Vanuit de Binnen Bantammerstraat met haar vele intieme Chinese restaurantjes sjokte De Cock naar de Oude Waal en bezag de vele vreemdsoortige woonboten in de Eilandsgracht. Op het dek van een oude zolderschuit lag een aantrekkelijke jonge vrouw spiernaakt te zonnen. De Cock keek ernaar tot zijn puriteinse ziel hem dwong zijn hoofd af te wenden.
Met duim en wijsvinger plukte hij een notitieblaadje uit het borstzakje van zijn Harris-tweed colbert en zag dat hij in de buurt van de Montelbaanstraat moest zijn. Voor een lieflijk grachtenpand met een hardstenen stoep en een sierlijke halsgevel bleef hij staan en keek omhoog. In een van de spionnetjes ontwaarde hij een gezicht dat hij kende.
De Cock nam de vijf uitgesleten treden naar het bordes. Naast de toegangsdeur was een zwart plastic naamplaatje met in wit verzonken Adelheid van Kleef. Nog voor hij had aangebeld, klikte het slot en schoof de deur op een kier. De oude rechercheur deed hem verder open en drukte zijn negentig kilo moeizaam langs een smalle trap omhoog. Het hout kraakte onder zijn voeten. Ze stond op het portaal van de eerste etage. Wat uitdagend, haar armen gekruist voor de borst.
‘Ik zag u komen,’ sprak ze.
De Cock reageerde niet direct. Zijn hijgende ademhaling liet dat niet toe. Toen zijn bonkend hart het ritme had hervonden, glimlachte hij. ‘Via het spionnetje.’
Adelheid van Kleef trok haar kin iets op.
‘Wat komt u doen?’ Haar toon was hooghartig. ‘Mij vertellen dat u te laat was, dat u de voltrekking van het vonnis over Siegfried van Xanten niet hebt kunnen voorkomen?’
De Cock keek haar aan. Opnieuw onderging hij de betovering van haar bijna mystieke schoonheid. Zelfs in het schaarse licht dat tot het portaal doordrong, glansden haar lange goudblonde haren.
De oude rechercheur wuifde naar de halfopenstaande woningdeur. ‘Zullen we het onderhoud binnen voortzetten?’ Zonder te antwoorden draaide Adelheid van Kleef zich om en stapte de woonkamer in. De Cock volgde haar en deed de deur achter zich dicht. Daarna keek hij rond. Het vertrek was sfeervol ingericht met centraal een monumentale doorrookte schouw en fraaie gobelins aan de muren. Om een zware ronde eiken tafel stonden in een ster vijf diepe leren fauteuils.
Adelheid van Kleef liet zich in een van de fauteuils zakken en beduidde De Cock dat hij tegenover haar kon plaats nemen. De grijze speurder ging zitten en legde zijn hoedje naast zich op de donker gebeitste houten vloer.
Adelheid van Kleef leunde achterover. In haar blauwe ogen straalde strijdlust.
‘Is Siegfried al gevonnist?’ Ze zwaaide met haar beide armen. ‘Is het vonnis al voltrokken?’
De Cock aarzelde.
‘Ik wil dat woord liever niet gebruiken,’ sprak hij ontwijkend. ‘Het past zo slecht in mijn denkgedrag. Vonnissen ontstaan naar mijn gevoel in de raadkamer van een rechtbank en niet in de boezem van een of ander oudheidkundig genootschap.’ Adelheid van Kleef wuifde zijn opmerking weg.
‘Is hij dood?’
De Cock liet zijn kin op zijn borst zakken. Het was een gebaar om tijd te winnen. Hij antwoordde niet.
‘Is hij dood?’ herhaalde ze dwingend.
‘Ja.’
‘Vermoord?’
‘Inderdaad.’
‘Hoe?’
De Cock zuchtte. Het snelle tempo van haar vragen beviel de grijze speurder niet. Bovendien liet hij het initiatief bij een onderhoud niet graag aan een ander over. ‘Hebt u… eh, hebt u zelf enig idee op welke wijze dat is gebeurd?’ omzeilde hij. ‘Met een dolk.’
De Cock keek haar onderzoekend aan.
‘Waarom met een dolk?’
‘Dat is traditie.’
‘Bij wie?’
‘Bij de Klokbekers.’
De Cock knikte.
‘U acht werkelijk het oudheidkundig genootschap van de Klokbekers voor de moord op Siegfried van Xanten aansprakelijk?’
‘Absoluut.’
‘Op basis van dat zogeheten vondenis, waarvan u sprak?’‘Exact.’
De Cock boog zich geïnteresseerd naar voren.
‘Wat was de aanleiding daartoe… waarom werd dat vondenis uitgesproken?’
Adelheid van Kleef sloot even haar ogen. De bijna verkrampte starheid verdween. De uitdrukking op haar gezicht werd milder.
‘Ik weet dat niet zo precies,’ sprak ze zacht. ‘Siegfried sprak er niet graag over. Hij heeft mij nooit volledig ingelicht. Het bleef altijd in een waas van geheimzinnigheid. Ik vermoed dat het iets te maken heeft met Hagen… Hagen de Bourgondiër.’ De Cock reageerde verbaasd.
‘Wie is Hagen de Bourgondiër?’
Adelheid van Kleef gebaarde wat hulpeloos.
‘Hagen was zijn vriend… althans Hagen was een man die Siegfried als vriend benaderde. Maar ik betwijfel of hij dat ook werkelijk was.’
‘Is Hagen de Bourgondiër ook lid van dat oudheidkundig genootschap?’
Adelheid van Kleef knikte.
‘Een vooraanstaand lid. Hij was de man die het genootschap ertoe aanzette om dat vondenis over Siegfried van Xanten uit te spreken.’ Ineens versomberde haar gezicht weer. De innemende mildheid verdween, maakte opnieuw plaats voor de verkrampte starheid die haar gezicht ontsierde. Wild, met nauwelijks ingehouden woede, kwam ze uit haar fauteuil omhoog. ‘Het is mijn uitdrukkelijke wens,’ sprak ze fel, ‘dat het lichaam van Siegfried voor de begrafenis wordt opgebaard en dat alle leden van de Klokbekers zijn lijk één voor één zullen benaderen en aanraken… ook Hagen de Bourgondiër.’
De Cock keek haar verbaasd aan.
‘Wat heeft dat voor zin?’
In een theatraal gebaar strekte Adelheid van Kleef haar arm naar hem uit.
‘Dan zal mijn Siegfried… de dode Siegfried… zelf zijn moordenaar aanwijzen.’
Vledder keek De Cock onthutst aan.
‘Dat mens is gek,’ riep hij verbijsterd.
De grijze speurder liet zich in zijn stoel achter zijn bureau zakken. ‘Ik geloof niet,’ sprak hij hoofdschuddend, ‘dat je dat mag zeggen. Adelheid van Kleef is beslist niet geestesziek. Integendeel, volgens mij is ze bijzonder intelligent.’
Vledder spreidde zijn beide handen.
‘Waarom wil dat mens dan zo’n show rond het lijk van Siegfried van Xanten?’
De Cock zwaaide afwerend.
‘Het is geen show, zoals jij dat noemt. Ik begrijp best wat die vrouw wil. Adelheid van Kleef gelooft nog in het oude baarrecht.’
Vledder trok een vies gezicht.
‘Wat is het baarrecht?’
‘Heb je er nog nooit van gehoord?’
‘Nee.’
De Cock ademde diep.
‘In vroegere tijden kende men het zogeheten ordale of godsoordeel, sprak hij docerend. ‘Dat was een gerechtelijke proef om goddelijke tussenkomst te verkrijgen. Men oordeelde dan niet zelf, maar liet het als het ware aan God over om de schuldige aan te wijzen.’
‘Hoe?’
‘Daarvoor kende men diverse proeven, zoals het vuur-, water-, kruis- en tweegevecht-ordale. Als het je interesseert, dan moet je zien dat je in de bibliotheek er iets over te pakken krijgt. Naar mijn mening het meest griezelige godsoordeel was verpakt in het baarrecht of baargericht, in het Duits Bahrprobe. Het werd tot in de late Middeleeuwen als een heus bewijsmiddel in het strafproces toegepast. In het oude Duitse Nibelungenlied, maar ook in Shakespeares drama Koning Richardi i i zijn voorbeelden van het baargericht te vinden.’
Vledder reageerde ongeduldig.
‘Hoe ging dat dan?’
De Cock gebaarde voor zich uit.
‘De man of de vrouw die betuigde dat hij of zij ten onrechte van moord of doodslag werd beschuldigd,’ ging hij rustig verder, ‘moest voor de baar treden waarop het lijk van de verslagene lag. Dan moest hij knielend en met zijn rechterhand het lijk aanraken en luid zijn onschuld bezweren. Begon het lijk te bloeden, dan werd hij schuldig geacht en veroordeeld.’
Vledder grinnikte ongelovig.
‘En dat was recht?’
De Cock knikte met een ernstig gezicht.
‘Dat was recht. Een ordale… een godsoordeel en gold als afdoend bewijs.’
Vledder slikte iets weg.
‘En Adelheid van Kleef denkt dat het lijk van Siegfried van Xanten zal gaan bloeden als de moordenaar het aanraakt?’‘Dat denkt ze.’
‘Absurd.’
‘Het is maar wat men gelooft en hoe groot die geloofsovertuiging is.’
Vledder boog zich naar voren.
‘Doe je het,’ vroeg hij gespannen, ‘laat je dat baargericht uitvoeren?’
De Cock trok zijn schouders op.
‘Als de leden van het oudheidkundig genootschap daaraan willen meewerken,’ sprak hij gelaten, ‘wat is er dan op tegen?’ Het gezicht van Vledder toonde verwarring.
‘Het… het is,’ stotterde hij, ‘het is ongepast, middeleeuws, heidens.’
De Cock keek hem vragend aan.
‘Heidens? Een godsoordeel?’
Vledder schudde heftig zijn hoofd.
‘Het is niet van deze tijd. Het past niet meer. We leven niet meer in de duistere Middeleeuwen. Dit is de twintigste eeuw, De Cock. De eeuw van de kerncentrales, de computers, de ruimtevaart.’
De oude rechercheur knikte.
‘En van de atoombom.’
Het klonk cynisch.
Vledder kneep zijn lippen opeen.
‘Ook,’ reageerde hij verbeten, ‘ook van de atoombom.’ De Cock schudde langzaam zijn hoofd. Op zijn gezicht kwam een peinzende uitdrukking. ‘De jaren verglijden,’ sprak hij zacht. ‘De eeuwen stapelen zich op. Je hebt gelijk… de tijden veranderen. Maar de mens? Ik denk dat de mens sinds die duistere Middeleeuwen niet zoveel is veranderd… dat die nog steeds wordt beheerst door dezelfde driften, instincten en hartstochten, die hem ook destijds bezielden.’
Vledder snoof.
‘Compleet… met baargericht?’
‘Precies.’
De jonge rechercheur trok een dwarse denkrimpel in zijn voorhoofd.
‘En wat doe je als het lijk van Siegfried van Xanten werkelijk gaat bloeden?’
‘Niets.’
‘Jij gelooft niet in een godsoordeel?’
De accolades rond de mond van De Cock vergleden in een fijne glimlach.
‘Ik wel, maar ons strafrecht niet.’
Beiden zwegen. Een bloedend lijk van Siegfried van Xanten beheerste hun gedachten.
De Cock drong ze terug.
‘Hoe… eh, hoe was de sectie?’ vroeg hij belangstellend. Voordat Vledder kon antwoorden rinkelde de telefoon. De jonge rechercheur nam de hoorn op en luisterde. Na een paar seconden hield hij zijn hand op het spreekgedeelte en keek naar De Cock op.
‘Beneden aan de balie is iemand die je wil spreken.’‘Wie?’
‘Een man… ene Hagen de Bourgondiër.’