9

De Cock nam de dolk in zijn hand en bekeek hem aandachtig. ‘Als moordwapen fungeerde hij uitstekend.’

Het klonk wat cynisch.

Vledder knikte.

‘Maar hij stamt niet uit het bronstijdperk.’

De Cock legde de dolk weer neer.

‘Hoe kom je aan die wetenschap… wie zei je, dat het een replica was?’

‘Ik heb het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden gebeld en via dat museum kreeg ik de naam en het adres van een deskundige in Amsterdam… ene heer Van Velzen aan de Weteringschans.’‘En bij die heer ben je geweest?’

Vledder knikte.

‘Een aardige oude baas. Hij leek zelf wel een relikwie uit de oudheid. Hij nam een loep, bekeek de dolk en zei al na een korte inspectie dat het een replica was.’

‘Waar zag hij dat aan?’

Vledder wees naar de dolk.

‘Het schijnt iets te maken te hebben met de metaallegering. Het huidige brons is veelal een legering van koper en tin, terwijl de oude volken in plaats van tin vaak lood gebruikten. Dit was slechts een voorlopige conclusie van de heer Van Velzen. Wilde je absolute zekerheid, dan was een spectraalonderzoek nodig. Er waren volgens hem ook tal van andere aanwijzingen… zoals de gietwijze van het brons… die erop duidt dat dit exemplaar van recente makelij is.’

‘En het origineel?’

‘De heer Van Velzen kende het model. Volgens hem was de dolk van het type, zoals die in de midden-bronstijd… dat is zo rond het jaar vijftienhonderd voor Christus… vooral in NoordWales werd gemaakt.’

De Cock nam de dolk weer ter hand.

‘Dus dit ding,’ beklemtoonde hij, ‘is niet afkomstig van een of andere opgraving. Noch in het Drentse Uffelte, noch waar ook?’

Vledder knikte.

‘Daar kunnen we van uitgaan.’

De Cock staarde naar de dolk.

‘Toch werd in de boezem van het oudheidkundig genootschap,’ memoreerde hij, ‘Siegfried van Xanten ervan beschuldigd deze dolk tijdens opgravingen te hebben ontvreemd. Siegfried werd zelfs voor die diefstal door de sapientes gevonnist.’ De grijze speurder zweeg even en schudde zijn hoofd. ‘Volgens mij klopt er iets niet… als dit niet de echte bronzen dolk uit Uffelte is, maar een replica… dan was de beschuldiging vals.’

Vledder keek hem verward aan.

‘Hoe bedoel je?’

De Cock stak zijn wijsvinger omhoog.

‘Als Siegfried van Xanten tijdens de opgravingen in Uffelte een dolk uit de bronstijd heeft gevonden en voor zichzelf heeft gehouden, dan is dat niet dit exemplaar. De vraag, die opdoemt is natuurlijk: Waar is het origineel? Als Siegfried werd beschuldigd alleen op basis van het in zijn bezit hebben van deze replica… dan was de beschuldiging vals. We mogen toch aannemen dat in de boezem van het eerbiedwaardige oudheidkundig genootschap lieden zijn, zoals de heer Van Velzen, die een replica van een origineel kunnen onderscheiden.’

Vledder fronste zijn wenkbrauwen.

‘Maar als de beschuldiging vals was… waarom reageerde Siegfried dan niet… waarom kwam hij niet in verweer?’ De Cock trok zijn schouders op.

‘Misschien meende Siegfried dat hij werkelijk een originele dolk uit de bronstijd had gevonden?’

Vledder grinnikte vreugdeloos.

‘Dan is er tijdens de opgravingen geknoeid.’

De Cock legde de dolk weer voor zich neer. ‘Het is me wel een wespennest waarin we terecht zijn gekomen.’

Vledder strekte zijn arm naar hem uit.

‘Ik heb nog een verrassing voor je.’

De oude rechercheur keek argwanend naar hem op. ‘Een verrassing?’

Vledder knikte.

‘Ben Kreuger belde op. Hij heeft de vingerafdrukken in onze collectie gevonden.’

De Cock kneep zijn ogen half dicht.

‘De vingerafdrukken van Siegfried van Xanten?’

‘Inderdaad.’

De oude rechercheur plukte aan zijn onderlip.

‘Hij is dus in het verleden wel eens met de politie in aanraking geweest?’

‘Zo is het. Siegfried werd op zijn vijftiende jaar door rechercheurs van de kinderpolitie gearresteerd voor diefstal uit musea en kerken. De zaak is destijds, gezien zijn jeugdige leeftijd, door de officier geseponeerd.’

‘Wat roofde hij?’

‘Kunstschatten.’


Ze reden in hun oude gammele politiewagen over de Gooiseweg tussen de betonkolossen van de Bijlmermeer. Groenvoorzieningen langs de weg en nevelen van een traag vallende regen camoufleerden de troosteloze eentonigheid van het omstreden woongebied.

De Cock staarde voor zich uit. De zwiepende ruitenwisser trok zijn aandacht. Plotseling voelde hij een sterke neiging in zich opkomen om zijn hoofd in de cadans van de wisser te laten meedeinen. Om aan die hypnose te ontkomen schoof hij zijn oude hoedje tot over zijn ogen en zakte wat onderuit. Vledder blikte opzij.

‘Weet je waar we moeten zijn in Baarn?’

De Cock knikte.

‘Het is dicht bij het station. Ik heb even de plaatselijke politie gebeld. Die hebben mij haarfijn uitgelegd waar we moeten zijn.’

‘En als Hilde Brunet niet alleen is? Ik bedoel, als ook haar man, Gunther Worms, thuis is… wat dan?’

‘Die is niet thuis.’

Vledder reageerde verrast.

‘Hoe weet je dat?’

‘Ik heb hem door Fred Prins laten ontbieden.’ Hij schoof de rand van zijn hoed tot boven zijn ogen en keek op zijn horloge. ‘Als alles klopt, dan is Gunther Worms nu op weg naar Amsterdam, naar de Warmoesstraat voor een onderhoud met rechercheur Prins.’

Vledder snoof.

‘Wat moet Prins tegen die Worms zeggen? Fred weet niets van deze zaak.’

De Cock plooide zijn lippen in een tuitje.

‘Ik heb hem zoveel mogelijk ingelicht. Fred Prins zal een dringend beroep doen op Gunther Worms. De Koning van de Klokbekers zal ervoor moeten zorgen dat alle leden van het oudheidkundig genootschap naar de aula van de Oosterbegraafplaats in Amsterdam komen om afscheid te nemen van hun voormalige medelid, de op een zo gewelddadige wijze om het leven gebrachte Siegfried van Xanten.’

Vledder liet het stuur van de Volkswagen bijna uit zijn handen glippen. ‘Je… eh, je wilt… je gaat…’ Hij stotterde. ‘Je gaat het toch doen? Je laat alle leden langs het lijk van Siegfried trekken?’‘Zeker.’

‘En de consequenties?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Die zijn er niet,’ sprak hij nonchalant. ‘Wat voor consequenties?’ Hij trok gelaten zijn schouders op. ‘Ik zie alleen maar voordelen. Het geeft ons de kostelijke gelegenheid om al die luitjes van het genootschap eens van heel dichtbij te bekijken. We kunnen hun reacties peilen. Een confrontatie met de gevolgen van een gewelddadige dood is toch altijd wat gruwelijk.’‘Verwacht je dat Gunther Worms zijn medewerking zal verlenen?’

De Cock knikte.

‘Hij en Hagen de Bourgondiër hebben bij het oudheidkundig genootschap allerlei Oudgermaanse gebruiken ingevoerd. Zo’n ordale… zo’n oud baargericht zal hem aanspreken.’ Hij zweeg even. Nadenkend. ‘Tenzij…’ Hij maakte zijn zin niet af. Vledder keek hem van terzijde aan.

‘Tenzij… wat?’

Om de mond van De Cock dartelde een grijns. ‘Tenzij hij zelf de moordenaar is.’


Bij de afslag Baarn-Eembrugge reden ze van de snelweg het statige forensendorp binnen. Baarn was nog steeds een voorname en deftige gemeente.

Onmiddellijk na de spoorwegovergang reed Vledder op aanwijzing van De Cock rechts een laan in. De jonge rechercheur keek om zich heen.

‘Is het hier?’

De grijze speurder schudde zijn hoofd.

‘Dit is de Prinses Marielaan. Hier ergens op nummer acht woont een uitgever, met wie ik wel eens wat van doen heb gehad. Wij moeten naar de Prinses Carolinalaan. Dat is een honderd meter verder… links.’

‘Hoor je nog wel eens wat van die uitgever?’

De Cock knikte heftig.

‘Eenmaal in het jaar, meestal in april, stuurt hij mij een aardig presentje.’ Hij grinnikte ondeugend. ‘Voor bewezen diensten.’‘Wat voor diensten?’

De Cock gebaarde achteloos.

‘Ach, ik heb wel eens een paar vreemde misdrijven voor hem opgelost.’

De Prinses Carolinalaan bleek een lieflijke, wat verstilde laan met fraaie oude beuken, waarvan de kruinen tot aan de wolken reikten. Even voorbij een imponerende oprijlaan met grind stopten ze aan de kant van de weg en de beide rechercheurs stapten uit. Half verscholen tussen hoogoprijzende paarse rododendrons lag een kapitale villa met een overhangend dak, waaronder stapels hout voor het haardvuur. Het grove grind knarste onder de voeten van de beide rechercheurs toen ze wat behoedzaam de voordeur naderden.

Vledder wuifde voor zich uit.

‘De Koning van de Klokbekers,’ sprak hij onnodig fluisterend, ‘heeft een koninklijk onderkomen.’

De Cock blikte opzij.

‘Weet je wat Gunther Worms doet? Ik bedoel… buiten dat koningschap?’

‘Nee.’

‘Volgens de Baarnse politieman die ik sprak, is hij antiquair. Gunther Worms handelt in oude kunst en siervoorwerpen.’‘Is daar veel mee te verdienen?’

De Cock wenkte grinnikend naar de kapitale villa.

‘Blijkbaar.’

Voor de zware, bruingelakte toegangsdeur bleven ze staan. Links van de deur, aan de stijl, was een fraai bewerkte koperen knop. De Cock trok er aan, krachtig en met kinderlijk plezier. Het herinnerde hem aan zijn jeugd toen belletje-trekken tot zijn favoriete baldadige activiteiten behoorde. In het inwendige van de villa trilden de ijle klanken van een bel na.

Het duurde enkele minuten, toen werd de zware deur geopend door een jonge vrouw. De Cock schatte haar op voor in de dertig. Ze was van een atletische lichaamsbouw, groot en slank. Wat onmiddellijk opviel waren haar donkerbruine, bijna zwarte ogen in een ovaal gezicht met een matte, olijfkleurige huid. Haar lange haren, in een wrong gevat, glansden kastanjebruin. Ze was van een koele, ingetogen schoonheid, die imponeerde. De Cock nam zijn hoedje af en maakte een lichte buiging. ‘Hilde Brunet?’

In haar donkere ogen vonkte achterdocht.

‘Mevrouw Worms.’

Het klonk hooghartig.

De grijze speurder glimlachte beminnelijk.

‘Mijn naam is De Cock. De Cock met ceeooceekaa.’ Hij duimde opzij. ‘En dit is mijn collega Vledder. Wij zijn rechercheurs van politie en doen dienst aan het Amsterdamse politiebureau aan de Warmoesstraat.’

Hilde Brunet trok haar linkerwenkbrauw iets op.

‘Rechercheurs?’

In haar stem trilde verbazing.

De grijze speurder boog opnieuw, hoofs, bijna onderdanig. ‘Wij… eh, wij zijn speciaal uit Amsterdam naar Baarn gekomen omdat wij even met u wilden praten… over de dood van Siegfried van Xanten.’

‘Siegfried?’

De Cock knikte.

‘U hebt van zijn dood vernomen?’

Hilde Brunet ademde diep.

‘Mijn man… mijn man heeft ervan verteld.’ Ze deed de deur verder open. ‘Komt u binnen.’

De beide rechercheurs bleven naast elkaar in de hal staan wachten tot de vrouw de deur had gesloten en volgden haar toen door een lange brede gang. Ongeveer in het midden van de gang gebaarde ze uitnodigend naar een ruim hoog vertrek met zware balken aan de zoldering en een breed uitgebouwde schouw van opeengemetselde granietblokken. Vier monumentale eiken, met bruin leer beklede zetels stonden gegroepeerd om een grote ronde ruwhouten tafel. Het geheel had de entourage, de sfeer van een hoofdverblijfplaats in een middeleeuws kasteel. ‘Gaat u zitten.’

De Cock nam wat onwennig plaats. De zetel was te hoog om zijn oude hoedje op de vloer te leggen. Hij hield het in zijn schoot en wachtte geduldig tot ook Hilde Brunet bezit van haar zetel had genomen.

‘U hebt Siegfried goed gekend?’ opende hij.

Ze antwoordde niet direct. Het was alsof ze de vraag ernstig overdacht. ‘Ik… eh, ik hield van Siegfried.’ Het klonk als een conclusie.

De Cock knikte begrijpend. ‘U had een verhouding met hem?’ Hilde Brunet schudde haar hoofd.

‘Ik wil niet dat u het woord verhouding gebruikt,’ sprak ze bestraffend. ‘Dat heeft naar mijn gevoel zo’n banale nagalm… een herinnering aan iets dat niet fris was… vulgair… onrein.’‘En dat was het niet?’

Hilde Brunet strekte haar rug. ‘Niet van mijn kant.’ Het klonk heftig en emotioneel.

‘Van de kant van Siegfried?’

‘Siegfried heeft mij bedrogen.’

De Cock liet zijn hoofd iets zakken.

‘Hij… eh, hij gaf de voorkeur aan Adelheid van Kleef.’ Hilde Brunet schudde haar hoofd.

‘Adelheid heeft daar niets mee te maken,’ reageerde ze fel. ‘Siegfrieds begeerte naar Adelheid was niet de reden van zijn bedrog.’ De Cock keek haar wat verward aan.

‘Niet?’ vroeg hij ongelovig.

‘Nee.’

‘Wat was dan de reden?’

‘Gunther… zijn belofte aan Gunther Worms.’

De Cock produceerde een nerveus lachje. Hij boog zich ver naar haar toe. De zoete geur van haar parfum prikkelde zijn reukorgaan.

‘Mag ik zeggen,’ vroeg hij voorzichtig, ‘dat ik het niet begrijp?’ Hilde Brunet knikte.

‘Dat mag u,’ sprak ze heftig. ‘En u bent niet de enige die mijn haat jegens Siegfried niet begrijpt. Gelooft u mij, mijn hart treurt omdat iemand mij is voorgeweest.’ Ze kneep haar lippen op elkaar. Haar donkere ogen vonkten. ‘Als Siegfried niet door een ander was gedood… dan had ik het gedaan.’

‘Waarom?’

‘Siegfried… Siegfried van Xanten heeft mij afhankelijk gemaakt van Gunther Worms… de man die ik niet wilde.’

Загрузка...