Het stortregende… hevige wolkbreuken, gepaard met zwaar onweer. Felle bliksemschichten trokken splijtend door een donkere hemel. Soms roetsjte de oude Volkswagen als een speedboat over waterplassen op de weg. Gordijnen van regen belemmerden het uitzicht.
De Cock kromp wat ineen. Hij had van kindsaf een instinctieve afkeer van onweer. Hardop telde hij de seconden tussen de bliksemflitsen en de daaropvolgende donderslagen. ‘Het is dichtbij,’ sprak hij wat beverig. ‘We rijden er dwars doorheen.’ Vledder blikte opzij.
‘In een auto kan je bij onweer niets gebeuren,’ sprak hij geruststellend. ‘Dat is bewezen.’
De Cock reageerde niet. Hij volgde het noodweer nauwlettend en begon opnieuw te tellen. Toen de bliksem kortbij insloeg, slikte hij even.
‘De natuur,’ sprak hij op bijna plechtige toon, ‘is ernstig vertoornd… vertoornd omdat er een mens is gedood. De elementen tonen hun afkeer. Moord heeft alles met oerkrachten te maken. Ik ben er vast van overtuigd dat het onweerde toen Kaïn Abel doodsloeg.’
Vledder grijnsde.
‘Noodweer bij de eerste moord,’ sprak hij spottend. Het gezicht van De Cock stond strak.
‘Er bestaat een mystieke relatie tussen de mens en de natuur. Als men lang in een stad woont gaat er veel van die betrokkenheid verloren.’
Vledder schudde afkeurend zijn hoofd.
‘Je hebt een bijgelovige ziel.’
De Cock knikte traag voor zich uit.
‘Dat komt door mijn Urker afkomst. Die verloochent zich niet. Vissers zijn veelal bijgelovig. Bij de visserij is men sterk van de elementen afhankelijk. Vooral vroeger. Toen beschikte men nog niet over moderne navigatiemiddelen, had men geen stalen kotters met duizenden paardenkrachten in de machinekamer… op de nietige houten bottertjes hees men de zeilen. Ik ben op Urk geboren… toen het nog een godvruchtig eiland was. Het ruisen van de zee was er overal te horen. Als het stormde werd je als het ware door de natuur omarmd. Soms hingen de wolken zo laag… leken zo dichtbij, dat ik als kind dacht dat ik er met een uitgestoken vinger in kon prikken.’
Vledder glimlachte.
‘Hoe ben je als jongen uit Urk ooit bij de Amsterdamse politie terechtgekomen?’
De Cock keek nadenkend naar de ruitenwissers, die het hemelwater nauwelijks konden verwerken. ‘De mens wikt… God beschikt.’ Hij vond dat antwoord ruim voldoende en gaf geen nadere uitleg. Hij blikte om zich heen. ‘Zou het in Baarn ook zulk noodweer zijn?’
Vledder knikte.
‘Vast… volgens mij komt het daarvandaan.’
De Cock maakte een achteloos gebaartje.
‘Dan ligt Gunther Worms in de regen.’
Het klonk laconiek.
Vledder nam gas terug. Het uitzicht werd een moment zo slecht, dat het niet verantwoord was om met hoge snelheid door te rijden. Nerveus klapte de jonge rechercheur met zijn rechtervuist op het stuur.
‘Toch vertik ik het,’ bromde hij, ‘om de wagen aan de kant van de weg stil te zetten.’
De Cock trok zijn schouders iets op.
‘Jij stuurt,’ reageerde hij gelaten. Met enige angst in zijn blik bleef hij het onweer bezien. Het imponeerde hem. Schuin links van de snelweg, boven het IJsselmeer, leek het alsof de satan met duivels genoegen de poorten van de hel had geopend. ‘Het regende vuur en sulfer,’ herinnerde hij zich een oude bijbeltekst.
Na een tiental kilometers klaarde het weer iets op. De regen werd minder. Het donderde nog wat in de verte en de dood van Gunther Worms kwam terug in zijn gedachten.
‘Heb je de politie van Baarn ingelicht?’
Vledder knikte.
‘Onmiddellijk. Maar het zal wel even duren voor er iemand van hen ter plekke is. Er moest eerst een rechercheur van huis worden gehaald. Het zal mij niets verbazen als wij er het eerst zijn.’
‘Noemde Hilde Brunet nog bijzonderheden?’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Geen bijzonderheden. Ze zei alleen: “Ze hebben hem verraderlijk neergestoken.”’
De Cock keek naar hem op.
‘Ze… ik bedoel, niet hij of zij… maar ze hebben hem verraderlijk neergestoken?’
‘Precies… ze. Ik denk dat haar gedachten uitgaan naar meer dan één dader.’
De Cock liet zich wat onderuitzakken, voor het eerst tijdens de rit. Nu ze het noodweer achter zich hadden gelaten, voelde de oude rechercheur zich minder gespannen. Hij schoof zijn hoedje tot bijna op zijn ogen en bromde: ‘Het is een vreemde zaak.’ Vledder snoof.
‘Ik ben met jou nooit anders dan in vreemde zaken terechtgekomen.’
Bij de afslag Baarn-Eembrugge verlieten ze de snelweg en reden het dorp binnen. Enkele straten stonden blank. De putten konden het regenwater niet verwerken.
Onder druipende bomen door reden ze de Prinses Carolinalaan in. Het was er vreemd stil en geheimzinnig donker. Vledder reed stapvoets en draaide zijn zijraam gedeeltelijk open. Het was alsof buiten zelfs de regen zweeg. Bij de villa draaide de jonge rechercheur de neus van de wagen naar de oprijlaan en stopte. In het licht van de koplampen lag een man. Op het grind. Zijn lichaam was bedekt met een deken, die tot even onder de knieholte reikte. Met de hielen omhoog staken zijn voeten er wat verdraaid onderuit. Op de rug markeerde een kleine verhoging de plek, waar de dolk in het lichaam stak.
Vledder trok de handrem aan, schakelde de motor uit en liet het groot licht branden. De beide rechercheurs stapten uit. De Cock liep op het lijk toe en hurkte er in de regen bij neer. Hij nam een punt van de deken op en keek in het gezicht van Gunther Worms. Het lag op de linkerzijde. Het zilvergrijze haar was kletsnat en in de rechteroorschelp stond een plasje water. De oogleden waren niet gesloten. De wijd opengesperde ogen met sterk verwijde pupillen glansden in het licht van de koplampen.
De grijze speurder sloeg de deken nog verder terug, zodat ook de rug van de dode man vrij kwam. Achter hem stokte even de adem van de jonge Vledder.
‘De dolk,’ hijgde hij, ‘de bronzen dolk van Siegfried van Xanten.’
Adjudant Lambertsen van de Baarnse politie stapte uit zijn wagen. Met forse tred stapte hij op De Cock toe. Wantrouwend keek hij de grijze speurder aan.
‘U bent hier al?’
De Cock glimlachte.
‘Zo u ziet.’
De adjudant wees naar de dode man op het grind.
‘Dit is een Baarnse zaak,’ sprak hij beslist.
De Cock knikte instemmend.
‘Daarom hebben wij u ook onmiddellijk gewaarschuwd.’ Adjudant Lambertsen keek om zich heen.
‘Wie heeft de dode hier ontdekt?’
De Cock wees voor zich uit naar de villa.
‘Hilde Brunet… de echtgenote van de vermoorde man. Zij belde ons op.’
‘In Amsterdam?’
‘Inderdaad… bureau Warmoesstraat.’
Het wantrouwen in de blik van de adjudant bleef.
‘Waarom? Ze had toch direct ons kunnen bellen? Dat lag toch meer voor de hand? Voor een moord in Baarn bel je toch geen Amsterdamse recherche?’
Het klonk wat geprikkeld.
De Cock zuchtte.
‘Mijn jonge collega Vledder en ik,’ legde hij geduldig uit, ‘zijn al een paar dagen bezig met een onderzoek naar een soortgelijke moord op een jongeman in Amsterdam… ene Siegfried van Xanten. Ook met een dolk in zijn rug. In het kader van dat onderzoek hebben wij de vrouw van deze man… Gunther Worms… leren kennen. Ik vermoed dat zij zich daarom met ons in verbinding heeft gesteld en in haar verslagenheid niet direct aan de Baarnse politie heeft gedacht. Wij achten het niet uitgesloten dat Gunther Worms bij de moord op die Siegfried van Xanten betrokken is geweest.’ Hij glimlachte innemend. ‘Begrijpt u… vandaar onze belangstelling.’
De mond van adjudant Lambertsen vormde een dunne streep. ‘Luister, rechercheur De Cock,’ sprak hij verbeten, ‘wij hebben in Baarn slechte ervaringen met de Amsterdamse recherche… en met u. Enige tijd geleden vergat u aan ons een Baarnse moord te melden. Wij kregen pas bericht van de schietpartij toen u het onderzoek al bijna had voltooid.’ Hij trok een brede grijns. ‘Mag ik dat hoogst onelegant noemen?’
De Cock keek naar hem op.
‘Dat mag u van mij,’ sprak hij hoofdknikkend, ‘hoogst onelegant noemen.’ Hij lachte vrolijk. ‘En dat klinkt niet eens onaardig.’ Adjudant Lambertsen wond zich zichtbaar op.
‘Wij zijn bij ons in Baarn gewend om onze gedachten zorgvuldig te formuleren.’
De Cock voelde weinig lust om de discussie over dat onderwerp voort te zetten. Competentievragen hadden hem nooit zo sterk beziggehouden. Hij draaide zich half om en wees naar de dode man op het grind.
‘Wat gebeurt er met hem?’
‘Ik zal een wagen bellen om hem naar ons mortuarium te brengen.’
‘En dan?’
‘Wat bedoelt u?’
‘Een gerechtelijke sectie?’
‘Dat beslist onze officier van justitie.’
De Cock knikte.
‘Maar ik zou er wel op aandringen.’
‘Dat maken wij wel uit.’
De Cock negeerde de opmerking.
‘Een onderzoek naar de herkomst van de dolk kon wel eens verrassingen opleveren.’ Hij zweeg even. ‘U kunt,’ ging hij vriendelijk verder, ‘over de resultaten van ons onderzoek beschikken… als u dat wenst?’
De adjudant stak zijn kin iets op.
‘Voorlopig wens ik dat niet.’
De Cock maakte een berustend gebaartje. Hij wees opnieuw naar de dode op het grind. ‘Ik moet u toch attenderen op de noodzaak van een toxicologisch onderzoek… deze man is vergiftigd.’
De Cock wachtte tot Vledder de oude Volkswagen had weggereden en geparkeerd tussen de bomen van de laan. Samen sjokten ze naar de ingang van de villa.
De grijze speurder trok aan de fraai bewerkte koperen knop, links van de toegangsdeur en luisterde naar de ijle klanken van de bel. Daarna keek hij even om. Aan het begin van de oprijlaan, naast het dode lichaam van Gunther Worms, stond adjudant Lambertsen eenzaam in de regen.
Vledder duimde over zijn schouder.
‘Moet hij er niet bij zijn?’
De Cock bromde.
‘Ik heb hem aangeboden dat jij zolang bij het lijk zou blijven, zodat hij met mij mee kon. Hij weigerde.’ De grijze speurder glimlachte triest. ‘Blijkbaar heeft onze adjudant vandaag zijn dag niet.’
Hilde Brunet opende de deur. De matte, olijfkleurige huid van haar gezicht zag bleek… bleek als doorschijnend albast en haar ogen waren rood omrand.
De Cock nam zijn hoedje af.
‘Ik… eh, ik condoleer u met het verlies van uw man,’ sprak hij met bewogen stem.
Over het gezicht van Hilde Brunet gleed een flauwe glimlach. Daarna liet ze haar hoofd iets zakken en bedwong opkomende tranen.
‘Komt u binnen.’
Ze sprak fluisterend.
Toen ze in de met leer beklede zetels hadden plaatsgenomen, keek de oude rechercheur haar nog eens aan. Scherp en onderzoekend. Ze droeg het fraaie kastanjebruine haar nu niet in een wrong. Het hing los langs haar ovale gezicht, waarop verdriet duidelijke sporen had achtergelaten. Het verbaasde hem een beetje. Hij had dat verdriet niet verwacht… niet zo nadrukkelijk. ‘Hoe wist u dat hij daar lag?’ opende hij.
Hilde Brunet schudde haar hoofd.
‘Ik wist dat niet. Ik was alleen de hele avond al zo onrustig.’ Ze tikte met de toppen van haar vingers tegen haar borst. ‘Hier… zo’n vreemd angstig beklemmend gevoel… een gevoel dat er iets ging gebeuren… iets verschrikkelijks. Ik weet niet hoe ik u dat moet uitleggen. Noem het intuïtie… voorgevoel.’ De Cock knikte begrijpend.
‘Bij vrouwen is dat vaak sterk ontwikkeld… sterker dan bij ons mannen.’
Hilde Brunet reageerde dankbaar.
‘Ik ben vaak avonden alleen. Gunther was ’s avonds veel weg… voor zaken. Ik heb mij nog nooit angstig of onrustig gevoeld. Ik kende dat niet. Misschien kwam het ook door dat noodweer.’‘U bent gaan kijken?’
‘Ja.’
‘Waarom?’
Hilde Brunet gebaarde voor zich uit.
‘Ik had het geluid van een auto gehoord en ik dacht dat Gunther er aankwam. Meestal zet hij zijn wagen dan pal voor de deur. Maar Gunther kwam niet. Ik dacht… eh, ik dacht… ik heb het verkeerd gehoord. Maar toen hij er na een kwartier nog niet was, werd ik zo onrustig dat ik ben gaan kijken waar hij bleef.’‘En toen vond u hem?’
Hilde Brunet knikte bedaard.
‘Hij lag daar… in de regen. Het vreemde was dat het mij niet eens verbaasde dat hij daar zo lag. Ik raakte ook niet in paniek. Ik ben toen kalm naar binnen gegaan, heb een deken gepakt en hem daarmee toegedekt.’ Ze schokschouderde. ‘Waarom? Uit piëteit, denk ik. Ik wilde hem niet verder nat laten worden.’ De Cock schonk haar een milde glimlach.
‘Wat heeft uw man voor een wagen?’
Hilde Brunet staarde even peinzend voor zich uit.
‘Hij heeft bijna elk jaar een nieuwe. Sinds kort heeft hij een… eh, een Mitsubishi… een vuurrode Mitsubishi Starion.’‘En met die wagen is hij vanavond weggegaan?’
‘Ja.’
‘Weet u waar uw man heenging?’
Hilde Brunet schudde haar hoofd.
‘Dat zei Gunther nooit. En ik vroeg er nooit naar.’
‘Heeft hij een tijdstip genoemd waarop u hem terug kon verwachten?’
Hilde Brunet zuchtte.
‘Ook niet. Dat was niet gebruikelijk. Feitelijk leefden Gunther en ik een beetje langs elkaar heen. Al jaren. Er is nooit een echte band gegroeid.’
De Cock pauzeerde even en vroeg toen: ‘Waarom hebt u ons gebeld… in Amsterdam?’
Hilde Brunet maakte een hulpeloos gebaartje.
‘Toen ik Gunther daar dood met die dolk in zijn rug zag liggen, dacht ik direct aan u… aan ons onderhoud. Ik dacht… die rechercheur De Cock moet het weten.’
De Cock wuifde in de richting van Vledder.
‘Toen u de dood van uw man aan mijn collega meldde, zei u: Ze hebben hem verraderlijk neergestoken. Wie bedoelde u daarmee?’
‘Die luitjes van de Klokbekers.’
‘Welke luitjes?’
‘Etzel Hunnen en die groep mannen die hem bij zijn uitverkiezing steunden.’
De Cock hield zijn hoofd iets scheef.
‘U denkt dat zij uw man hebben vermoord?’
Hilde Brunet knikte nadrukkelijk.
‘U had ze tijdens die vergadering over dat baargericht moeten zien. Puur vijandig. Ik las haat in hun ogen. Ik ben nooit echt verliefd op Gunther Worms geweest. U weet dat. Maar die haat, die zichtbare vijandschap deed mij in mijn hart toch pijn.’‘Dacht u dat die haat, die vijandschap, voldoende was voor moord?’
‘Beslist.’
De Cock trok rimpels in zijn voorhoofd.
‘Waarom wilde uw man per se dat baargericht?’
Om de mond van Hilde Brunet gleed een bittere grijns. ‘Adelheid… Adelheid van Kleef… er is nog nooit een man geweest die haar iets kon weigeren.’
De Cock kwam iets uit zijn zetel overeind, boog zich ver naar haar toe en snoof. ‘U… eh, u hebt een bijzonder parfum,’ sprak hij beminnelijk. ‘Het is een aangename, opwindende geur… een geur, die een man niet licht vergeet.’
Hij keek haar strak aan en veranderde van toon. ‘Hilde Brunet… wat is de schat van de Nevelberg?’