstok.

‘Een oude man met een hond,’ sprak hij zich omdraaiend. ‘Ik ga hem vragen of hij bij de Muiderpoort buiten een dode Siegfried van Xanten die avond ook nog iets anders heeft gezien.’


De oude man schudde langzaam zijn hoofd. Zijn rechterhand reikte beverig naar de kop van een grote ruige hond, die naast hem zat.

‘Nee, nee… alleen die dode Van Xanten.’

De Cock kneep zijn ogen half dicht.

‘U kende hem?’

De oude man knikte.

‘Jazeker. Siegfried van Xanten. Ik ben er nog een beetje kapot van. Het is verschrikkelijk. Ziet u, het zal ons oudheidkundig genootschap geen goed doen.’

De Cock slikte van verbazing.

‘Uw… eh, uw oudheidkundig genootschap?’ herhaalde hij vragend.

Etzel Hunnen knikte opnieuw.

‘Al heel veel jaren. Van de oprichting af. Die Van Xanten was ook bij ons. Ik, persoonlijk, ik vond hem wel een aardige vent. Een vrolijk en opgeruimd type. Begrijpt u, het was een hele schok voor me, toen ik hem dood in de Muiderpoort zag liggen. En dat met die oude antieke dolk in zijn rug.’

De Cock schoof verrast naar voren. ‘Die… eh, die dolk kende u ook?’

De oude man aaide de hond, die op de plotselinge beweging van De Cock waakzaam reageerde.

‘Daar is alles mee begonnen. Hagen de Bourgondiër zei dat Siegfried van Xanten die dolk tijdens opgravingen in Uffelte achterover had gedrukt… gestolen, begrijpt u. Dat mag niet. Ons oudheidkundig genootschap is er voor om de wetenschap te dienen. Dat is ons uitgangspunt. Daar leggen we ook een eed voor af.’

‘Die eed had Siegfried geschonden.’

‘Precies. Die dolk had hij niet zelf mogen houden. Hij is daarvoor ook door onze sapientes gevonnist.’

‘U behoort tot de sapientes?’

Etzel Hunnen schudde lachend zijn hoofd.

‘Dat is niets voor mij. Ik houd niet van dat malle gedoe. Dat hadden we vroeger ook niet. Dat heeft Gunther Worms ingevoerd… samen met die Hagen de Bourgondiër. Die maakten ook van het zaaltje waar wij bijeenkomen een… eh, een soort heiligdom. Die hebben ook de naam Klokbekers voor ons bedacht.’ Hij schudde opnieuw zijn hoofd. ‘Dat klopt helemaal niet. Die Klokbekers waren een heel ander volk. Die kenden zulke gebruiken niet. Maar ja, ik zit al zo lang bij die club en waarom…’

De Cock onderbrak hem.

‘Wat hield dat vonnis over Siegfried in?’

De oude man gebaarde voor zich uit.

‘Siegfried van Xanten werd door onze sapientes dood verklaard. Voor de leden van ons oudheidkundig genootschap bestaat hij dan niet meer. Ze hebben dan ook liever niet dat je nog omgang met zo’n man of vrouw hebt… zelfs niet buiten het genootschap om.’

De Cock bracht zijn beide handen naar voren.

‘Het houdt dus niet in dat zo’n doodverklaarde man of vrouw ook werkelijk wordt omgebracht?’

Etzel Hunnen lachte hartelijk.

‘Wij zijn geen club van moordenaars.’

De Cock keek de oude man strak aan.

‘Maar Siegfried van Xanten werd vermoord.’

Het gezicht van Etzel Hunnen versomberde.

‘Dat is zo. En daar ben ik nu zo bang voor… dat men ons genootschap in opspraak zal brengen. Ik heb daarover gisteravond laat nog de heer Schaaps gebeld en heb hem verteld wat er was gebeurd.’

‘Welke heer Schaaps?’

‘Die kent u toch wel… Meester Schaaps, officier van justitie hier in Amsterdam. Ik ken hem al heel lang. Hij is bijna net zo lang lid van ons oudheidkundig genootschap als ik.’

De Cock kneep even zijn beide ogen dicht. Hij dacht terug aan zijn wat abrupt afgebroken onderhoud met de commissaris die morgen en begreep met grote helderheid waarom Buitendam hem niet had willen vertellen, wie hem over de moord op Van Xanten had ingelicht.

‘Wat zei meester Schaaps?’

‘Hij zei dat hij er persoonlijk voor zou zorgen dat de naam van ons genootschap niet zou worden bezoedeld.’

De Cock knikte met een ernstig gezicht.

‘Maar een moord is een moord,’ sprak hij streng. ‘Aan dat gegeven valt niet te tornen. Siegfried van Xanten was lid van uw oudheidkundig genootschap en het wapen waarmee de moord werd gepleegd was door hem aan Gunther Worms overgedragen.’ De oude man staarde nadenkend voor zich uit.

‘Zo luidde het vonnis.’

De Cock zuchtte.

‘Ik vrees toch dat wij de dader van de moord in de boezem van uw genootschap moeten zoeken.’

Etzel Hunnen schudde zijn hoofd.

‘U moet dat vergeten, geloof me. Ik zei u al: wij zijn geen club van moordenaars.’

De Cock maakte een vertwijfeld gebaartje.

‘Dat beweer ik ook niet. Ik neem direct aan dat u lid bent van een eerbiedwaardig genootschap… dat alle leden eerbiedwaardige lieden zijn… met uitzondering van de man of de vrouw die de antieke dolk bewust als moordwapen hanteerde.’ De oude man verstarde plotseling.

‘Hilde,’ lispelde hij, ‘Hilde Brunet.’

De Cock keek hem niet-begrijpend aan.

‘Wie is Hilde Brunet?’

Het gezicht van Etzel Hunnen zag ineens bleek en zijn geaderde rechterhand op de kop van de ruige hond trilde.

‘Hilde Brunet… de vrouw van Gunther Worms… zij bezwoer Siegfried te zullen doden.’


Vledder glunderde.

‘Maar dan is zij toch een redelijke verdachte?’ riep hij enthousiast. ‘Die Hilde Brunet?’

De jonge rechercheur knikte.

‘Het is als het ware een verdachte op een presenteerblaadje. Wat wil je nog meer? Mooier is niet denkbaar. Het moet voor die Hilde Brunet een kleine moeite zijn geweest om aan die dolk te komen. Vermoedelijk lag hij in een of andere bureaulade van haar man voor het grijpen. Ook zal het voor haar geen probleem zijn geweest om Siegfried van Xanten naar een of andere plaats te lokken en iets in een drankje te doen dat ze hem aanbood.’ De Cock kauwde op zijn onderlip.

‘Maar het motief?’

Vledder grijnsde breed.

‘Een bedrogen en verlaten vrouw… vind je dat geen motief?’‘Voor moord?’

De jonge rechercheur schoof een stoel bij het bureau van De Cock en ging er omgekeerd op zitten.

‘Jaloezie… gekrenkte trots… duidelijke motieven. Daarvan zijn voorbeelden genoeg. Bovendien had ze toch gezworen het te zullen doen?’

De Cock knikte traag.

‘Volgens de oude Etzel Hunnen had ze tijdens een bijeenkomst van het genootschap een plechtige eed gezworen, dat ze eens Siegfried van Xanten van het leven zou benemen.’

De grijze speurder trok een bedenkelijk gezicht. ‘Maar juist met zo’n eed… zo’n openlijke aankondiging… heb ik wat moeite. Een moord kondigt men gewoonlijk niet aan. Die bereidt men voor… in het geniep.’

Vledder stak zijn kin vooruit.

‘Toch houd ik het op die Hilde Brunet,’ sprak hij koppig. ‘Als het waar is dat Siegfried van Xanten een verhouding met haar had en die verhouding verbrak om bij Adelheid van Kleef in te kunnen trekken, dan kan ik in dat spanningsveld wel een motief herkennen.

Voeg daarbij de praktische mogelijkheden die Hilde Brunet had… de dolk binnen haar bereik en op basis van oude bindingen de bereidheid, die bij Siegfried van Xanten aanwezig zal zijn geweest om op een uitnodiging van haar in te gaan… maken haar voor mij tot een redelijke verdachte.’

‘En als Siegfried de eed kende, die Hilde Brunet had gezworen… en we mogen, gezien de openlijkheid, aannemen dat hij die eed kende… zou bij hem dan ook de bereidheid aanwezig zijn geweest om zonder meer een uitnodiging van haar te aanvaarden?’

‘Ook.’

De Cock plukte aan zijn neus.

‘Ik heb mijn bedenkingen.’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Ik niet,’ sprak hij star. ‘Ik vermoed dat Siegfried van Xanten die eed van Hilde Brunet niet voldoende ernstig heeft genomen en zonder bedenken naar haar toe is gestapt.’ De jonge rechercheur kwam van zijn stoel omhoog. ‘Wanneer gaan we haar arresteren?’

De Cock keek naar hem op. Op zijn breed gezicht lag geen enkele expressie. Ook zijn antwoord bleef uit.

Vledder spreidde zijn beide handen.

‘Wanneer gaan we haar arresteren?’ herhaalde hij.

De grijze speurder wreef met zijn hand langs zijn nek. ‘Weet je al wat van die antieke dolk?’ vroeg hij ontwijkend.

De jonge rechercheur stapte naar zijn bureau, nam de dolk uit de lade en wierp die met een achteloos gebaar op het bureau van De Cock.

‘Een replica.’

‘Een wat?’

‘Een replica… namaak.’

Загрузка...