De beide rechercheurs verlieten het etablissement van Smalle Lowietje en slenterden over de Achterburgwal. Het was er beduidend drukker dan een uur tevoren. De regen was opgehouden, druipte nog van de bomen aan de wallenkant, en de seksbusiness was weer in vol bedrijf. Hoertjes in velerlei fatsoenen lonkten in het barmhartige rode licht van hun etalages naar het leger van behoeftigen, dat sjokkend aan hen voorbijtrok. Het viel De Cock op dat de vrouwen steeds jonger werden. Meisjes nog. Ook was het verloop erg groot. Vroeger kende hij vrijwel elke hoer van de Wallen, met naam en toenaam, wist hoe ze in de prostitutie waren geduikeld. Nu zag hij steeds nieuwe gezichten.
Het stemde hem wat droevig. Vroeger omschreef men de prostitutie als ‘betaalde liefde’. Maar dat was lang geleden. Van enige liefde was nu geen sprake meer. De menselijke aspecten waren uit het hoerenbedrijf verdwenen. Het was ontzield tot een ‘betaald gebruik’. Vooral de drugs, de vele heroïnehoertjes hadden de prostitutie verhard.
Ook Vledder leek wat bedrukt. Op zijn jong gezicht lag een zorgelijke trek. Hij keek opzij naar De Cock, die met zijn oude hoedje ver naar achteren geschoven, filosoferend het wereldje om zich heen bezag.
‘Het zal toch niet waar zijn?’
De oude rechercheur leek in zijn overpeinzingen gestoord. ‘Wat zeg je?’ vroeg hij afwezig.
‘Het zal toch niet waar zijn?’
‘Wat?’
‘Van dat vonnis.’
De Cock trok zijn schouders iets op.
‘Wat Smalle Lowietje ons vertelde sluit wel aan bij het verhaal van de mooie Adelheid van Kleef.’ Hij grinnikte vrolijk. ‘En ik kan mij levendig voorstellen dat jij dat niet prettig vindt.’‘Omdat ik haar niet geloof?’
‘Precies. Het gaat om haar geloofwaardigheid. We zullen nu toch ernstig rekening moeten houden met de mogelijkheid dat haar wat vreemde verhaal toch op waarheid berust.’ Vledder zwaaide heftig met zijn beide armen.
‘Maar het is toch onbestaanbaar… een genootschap dat vonnissen uitspreekt.’
De Cock gebaarde nonchalant voor zich uit.
‘De maffia,’ sprak hij achteloos, ‘de maffia doet dat al jaar en dag.’ Vledder schudde zijn hoofd. De houding van de oude rechercheur prikkelde hem. ‘Dit is geen maffia,’ riep hij geërgerd, ‘geen criminele organisatie… maar een simpel genootschap, waarvan de leden om een of andere duistere reden jaarlijks naar Lunteren trekken.’‘En?’
‘Het is niet vergelijkbaar.’
De Cock stak afwerend zijn hand op.
‘Oké,’ sprak hij berustend, ‘geen maffia… maar een simpel genootschap.’ Hij zweeg even en ademde diep. ‘Het recht van V&V, van Vereniging en Vergadering is een grondrecht, vastgelegd in de Grondwet. Daar mogen wij niet aan tornen. Mensen mogen zich verenigen… bij elkaar komen. Er zijn in ons lieve landje zoveel clubjes, genootschappen en verenigingen met uiteenlopende doelstellingen, dat daar best een genootschap bij zal zijn dat een eigen arbitrage kent.’
Vledder bleef van verbijstering staan.
‘Hoe noem je dat?’ Zijn stem trilde van ongeloof. ‘Arbitrage?’ De Cock liep rustig knikkend verder.
‘Waar mensen bij elkaar komen ontstaan onenigheden, botsen de meningen, vormen zich twisten, kortom… zijn er geschillen. Dat is onvermijdelijk. Om die geschillen op te lossen, zal men in de boezem van de vereniging of het genootschap iets moeten doen. Wel, dan benoemt men een arbitragecommissie.’‘Maar die spreken toch geen vonnissen uit?’
De Cock zuchtte.
‘Vonnis is inderdaad een wat beladen woord. Maar als men de uitspraak van een arbitragecommissie zo wil noemen, dan heb ik daar vrede mee.’
Vledder bleef opnieuw staan.
‘Jij hebt vrede met een doodvonnis?’ reageerde hij onthutst. De Cock sloot even zijn ogen.
‘Zo’n vonnis mag,’ sprak hij traag. ‘Het brengt mij niet in verlegenheid.’ Zijn gezicht verstarde. ‘Tot het wordt uitgevoerd… zie je… dan is het pas moord.’
Toen de beide rechercheurs de hal van het politiebureau binnenkwamen, wenkte Jan Kusters hen vanachter de balie met een kromme vinger. De wachtcommandant deed geheimzinnig. Ze liepen op hem toe.
‘Wat is er?’ vroeg De Cock.
Jan Kusters wees omhoog.
‘Er zit boven een man op jullie te wachten.’
‘A l la ng?’
Jan Kusters knikte.
‘Jullie waren nog maar net de deur uit, toen hij voor de balie verscheen. Een keurige heer in een donkere, antracietkleurige jas, waaronder een witzijden sjaal. Hij sprak wat geaffecteerd en vroeg of bij ons de vermissing van ene Siegfried van Xanten was gemeld.’ Hij gebaarde achter zich naar het telexapparaat. ‘Ik had net het bericht gelezen dat Vledder had weggeslagen en ik zei: “Ja, er loopt inderdaad een verzoek tot opsporing.”’‘En toen?’
‘Toen werd hij kwaad, liep rood aan en zei dat hij onmiddellijk de recherche wilde spreken. Die zijn op onderzoek, zei ik.’ De Cock grijnsde.
‘Een diepgaand onderzoek naar de voortreffelijke cognac van Smalle Lowietje.’
De wachtcommandant lachte niet.
‘Je mag mij wel eens het telefoonnummer geven van dat cafeetje, waar jij altijd komt,’ sprak hij snauwerig. ‘Dan kan ik je tenminste bereiken.’
De Cock liep hoofdschuddend van hem weg.
‘Geen denken aan.’
Opmerkelijk kwiek wipte hij de trap op naar de tweede etage. Vledder volgde in een lager tempo.
Op de bank bij de toegangsdeur naar de recherchekamer zat een statige heer die aan de omschrijving van Jan Kusters voldeed. Toen hij de oude rechercheur in het oog kreeg, stond hij op. ‘Ik zit hier al bijna een uur.’
Het klonk als een beschuldiging.
De Cock veinsde verbazing.
‘Had ik met u een afspraak?’
‘Nee, nee, dat niet. Maar ik wil met u spreken.’
De Cock knikte bedaard.
‘Dat kan,’ sprak hij gedwee. Hij ging de statige heer voor naar de grote recherchekamer en wees uitnodigend naar de stoel naast zijn bureau. ‘Neemt u plaats.’ Daarna wierp hij zijn oude hoedje zwierig naar de kapstok en miste. Nog met zijn natte regenjas aan ging hij achter zijn bureau zitten. ‘Waarmee,’ opende hij vriendelijk, ‘kan ik u van dienst zijn?’
De heer boog zich met een ruk naar hem toe.
‘Wat heeft ze gezegd?’
De Cock trok zijn wenkbrauwen samen.
‘Wie?’
‘Die vrouw… die vrouw, die de vermissing van Siegfried van Xanten heeft gemeld.’
De Cock glimlachte beleefd.
‘Hoe… eh, hoe kan ik uw interesse verklaren?’
De heer wuifde de vraag wild weg.
‘Dat is totaal onbelangrijk. Ik wil alleen weten wat zij tegen u heeft gezegd… welke nonsens dat mens heeft uitgekraamd.’‘Daar gaat u van uit?’
‘Wat?’
‘Dat ze nonsens heeft uitgekraamd?’
De heer knikte heftig. ‘Absoluut.’
De Cock boog zich terug en leunde in zijn stoel achterover. Rustig liet hij zijn blik over de man dwalen. Hij schatte hem op achter in de vijftig. Met zijn van kwaadheid rood gezicht en zijn golvende zilvergrijze haren, toonde hij het beeld van een vertoornde patriarch. De oude rechercheur gebaarde kalm in zijn richting. ‘Als u nu eens begon,’ raadde hij beminnelijk aan, ‘met mij te vertellen wie u bent?’
De heer zuchtte diep en was zichtbaar doende om het inwendige vuur van zijn toorn te doven. Langzaam knikte hij voor zich uit.
‘Neemt u mij niet kwalijk.’ Zijn stem klonk ineens veel vriendelijker. ‘Het is niet mijn gewoonte om mij zo slecht te gedragen, maar sommige zaken brengen een mens uit zijn evenwicht.’‘Zoals?’
‘De melding aan u… de politie… van de vermissing van Siegfried van Xanten.’
‘U kent hem?’
De heer knikte. ‘Hij is… hij was lid van ons genootschap.’ Hij zweeg nadenkend. ‘Laat ik eerst een ernstig verzuim goedmaken. Ik heb mij inderdaad nog niet aan u voorgesteld. Mijn naam is Gunther… Gunther Worms. Ik ben Koning van de Klokbekers.’
De Cock trok zijn neus iets op.
‘Koning van de Klokbekers,’ herhaalde hij half lachend. Gunther Worms strekte zijn rug. ‘Koning van de Klokbekers… dat is de titel van de directeur of voorzitter van ons genootschap.’
‘Dat bent u?’
‘Precies.’
‘En de Klokbekers… dat is de naam van uw genootschap?’ Gunther Worms schudde zijn hoofd.
‘Onze leden noemen zich Klokbekers. Gezamenlijk vormen wij een oudheidkundig genootschap, dat zich ten doel stelt oude zeden en gebruiken, kortom, oude waarden in stand te houden of te doen herleven.’
De Cock hield zijn hoofd iets schuin. ‘Is dat zinvol?’ Gunther Worms knikte nadrukkelijk.
‘De kwaliteit van de mens… ik bedoel dat niet fysiek… maar als ethisch wezen… als deelgenoot aan de gemeenschap… is de laatste decennia schrikbarend verminderd. Wellevendheid, eer, plicht, fatsoen… het zijn begrippen die vrijwel uit onze samenleving zijn verdwenen. Wie toont er nog eerbied voor zijn naaste… voor diens leven, zijn bezit? Wie betuigt er nog eerbied aan de ouderdom? Wie neemt tegenwoordig de huwelijkstrouw nog ernstig?’ Hij grijnsde met een scheve mond. ‘En wie hanteert nog die trotse leus uit vroeger dagen: een man, een man… een woord, een woord?’
De Cock keek glimlachend naar hem op.
‘Is het de bedoeling,’ vroeg hij gemelijk, ‘dat ik deze vragen beantwoord?’
Gunther Worms gebaarde wat triest voor zich uit.
‘Ik neem aan,’ sprak hij droevig, ‘dat u de antwoorden kent… dat u… vooral in uw beroep… dagelijks dezelfde constateringen doet.’ De Cock negeerde de opmerking. Hij voelde weinig voor een oeverloze discussie over dit onderwerp. Hij boog zich weer iets naar voren. ‘Wist u dat Siegfried van Xanten werd vermist?’
‘Nee.’
De Cock toonde verbazing.
‘Waarom kwam u dan naar dit politiebureau om te vragen of zijn vermissing was gemeld?’
‘Ze had ermee gedreigd.’
De Cock trok denkrimpels in zijn voorhoofd.
‘Gedreigd?’ herhaalde hij verrast.
Gunther Worms knikte met een ernstig gezicht.
‘Die vrouw… ik meende dat ze zei dat ze Adelheid heette… Adelheid van Kleef… zij belde mij vanavond op en vertelde mij dat Siegfried van Xanten gisteravond bij haar was weggelopen en sindsdien was verdwenen… onvindbaar. Ze zei dat ze ervan overtuigd was dat ons genootschap voor zijn verdwijning verantwoordelijk was en dat zij dat aan de politie zou melden.’‘Dat hebt u haar ontraden?’
Gunther Worms reageerde heftig.
‘Natuurlijk. Natuurlijk heb ik haar dat ontraden. Het is baarlijke nonsens. Het werpt een onverdiende smet op ons genootschap.’‘Wat zei Adelheid van Kleef?’
Gunther Worms liet zijn hoofd iets zakken.
‘Ze zei dat niets haar tegenhield… dat haar overtuiging stoelde op de vele gesprekken die zij met Siegfried van Xanten had gevoerd.’ De Cock knikte begrijpend. Hij keek de man voor zich strak aan. Zijn scherpe blik volgde elke beweging van de huid. ‘En uw oudheidkundig genootschap heeft niets met zijn verdwijning van doen?’
‘Absoluut niet.’
‘Maar er is een vonnis over hem uitgesproken.’
‘Zegt zij dat?’
De Cock schudde afkeurend zijn hoofd.
‘U moet een vraag niet met een wedervraag beantwoorden. Dat is… eh, dat is niet wellevend.’ Hij zweeg even voor het effect. ‘Is er over Siegfried van Xanten een vonnis uitgesproken?’ Gunther Worms antwoordde niet.
De Cock boog zich nog iets verder naar hem toe.
‘Is er over Siegfried van Xanten,’ herhaalde hij dwingender, ‘een vonnis uitgesproken?’
‘Ja.’
‘Welk?’
Gunther Worms slikte. ‘Wij hebben in de vierschaar gesteld dat Siegfried van Xanten voor ons genootschap niet meer leefde.’‘Een doodvonnis.’
Het rood was uit het gezicht van Gunther Worms verdwenen. Hij knikte, bleek, met een trillende onderlip. ‘Zo mag u het noemen.’
Vledder keek de grijze speurder verbijsterd aan.
‘Je liet hem gaan.’ Op zijn gezicht lag een grijns van ongeloof. ‘Je liet hem gaan.’ De stem van de jonge rechercheur vibreerde. De Cock keek hem onbewogen aan.
‘Heb jij thuis,’ vroeg hij met een zweem van sarcasme, ‘een ander Wetboek van Strafvordering? Wat had jij gewild… dat ik hem vasthield? Op basis waarvan? Wat had ik hem ten laste moeten leggen? Het uitspreken van een nietszeggend en niet voltrokken vonnis?’
Vledder klemde zijn lippen op elkaar.
‘Misschien is het al voltrokken.’
De Cock knikte traag
‘Misschien. Maar zolang ik dat nog niet weet, kan ik niets tegen Gunther Worms en zijn oudheidkundig genootschap ondernemen. Ik mis daarvoor juridische gronden.’
‘Je had aan Gunther Worms kunnen vragen waaróm Siegfried van Xanten werd gevonnist.’
De Cock deed zijn natte regenjas uit en hing die aan de kapstok. ‘Ik had hem kunnen vragen waar de naam Klokbekers vandaan komt… wat ewa betekent… wie de sapientes zijn… waarom het oudheidkundig genootschap jaarlijks naar Lunteren trekt.’ Hij pauzeerde even en kwam van de kapstok terug. ‘Geloof me, ik heb aan dat alles gedacht. Maar ik acht de tijd nog niet rijp. Ik heb de stellige overtuiging dat dit niet het enige gesprek is dat wij met Gunther Worms zullen voeren. Als mijn gevoel mij niet bedriegt dan…’ Hij maakte zijn zin niet af. Op zijn bureau rinkelde de telefoon. Vledder liep ernaartoe, nam de hoorn op en luisterde. De grijze speurder zag hoe het gezicht van de jonge rechercheur betrok. ‘Wat is er?’
Vledder legde de hoorn op het toestel terug.
‘Er ligt een lijk in de Muiderpoort. Het beantwoordt aan het signalement van ons opsporingsbericht.’
De Cock kneep zijn ogen samen. ‘Siegfried van Xanten.’ Vledder knikte.
‘Met een dolk tussen zijn schouderbladen.’