5

Na een paar sombere regendagen scheen er een vriendelijk koesterend zonnetje. Het grauw was uit de hemel verdwenen. De vlaggen op de steigers van de rondvaartboten wapperden vrolijk in een strakblauwe lucht. De schoongemaakte beurs van Berlage schitterde in al zijn pracht. Ook het markante gebouw van De Bijenkorf flirtte met het zonlicht.

Met zijn hoed nonchalant achter op zijn hoofd, de handen diep in de zakken van zijn regenjas gestoken, slenterde De Cock over het brede trottoir van het Damrak. Hij blikte geïnteresseerd om zich heen. Het aantal meisjes en vrouwen dat zijn ogen streelde, leek verdubbeld. Ze hadden hun verhullende regenkleding weer verruild voor modieuze toiletjes, waarin hun sierlijke rondingen niet langer aan het oog werden onttrokken. Het gaf aan het hart van de oude speurder een blijde tinteling.

Hij hield van de mensen, van het leven. En het was een trieste speling van het lot dat juist hij in een beroep was geduikeld, dat hem voortdurend met de negatieve zijde van het leven in aanraking bracht: hebzucht, haat, achterdocht, wraak… hartstochtelijke impulsen tot vernietiging… tot moord.

Het beeld van gisteravond, van het lijk in de oude Muiderpoort kwam terug in zijn gedachten, de donkergroene deur met tralies, het vage gele schijnsel van de met gaas beschermde lamp, de vreemde dolk tussen de schouderbladen. Wat was de drijfveer geweest? Wie had zo vurig de vroegtijdige dood van Siegfried van Xanten gewild dat hij zijn geweten met een moord belastte? Of bezat de dader geen belastbaar geweten? Hij liet zijn gedachtemolen even rusten. Aan de overkant werden ladingen toeristen bij de rondvaartboten gelost. Come and see Amsterdam. Waarom niet? Amsterdam was een mooie stad. En dat niet alleen als de zon scheen, maar zelfs als het regende. Een vrouw zo fraai gevormd, dat zij de oude Rubens verheugd naar het palet had doen grijpen, trok heupwiegend aan De Cock voorbij. De oude speurder keek haar na, secondenlang, toen stak hij het Damrak over en sjokte naar de Warmoesstraat. Het was kwart over negen.


Toen De Cock de grote recherchekamer binnenstapte, trof hij Vledder al achter zijn bureau. De rappe vingers van de jonge rechercheur dansten razendsnel over het toetsenbord van zijn elektronische schrijfmachine.

De Cock hing zijn regenjas en hoedje aan de kapstok en ging naast zijn jonge collega staan.

‘IJverig,’ stelde hij laconiek vast.

Vledder liet zijn vingers rusten, blikte op zijn horloge en keek op. ‘Je bent laat. Ik was hier vanmorgen al om acht uur.’‘Waarom?’

De jonge rechercheur zwaaide naar zijn schrijfmachine. ‘Van die moord van gisteravond staat nog geen letter op papier.’ De Cock trok wat nonchalant zijn schouders op.

‘Dat heeft toch geen haast. Wat weten we? Er is nog nauwelijks iets te verbaliseren.’

Vledder staarde voor zich uit.

‘De commissaris wil een rapport,’ sprak hij toonloos. ‘Met spoed.’

De Cock slikte van verbazing.

‘Een rapport?’

De jonge rechercheur knikte.

‘Ik was vanmorgen wat eerder naar de Warmoesstraat gegaan om dat telexbericht van Siegfried van Xanten te laten vervallen. Ik zat nog beneden achter het telexapparaat toen hij plotseling aan de balie opdook.’

‘Buitendam?’

Vledder knikte opnieuw.

‘Toen hij mij in het oog kreeg, beduidde hij mij dat ik hem moest volgen. Hij deed nogal geheimzinnig. Toen we buiten het gehoor van de wachtcommandant waren, zei hij dat hij onmiddellijk een uitgebreid rapport wilde hebben over de moord in de Muiderpoort.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Hoe weet hij van die moord? Er is alleen maar een mutatie van die jonge diender. En die kan hij onmogelijk al hebben gelezen.’

Vledder maakte een vaag gebaartje.

‘Zoals ik al zei, hij deed nogal geheimzinnig. Het schijnt dat iemand van het oudheidkundig genootschap hem gisteravond laat nog heeft gebeld.’

‘Heeft hij dat gezegd?’

Het gezicht van de jonge rechercheur kreeg een domme expressie. ‘Dat… eh, dat meende ik uit zijn woorden op te maken. Hij… eh, hij sprak over een oudheidkundig genootschap.’ De Cock schudde zijn hoofd.

‘Dat kan niet,’ riep hij bijna opgewonden. ‘Toen die Gunther Worms bij ons wegging, was het lijk nog niet gevonden… was er over de moord nog niets bekend.’

‘Officieel.’

De Cock blikte op zijn jonge collega neer.

‘Je bedoelt dat… onofficieel… anderen al van de moord op de hoogte waren?’

‘Precies… de moordenaar… bijvoorbeeld.’

De Cock grijnsde.

‘En die belt een commissaris van politie?’

In zijn stem trilde ongeloof.

Vledder zuchtte diep.

‘Ik weet het niet,’ sprak hij berustend. Hij richtte zijn aandacht weer op zijn rapport. ‘Als je het per se wilt weten… vraag het hem zelf.’

‘Buitendam?’

‘Ja.’

De Cock knikte. Zijn gezicht stond strak.

‘Dat,’ sprak hij bitter, ‘is het eerste verstandige woord dat ik vandaag van je hoor.’ Hij draaide zich om en dreunde de recherchekamer uit. Vledder keek hem met gemengde gevoelens na.


Commissaris Buitendam, de lange statige chef van het politiebureau aan de Amsterdamse Warmoesstraat, wenkte met een slanke hand naar de stoel voor zijn bureau.

‘Ga zitten, De Cock,’ sprak hij geaffecteerd. ‘Je komt werkelijk als geroepen. Ik was net van plan om jou te vragen bij me te komen.’

‘Dan wordt u op uw wenken bediend.’

Buitendam glimlachte.

‘Ga zitten,’ herhaalde hij.

Rechercheur De Cock nam wat onwillig plaats. Het liefst bleef hij tijdens een onderhoud met Buitendam staan. Dan voelde hij zich sterker. Hij had geen hekel aan zijn commissaris, dat niet, maar hij bezag hem toch altijd met enige argwaan.

Zolang de politiechef de zaken ongemoeid liet, waren er geen spanningen. De botsingen ontstonden wanneer de commissaris meende dat het gedrag van De Cock enige correctie behoefde. Pas dan werd de oude rechercheur opstandig en onhandelbaar en soms zelfs onredelijk. De volle vrijheid om bij het rechercheren naar eigen inzicht te handelen, was hem dierbaar. Elke beknotting van die vrijheid beschouwde hij als een aantasting van zijn persoon, een smet op zijn kundigheid als speurder. De Cock keek naar hem op.

‘U wilde mij spreken?’

‘Juist.’

‘Waarover?’

Commissaris Buitendam glimlachte beminnelijk.

‘Over een oudheidkundig genootschap.’

De grijze speurder veinsde verbazing.

‘Welk oudheidkundig genootschap?’ vroeg hij overbodig. ‘De Klokbekers.’

De Cock kneep zijn ogen half dicht.

‘Wat is daarmee?’

Commissaris Buitendam verschoof iets in zijn zetel. ‘Ik wil je duidelijk maken,’ sprak hij plechtig, ‘dat de leden van de Klokbekers een oudheidkundig genootschap vormen, dat veel heeft bijgedragen tot het verwerven van inzicht en kennis omtrent de oudste bewoners van deze lage landen en dat zij zich beijveren om de nobele waarden, die destijds opgeld deden in onze huidige maatschappij terug te voeren.’ Hij schraapte een paar maal zijn keel. ‘En dat het genootschap zeker niets van doen heeft met zaken, die ons… politiemensen… doorgaans belangrijk voorkomen.’

De Cock keek hem wat schuins aan.

‘Zoals?’

Buitendam trok zijn gezicht strak.

‘Moord.’

De Cock grinnikte.

‘U wilt mij doen geloven,’ vroeg hij met hoorbare verbazing in zijn stem, ‘dat geen enkel lid van dat genootschap tot een moord in staat is?’

Commissaris Buitendam zwaaide wild met beide armen. ‘In staat… in staat,’ riep hij geagiteerd. ‘Het zijn gewoon mensen die zoiets niet doen. Respectabele lieden… trouw aan het gezag… aan de wetten van onze samenleving. Een moord, zoals op die Siegfried van Xanten, is in hun kringen eenvoudig ondenkbaar.’ De Cock snoof.

‘Naïef.’

Op de wangen van de commissaris verschenen roze blosjes. Hij acteerde alsof het woord ‘naïef’ niet tot hem was doorgedrongen. ‘Ik wil,’ sprak hij nadrukkelijk, ‘dat je eerst met mij overlegt voordat je een lid van het genootschap inzake die moord benadert.’ De Cock negeerde de opmerking.

‘Hoe wist u van die moord?’ vroeg hij streng.

‘Iemand belde mij op.’

‘Wanneer?’

‘Gisteravond.’

‘Hoe laat?’

‘Tegen elf uur.’

‘Wie… wie belde u?’

Buitendam kwam met een ruk uit zijn zetel overeind. ‘De Cock,’ riep hij bestraffend, ‘je kunt mij geen verhoor afnemen.’

De grijze speurder keek hem onbewogen aan.

‘Wie belde u?’ herhaalde hij strak.

Commissaris Buitendam trok zijn kin omhoog.

‘De Cock, ik vind je gedrag onbehoorlijk. Ik weiger op die vraag antwoord te geven.’

De grijze speurder stond op. Stram, wat wijdbeens, bleef hij voor zijn chef staan. Zijn gezicht had een milde uitstraling. ‘Tegen elf uur… toen u werd gebeld… stonden Vledder en ik nog bij het lijk van Siegfried van Xanten in de Muiderpoort. Er was toen nog niets gerapporteerd, nog niets gemuteerd. Voor nietingewijden was de heer Van Xanten nog in leven. De man of de vrouw die u inlichtte, had dus al voorkennis. Van die voorkennis kende ik, als opsporingsambtenaar, graag de redenen van wetenschap.’ Hij zweeg even voor het effect. ‘En redenen van wetenschap… zo dient ook een commissaris van politie te weten… vormen nog steeds de basis van een bewijsvoering.’ Het klonk vriendelijk, nadrukkelijk en een tikkeltje spottend. Het bleke gezicht van Buitendam kleurde dieprood. Een zenuwtrek zwiepte langs zijn scherpe kaken. Zijn lippen trilden. Met gestrekte arm wees hij naar de deur.

‘Eruit!’

De Cock ging.


Vledder keek de grijze speurder onderzoekend aan. ‘Was het weer zover?’

De Cock knikte met een droevig gezicht.

‘Hij joeg mij weer zijn kamer af.’

Vledder grinnikte.

‘Dat verbaast me niets. Ik verwachtte het. Ik zag het al aan de manier waarop je naar hem toestapte. Je dreunde rechtstreeks op een confrontatie af.’

De Cock trok zijn schouders op.

‘Ik was mij dat echt niet bewust. Ik kreeg de pest in toen hij pertinent weigerde mij de naam te noemen van de man of vrouw die hem gisteravond had gebeld.’

‘Heb je hem dat netjes gevraagd?’

‘Wat heet netjes? Hij ging dwarsliggen toen ik hem een soort verhoor afnam.’

Vledder lachte vrijuit.

‘Dat kun je toch niet maken? Buitendam is commissaris… hoofd van dit bureau… jouw chef.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Die mij geen redenen van wetenschap mag onthouden. Zeker niet in geval van moord.’ Hij zweeg even. ‘En hij moet ook niet denken dat hij mij kan programmeren.’

‘Programmeren?’

De Cock knikte.

‘Hij wilde dat ik bij voorbaat alle leden van het genootschap als mogelijke dader van de moord op Siegfried van Xanten uitsluit.’

Vledder reageerde verrast.

‘Dat kan toch niet?’

Het gezicht van De Cock verstarde.

‘Precies. Dat kan niet.’ Hij trok een denkrimpel in zijn voorhoofd en veranderde van onderwerp. ‘Hoe laat is er sectie?’ Vledder keek op zijn horloge.

‘Straks om elf uur. Ik heb dan nog even tijd om dit rapport af te maken.’

‘Heb je een afspraak met Ben Kreuger?’

‘Ik rijd voor ik naar Westgaarde ga eerst langs het hoofdbureau en pik hem op bij de tohd.[3]

De Cock knikte begrijpend.

‘En denk je aan de dolk?’

Vledder glimlachte.

‘Maak je geen zorgen,’ sprak hij geruststellend. ‘Ik denk aan alles.’

De Cock slenterde naar de kapstok en wurmde zich in zijn regenjas. Vledder kwam achter zijn bureau vandaan en liep hem na. Nieuwsgierig.

‘Wat ga jij doen?’

De grijze speurder zette nadenkend zijn oude hoedje op. ‘Een vrouw… een vrouw condoleren met de gewelddadige dood van de man… over wie zij haar zorgen uitstrekte.’

Загрузка...