4

Met grote behendigheid manoeuvreerde Vledder de oude politie-Volkswagen vanaf het Damrak naar de Prins Hendrikkade. Het was bijzonder druk in de binnenstad en zoals in Amsterdam gebruikelijk bekommerde niemand zich om de regels, waaraan men zich in het verkeer dient te houden. Met volle overgave en grote blijmoedigheid negeerde men borden, aanwijzingen en lichten.

Vloekend om al die zotte weggebruikers om zich heen bereikte de jonge rechercheur via de Valkenierstraat het Mr. Visserplein en reed vandaar over de Muiderstraat naar de Plantage Middenlaan. Met een rood hoofd en een sterk gestegen bloeddruk vond hij uiteindelijk op het Alexanderplein voor café’t Duveltje nog een plaatsje om te parkeren.

Wat verkreukeld stapten De Cock en Vledder uit de gammele Volkswagen en liepen naar de Muiderpoort. Voor de ingang stond een jonge diender met zijn uniformpet iets scheef op zijn hoofd. Toen de beide rechercheurs hem hadden bereikt, wuifde hij verveeld achter zich.

‘Daar. Hartstikke dood.’

De Cock keek naar hem op.

‘Gewoon dood is al voldoende,’ sprak hij effen.

Op het gezicht van de jonge diender kwam een grijns. ‘Ik bedoel dat er niets meer aan te doen is. Ik heb even aan hem gevoeld. Je weet het nooit. Soms zit er nog wat leven in. Maar hij is al steenkoud.’

‘Wie heeft hem ontdekt?’

‘Een oude baas… een oude baas met zijn hond. Er stappen bijna nooit mensen door de poort. Hij is in de loop der tijd een beetje buiten de route komen te liggen. Maar die oude baas kuiert er elke avond met zijn hond even door. Dat is een vaste gewoonte. Toen hij dat lijk had ontdekt, is hij naar ’t Duveltje gestapt en vandaar hebben ze gebeld.’ Hij wuifde opnieuw achter zich. ‘Ik zag het direct. Ik had net jullie telexbericht gelezen. Het signalement klopt exact.’

De Cock knikte begrijpend. ‘Heb je de meute[1] gewaarschuwd?’‘Ja, direct. Via de wachtcommandant. Maar ik heb nog niemand gezien. Jullie zijn de eersten.’

De oude rechercheur ging aan de diender voorbij. Vledder volgde in zijn kielzog.

Midden in de poort, in het vage schijnsel van een met gaas beschermde lamp, lag de dode op zijn buik. Zijn gezicht was gedraaid naar een donkergroene deur, waarin een luik met zware tralies. Tussen de schouderbladen van de man stak een dolk van een vreemd model, die tot aan het heft in het lichaam was geduwd. Een onregelmatige kring donkerrood bloed markeerde de plek. De Cock knielde bij het hoofd van de dode neer. Slierten lang, blond, golvend haar hingen over de lichtblauwe ogen, die wijd waren opengesperd. De grijze speurder schoof het haar iets opzij. Het gezicht, vond hij, had markante trekken. Vooral de brede, wilskrachtige kin domineerde. Hij drukte de rug van zijn hand tegen de wang van de dode. De jonge diender had gelijk. Het lichaam was al sterk afgekoeld. De Cock vroeg zich af hoe lang het lijk daar al lag. Het proces van afkoeling, zo wist hij, vergde geruime tijd.

Hij boog zich iets voorover en richtte zijn aandacht op de dolk. In zijn lange loopbaan als rechercheur was De Cock zo’n vreemd model dolk nog nooit tegengekomen. En hij kende toch vele varianten. Vledder knielde bij hem neer.

‘Een raar ding.’

De grijze speurder knikte. ‘Als dokter Rusteloos dat wapen morgen bij de sectie uit het lichaam verwijdert, vraag hem dan of hij er voorzichtig mee wil omgaan. Het is een exclusief model.’‘Zouden er nog vingerafdrukken op zitten?’

De Cock trok een bedenkelijk gezicht. ‘Ik verwacht het niet.’ Hij kwam overeind. ‘Ik heb het idee dat deze moord goed is voorbereid… en niet hier in de poort is gepleegd.’

Ook Vledder kwam omhoog.

‘Niet hier gepleegd?’ herhaalde hij. De Cock schudde zijn hoofd.

‘Er mogen ’s avonds vrijwel geen mensen door de Muiderpoort lopen, maar op de dag is dat anders.’ Hij wees omhoog naar een grote koperen plaat boven de donkergroene deur.

‘Internationaal Belastingdocumentatie Bureau,’ las Vledder hardop. ‘Bureau International de Documentation Fiscale. International Bureau of Fiscal Documentation. Internationales Steuerdocumentationsbüro.’

De Cock glimlachte.

‘Je talenkennis is nog perfect.’

Vledder wees naar de deur.

‘Hier werken mensen?’

De Cock knikte.

‘Ambtenaren van de belastingdienst. Tientallen.’ Hij schoof de mouw van zijn colbert iets terug en keek op zijn horloge. ‘Het is nu bijna halfelf. Als het lijk hier al lag toen…’ Hij maakte zijn zin niet af. Bij de ingang van de Muiderpoort verscheen dokter Den Koninghe. Achter hem de broeders van de Geneeskundige Dienst met hun brancard. Ze torenden hoog boven de kleine lijkschouwer uit, onaandoenlijk, als paladijnen van de dood.

De Cock liep op Den Koninghe toe en schudde hem hartelijk de hand. Hij had een zwak voor de excentrieke dokter met zijn ouderwetse grijze slobkousen onder een deftige streepjesbroek, zijn stemmig jacquet en zijn verfomfaaide groen uitgeslagen garibaldihoed.

‘Hoe maakt u het?’ vroeg hij belangstellend.

Dokter Den Koninghe keek hem door zijn brillenglazen even aan. ‘Met mij… met mij gaat het goed.’ Hij wees naar de dode bij de donkergroene deur. ‘Met hem… met hem niet zo best meer.’ Het klonk bijna spottend. Met krakende knieën hurkte hij bij het lijk neer. Even blikte hij in het gezicht van de dode en bekeek de pupillen. Daarna drukte hij voorzichtig met duim en wijsvinger de beide oogleden toe. Het was een teder, bijna devoot gebaar.

Het onderzoek van dokter Den Koninghe duurde langer dan De Cock van hem gewend was. Hij bekeek de dolk en voelde aan de kaak en aan de benen. Pas na een tijdje kwam de oude lijkschouwer overeind, nam zijn bril af, pakte zijn witte pochet uit het borstzakje van zijn jacquet en poetste zijn glazen schoon. ‘Hij is dood,’ sprak hij laconiek.

De Cock knikte met een ernstig gezicht.

‘Dat begreep ik,’ reageerde hij simpel.

De dokter wees in de richting van de dode.

‘Zes uur. Zeker. Misschien nog wel langer. De lijkstijfheid is algemeen.’

Hij zette met precieze bewegingen zijn bril weer op en plooide zijn pochet terug in de borstzak van zijn jacquet. Voor hij wegliep, strekte hij zijn wijsvinger naar de dolk in de rug van de man.

‘Ik heb zo’n dolk wel eens meer gezien.’

De Cock keek hem hoopvol aan.

‘Waar?’

De lijkschouwer zwaaide tot afscheid. ‘In een museum.’ De Cock liep hem na, maar werd in zijn gang gestuit door de dactyloscoop Ben Kreuger en de fotograaf Bram van Wielingen, die elk met een aluminium koffertje in de hand de Muiderpoort binnen stoven. Bram van Wielingen pakte de oude rechercheur bij zijn arm.

‘Zeg gauw wat voor plaatjes je hebben wilt,’ riep hij gehaast. ‘Ik heb weinig tijd.’

De Cock keek hem spottend aan.

‘Je moet zeker naar een feestje?’

Bram van Wielingen grijnsde.

‘Hoe raad je het? Zwiep ze d’r uit… onze visclub, bestaat vijfentwintig jaar.’ Hij zette zijn aluminium koffertje op de straat, opende het deksel en begon een flitslicht op zijn Hasselblad te monteren. Even keek hij steels omhoog. ‘Voor een totaalbeeld van de Muiderpoort kun je wel een ansichtkaart kopen.’ De Cock schudde zijn hoofd.

‘Niks. Dat totaalbeeld maak jij. Desnoods morgen bij daglicht.’ Hij wendde zich tot Ben Kreuger. ‘Ik heb jou hier feitelijk niet nodig. Er is hier in de poort niets te kwasten.’ Hij zweeg even. ‘Ik had wel graag dat je morgen met Vledder meeging naar het mortuarium.’ Hij wees naar de rug van de dode. ‘Misschien zit er iets op die dolk. Verder wil ik ook zijn vingertjes.’‘Weet je nog niet wie hij is?’

De Cock knikte traag. ‘Ene Siegfried van Xanten. Een vrouw heeft vanavond bij mij aan de Warmoesstraat zijn vermissing gemeld. Ik heb ook genoeg mogelijkheden voor een herkenning. Maar sinds kort ben ik erg voorzichtig geworden met de identificatie van vermoorde lieden.’[2]

Ben Kreuger gebaarde naar Van Wielingen. ‘Ik wacht tot Bram klaar is, dan rijd ik hem even naar zijn vrienden van de visclub.’ De jonge diender liep op De Cock toe. Zijn uniformpet stond weer recht op zijn hoofd.

‘Hebt u mij nog nodig?’ vroeg hij beleefd.

De oude rechercheur schudde glimlachend zijn hoofd. ‘Bedankt voor je hulp. En rapporteer dit geval wel even bij je wachtcommandant… compleet met de naam en het adres van die oude baas met zijn hond. Misschien dat het nodig is dat ik nog eens een praatje met hem maak.’

‘Het komt in orde.’ De jonge diender tikte joviaal tegen de klep van zijn pet, maakte rechtsomkeer en verdween.

Zoals te verwachten was Bram van Wielingen snel klaar. Hij flitste een paar maal in het dode gezicht en maakte detailopnamen van de dolk. Daarna demonteerde hij het flitslicht en borg de toestellen in zijn aluminium koffertje. Hij klapte het dicht en zwaaide naar De Cock. ‘Morgenmiddag… vroeg genoeg?’ De oude rechercheur tuitte zijn lippen en knikte. ‘Maar dan wel met een fraaie totaalopname. Ansichtkaarten koop ik niet.’ Zoet grijnzend stapte de fotograaf met Ben Kreuger weg. De Cock wenkte de broeders van de Geneeskundige Dienst naderbij. Ze legden de dode op zijn buik op de brancard. Alleen de canvasklap bij de benen sjorden ze met riemen vast. Met de brancard zachtjes wiegend in hun handen droegen ze het lijk naar de ambulancewagen. De grijze speurder keek hen na. Een vreemd gevoel maakte zich van hem meester. Het gehele beeld deed wat macaber aan. Met de dolk als stok vormde het laken een minuscuul tentje op de rug van de dode.

Pas toen de broeders de deuren van de ambulancewagen hadden dichtgeklapt, wegreden en de rode achterlichten langzaam in de avondnevel oplosten, draaide hij zich om en liep met kwieke pas naar Vledder.

‘Ons telexbericht was maar een kort bestaan beschoren. Je kunt het alweer intrekken.’

‘Vanavond nog?’

‘Morgen kan ook.’ De jonge rechercheur stootte hem aan. ‘Toen de meute kwam was je net bezig mij uit te leggen waarom naar jouw mening Siegfried van Xanten niet in de Muiderpoort werd vermoord.’

De Cock knikte nadenkend.

‘Ik wist op dat moment nog niet dat dokter Den Koninghe kort daarna zou zeggen dat het slachtoffer al zeker zes uur dood was. Ik constateerde alleen dat het lichaam al sterk was afgekoeld. Zelfs bij extreem lage temperaturen vergt dat proces vele uren. Plaats je het moment van overlijden enkele uren terug, dan nader je al dicht de tijd dat de nijvere ambtenaren van de belastingdienst na beëindiging van hun dagtaak de Muiderpoort verlaten. Als die een dode of stervende Siegfried van Xanten hadden aangetroffen, dan hadden zij zeker alarm geslagen.’ Vledder staarde peinzend voor zich uit.

‘Waarom de Muiderpoort? Ik bedoel, als iemand zich van het lijk wilde ontdoen, dan zijn er toch tal van andere plaatsen te bedenken.’

De Cock trok zijn schouders op.

‘Ik weet niet waarom die plek is gekozen.’ Hij maakte een wrevelig gebaartje. ‘Ik vind de hele zaak erg raadselachtig. Er kleven zulke vreemde kanten aan… een beeldschone vrouw, die dreigt een eerbiedwaardig oudheidkundig genootschap verantwoordelijk te stellen voor het verdwijnen van een man met wie zij zegt geen enkele emotionele binding te hebben…. een op die dreiging ijlings toesnellende directeur van dat genootschap, die zich Koning der Klokbekers noemt, en een dode Siegfried van Xanten met een raar model dolk tussen zijn schouderbladen.’ Hij grinnikte vreugdeloos. ‘Met zulke zaken worden wij opgezadeld.’

Vledder zuchtte. ‘Laten we naar huis gaan,’ sprak hij loom. ‘Morgen zien we wel verder.’

De Cock knikte.

‘We zullen er toch achter moeten komen waar Siegfried van Xanten werkelijk werd vermoord.’

Vledder grijnsde. ‘En door wie.’

De beide rechercheurs slenterden van de Muiderpoort terug naar hun oude Volkswagen. Voor hij instapte blikte De Cock omhoog naar het verlichte uithangbord van café’t Duveltje. De naam wekte plotseling associaties bij hem op. Hij keek naar zijn jonge collega.

‘Zou hij in de hemel zijn?’

Vledder reageerde verrast. ‘Die… eh, die Siegfried van Xanten?’ De Cock knikte.

‘Die vraag dringt zich ineens bij mij op.’

De jonge rechercheur schudde zijn hoofd.

‘In het Walhalla.’

‘In het Walhalla? Waarom het Walhalla?’

Vledder trok zijn schouders op. ‘Dat weet ik niet,’ sprak hij wat onwillig. ‘Onze hemel vind ik niet zo geschikt. Hij lijkt mij meer een man voor de eeuwige jachtvelden.’

De Cock lachte niet.

Загрузка...