‘Hagen de Bourgondiër?’
‘Ja.’
‘Laat hem maar boven komen.’
Vledder gaf het bericht aan de wachtcommandant door en legde de hoorn op het toestel terug.
‘Wie is Hagen de Bourgondiër?’
‘Een lid… een vooraanstaand lid van het oudheidkundig genootschap.’
Vledder fronste zijn wenkbrauwen.
‘Hoe kom je aan die wijsheid?’
De Cock glimlachte.
‘Volgens Adelheid van Kleef was hij de man die het genootschap ertoe aanzette om het doodvonnis tegen Siegfried van Xanten uit te spreken.’
‘Wat zou hij komen doen?’
‘Geen flauw idee.’
Er werd geklopt en vrijwel onmiddellijk daarna zwaaide de deur van de recherchekamer wijd open. In de deuropening verscheen een boomlange, breedgeschouderde man. Hij droeg een dof zwart wildlederen anorak en een nauwsluitende spijkerbroek in halfhoge laarzen.
Het meest opmerkelijke aan hem waren zijn verwilderde donkere haardos en zijn volle baard, die vrijwel het gehele gezicht bedekte. Met stampende tred liep hij op De Cock af en boog zich iets naar hem toe.
‘U… eh, u bent de rechercheur, die gisteravond onze Gunther Worms te woord heeft gestaan?’
De grijze speurder knikte gelaten.
‘De Cock… met ceeooceekaa.’
De man liet zich op de stoel naast het bureau van de oude rechercheur zakken. ‘Ik ben Hagen,’ opende hij, ‘Hagen de Bourgondiër. Ik ben weliswaar geen koning, maar ik ben ook een man van de Klokbekers.’ Hij nam een kleine adempauze. ‘Ik ben een halfuurtje geleden thuis gebeld door die vrouw.’‘Welke vrouw?’
Hagen de Bourgondiër duimde over zijn schouder.
‘Adelheid, zo heet ze. Adelheid van Kleef. Ze zei mij dat haar Siegfried was vermoord en dat zij de overtuiging was toegedaan dat ik het had gedaan… dat ik voor die moord verantwoordelijk ben.’
De Cock keek hem strak aan.
‘Adelheid van Kleef beschuldigde u?’
Hagen de Bourgondiër knikte.
‘En ik moet u zeggen… ik vind dat hoogst ernstig. Ik weet niet of zij deze beschuldiging ook aan anderen heeft geuit… aan u bijvoorbeeld. Hoe dan ook… ik wil dat ze ermee ophoudt. Anders klaag ik haar aan wegens smaad. Ik voel mij door die aantijging in mijn eer en goede naam aangetast.’
De Cock glimlachte.
‘U bent goed op de hoogte van de wettelijke terminologie,’ sprak hij prijzend.
Hagen de Bourgondiër plukte aan zijn baard.
‘Ik heb voor alle zekerheid eerst contact opgenomen met mijn advocaat en heb hem gevraagd welke mogelijkheden ik had om zo’n beschuldiging te pareren.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Heeft Adelheid van Kleef redenen om u van moord op Siegfried van Xanten te beschuldigen?’
‘Nee.’
De grijze speurder spreidde zijn handen.
‘Wat is dan haar basis… op grond waarvan spreekt zij die beschuldiging uit?’
Hagen de Bourgondiër maakte een hulpeloos gebaar. ‘Ik weet niet wat Siegfried haar heeft verteld. Siegfried en ik waren vroeger vrienden. We trokken veel met elkaar op. Ik was erg bedroefd toen ik van zijn dood hoorde. U begrijpt hoe pijnlijk het voor mij is nu men mij beschuldigt hem te hebben vermoord.’‘Wanneer eindigde die vriendschap?’
‘Toen Adelheid in ons leven kwam.’
De Cock maakte een schouderbeweging.
‘Dat begrijp ik niet.’
In de donkere ogen van Hagen de Bourgondiër vonkte even een fel licht.
‘U hebt haar ontmoet?’
‘Ja.’
‘Een prachtige vrouw.’
‘Zeker.’
Hagen de Bourgondiër staarde voor zich uit.
‘Haar ouders hadden een vooruitziende blik. Zij gaven hun dochter een naam die bij haar paste… Adelheid… vrouw van edele gestalte.’ Hij zweeg even en zuchtte diep. ‘Wij werden beiden op haar verliefd. Adelheid koos uiteindelijk voor Siegfried en dat betekende het einde van onze vriendschap.’
‘Waarom?’
Hagen de Bourgondiër maakte een wrevelig gebaar. ‘Wanneer een vrouw, die weet dat je verliefd op haar bent, duidelijk voor een ander kiest… dan ontwaken in een man toch bepaalde gevoelens.’
‘Wraakgevoelens?’
Hagen de Bourgondiër schudde zijn hoofd.
‘Zo mag u ze niet betitelen.’ Hij klopte met zijn vuist op zijn machtige borst. ‘In diesen heil’gen Hallen,’ riep hij pathetisch, ‘kennt man die Rache nicht.’ Hij zweeg opnieuw. Nadenkend. ‘Ik wilde Adelheid van Kleef niet meer zien… niet meer ontmoeten. Met Siegfried had ik nog wel eens contact op de bijeenkomsten van ons oudheidkundig genootschap.’
De Cock hield zijn hoofd iets schuin.
‘Waarom zette u het genootschap aan om een vondenis over Siegfried uit te spreken?’
Hagen de Bourgondiër zwaaide afwerend.
‘Laten we daarover zwijgen. Over de doden niets dan goeds.’ De Cock boog zich iets naar hem toe.
‘Het is mijn ernstig streven,’ sprak hij vriendelijk, ‘om de moordenaar van Siegfried van Xanten te ontmaskeren. En als u die moordenaar niet bent… dan hebt u er alle belang bij dat ik in dat streven slaag… dat ik die beschuldiging van Adelheid kan ontzenuwen.’
Hagen de Bourgondiër liet zijn hoofd zakken.
‘Siegfried van Xanten had zich aan diefstal schuldig gemaakt.’ De Cock keek hem verrast aan.
‘Diefstal?’
Hagen de Bourgondiër knikte met een bedroefd gezicht. ‘Het is ons leden van het oudheidkundig genootschap wel eens toegestaan om aan archeologische opgravingen mee te werken. Het is een privilege dat voortvloeit uit de aard van onze belangstelling. Nu hebben unieke archeologische vondsten vaak een hoge economische waarde… een hoge marktwaarde. Het is echter een soort code… een ongeschreven wet, dat men bijzondere archeologische vondsten niet zelf behoudt, maar ter beschikking stelt van musea of van een groep wetenschappers, die uit zo’n vondst belangrijke historische conclusies kunnen trekken.’ De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.
‘En Siegfried van Xanten,’ sprak hij bedachtzaam, ‘had een archeologische vondst voor zichzelf gehouden?’
‘Precies.’
‘Wat was dat?’
‘Een dolk… een bronzen dolk… vermoedelijk uit de vijfde eeuw voor Christus. We kwamen er bij toeval achter door een tip van een kunsthandelaar, aan wie Siegfried de dolk wilde verkopen.’
‘Waarom ging u niet naar de politie?’
‘Dat is in ons genootschap niet gebruikelijk.’
De Cock grijnsde.
‘U straft liever zelf.’
Het klonk honend.
Hagen de Bourgondiër negeerde de spot.
‘In dergelijke gevallen,’ ging hij onverstoorbaar verder, ‘raadplegen wij de sapientes. Dat is een raad van wijze mannen, die op basis van de ewa… gewoonterecht… een vondenis uitspreken.’‘Inzake Siegfried van Xanten… een doodvonnis.’
Hagen de Bourgondiër schonk hem een milde glimlach. ‘U moet niet uitgaan van de letterlijke betekenis van dat woord.’ De Cock veinsde verbazing.
‘Uw… eh, uw koning… Gunther Worms… zei dat ik het zo mocht noemen.’
Hagen de Bourgondiër aarzelde even.
‘Vele oude volkeren,’ sprak hij lerend, ‘kenden de doodstraf niet. Zelfs niet bij moord. Denkt u maar eens aan het bijbelse Kaïn-en-Abel-verhaal. Kaïn krijgt voor het doodslaan van zijn broer Abel geen doodstraf. De straf luidde: verbanning. En dat was voor mensen, die leefden in barre tijden, waarin de beschutting en bescherming van de stam onontbeerlijk was, een straf die vaak zwaarder woog dan het benemen van het leven.’ De Cock knikte begrijpend.
‘Het vondenis over Siegfried van Xanten luidde verbanning.’‘Juist. Voor de leden van het oudheidkundig genootschap bestond Siegfried van Xanten niet meer… was hij gestorven… dood. Dat is vermoedelijk de reden waarom onze koning zei dat u het vondenis ook een doodvonnis mocht noemen.’ De Cock leunde in zijn stoel achterover en liet zijn blik over de gelaatstrekken van de man dwalen. De baard hinderde hem. Hij vroeg zich af wat voor een kin er onder schuilging. Maar de vlot formulerende Hagen de Bourgondiër imponeerde hem wel.
‘En de dolk?’ vroeg hij belangstellend. ‘Wat werd er over de dolk beslist?’
Hagen de Bourgondiër verschoof iets op zijn stoel.
‘Volgens het vondenis van de sapientes moest Siegfried van Xanten de dolk aan onze koning… Gunther Worms overhandigen.’‘Gebeurde dat?’
Hagen de Bourgondiër knikte nadrukkelijk.
‘De dolk zal te zijner tijd worden geschonken aan het oudheidkundig museum in Uffelte.’
Vledder schoof de lade van zijn bureau open, nam daaruit een vreemdsoortige dolk en legde die met een klap voor zich neer. Hagen de Bourgondiër reageerde op het geluid. Hij draaide zich half om en keek. Ineens werden zijn donkere ogen angstig en aan de rand van zijn baard kleurde zijn gezicht rood. ‘De dolk.’ Hij slikte. Zijn adamsappel danste wild op en neer. ‘De bronzen dolk van Uffelte.’ Zijn blik gleed met verbijstering omhoog naar Vledder. ‘Waar… waar,’ stotterde hij, ‘waar komt die vandaan?’
De jonge rechercheur strekte zijn hand naar de dolk. ‘Uit de rug,’ antwoordde hij strak, ‘uit de rug van de dode Siegfried van Xanten.’
Toen Hagen de Bourgondiër was vertrokken, keek De Cock Vledder bewonderend aan.
‘Dat moment was goed gekozen,’ sprak hij prijzend. ‘Een beter ogenblik om de dolk tevoorschijn te halen was niet denkbaar. Ook de presentatie was prima… die korte tik met de dolk op het bureaublad. Hagen de Bourgondiër moest wel in die richting kijken. Ik dacht dat zijn ogen uit de kassen rolden.’
Vledder glunderde om de lof.
‘We hoeven nu geen uitgebreide onderzoeken meer te doen naar de herkomst van de dolk. We weten in één klap waar dat moordwapen vandaan komt.’
‘Uit opgravingen bij Uffelte.’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Dat bedoel ik niet. Het blijkt nu dat de bronzen dolk, waarmee Siegfried van Xanten werd vermoord, in het beheer was van de Klokbekers.’
De Cock trok zijn gezicht in een ernstige plooi.
‘Je wilt zeggen dat wij ook zijn moordenaar onder de Klokbekers moeten zoeken.’
Vledder knikte.
‘Dat ligt voor de hand. Het begint er steeds meer op te lijken dat Adelheid van Kleef gelijk krijgt.’
De Cock grinnikte.
‘Zie je hoe voorzichtig je moet zijn met zelfs de vreemdste verhalen?’
Vledder negeerde de opmerking. Hij gebaarde voor zich uit. ‘Het moet voor ons toch mogelijk zijn om uit te vinden welke leden van het oudheidkundig genootschap in het bezit van de dolk konden komen? De kring van verdachten is nu niet zo groot meer. We kunnen onze aandacht gewoon tot de Klokbekers beperken.’
‘En het motief?’
Vledder glimlachte.
‘Die Hagen de Bourgondiër probeert ons nu wel wijs te maken,’ sprak hij wat smalend, ‘dat het uitgebrachte doodvonnis in feite slechts verbanning uit de stam van de Klokbekers betekende, maar wie zegt mij dat een van de leden van het genootschap het vondenis niet letterlijk heeft opgevat.’
De Cock keek naar hem op.
‘En voor de uitvoering zorgdroeg?’
Vledder knikte nadrukkelijk.
‘Dat bij het voltrekken van het vonnis juist gebruik is gemaakt van de omstreden dolk wijst volgens mij in die richting.’‘A ls symbool?’
Vledder knikte opnieuw.
‘Inderdaad… als symbool,’ sprak hij plechtstatig. ‘Als symbool dat de afvallige Siegfried van Xanten met die bronzen dolk… dat moordwapen… de ewa… de eeuwige rechtsgebruiken van het volk van de Klokbekers had geschonden.’
De Cock schoof zijn onderlip prijzend vooruit.
‘Je bent vandaag uitzonderlijk goed op dreef. Als ik je zo beluister, dan geloof ik dat je al bijna als een volwaardig Klokbekermens denkt.’
Vledder reageerde niet. Op zijn jong gezicht kwam een peinzende uitdrukking.
‘Weet je,’ sprak hij nadenkend, ‘dat wij samen wel eens meer met een genootschap van doen hebben gehad? Het Genootschap van de Broeders en Zusters van de Heilige Zegeningen.’[4] De Cock gniffelde.
‘Die waren allen niet zo braaf.’
De peinzende uitdruk king op het gezicht van Vledder bleef. ‘Het is toch opmerkelijk,’ sprak hij bedachtzaam, ‘dat er in onze moderne tijd steeds meer van dergelijke min of meer sektarische groeperingen ontstaan en dat velen zich ertoe voelen aangetrokken?’ De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik vind dat niet zo opmerkelijk. Er komen steeds meer mensen die onze huidige tijd afwijzen, die de vele dreigingen om ons heen met angst bezien… die menen aanwijzingen te vinden voor een sterk moreel verval en daarom terugverlangen naar oude tijden… naar een verleden waarin begrippen als trouw, eerlijkheid, eerbied en ridderlijkheid nog duidelijke contouren hadden.’
‘Een vlucht?’
De Cock knikte traag.
‘Een vlucht uit het heden.’
‘Naar het verleden.’
‘Precies.’
‘Waar komt de naam Klokbekers vandaan?’
De Cock steunde met zijn ellebogen op zijn bureau. ‘Ik heb gisteravond voor ik naar bed ging nog even in de encyclopedie gekeken. Het intrigeerde me. De Klokbekers schijnen een strijdbaar ruitervolk te zijn geweest, dat zich in het begin van de bronstijd over heel Europa heeft verspreid. De naam Klokbekers danken zij aan het vaatwerk dat zij maakten… klokvormige bekers, die, fijnversierd, aan de doden in hun graf werden meegegeven. Ze hebben ook in ons land gewoond. Op de Veluwe, in Lunteren, heeft men een bijna gave grafheuvel van de Klokbekermensen gevonden.’
De ogen van Vledder lichtten op.
‘Daarom trekken de leden van het genootschap jaarlijks naar Lunteren.’
De Cock schudde bedenkelijk zijn hoofd.
‘Het is alles bijeen toch een raar genootschap. Ze noemen zich Klokbekers, maar de gebruiken die ze hanteren… een raad van oude wijze mannen, de sapientes, die op basis van de ewa een vondenis vellen… is Oudgermaans. Van een rechtsgeding bij de Klokbekermensen is nagenoeg niets bekend.’
De grijze speurder zweeg en zuchtte. ‘Wij, als rechercheurs, kunnen ons een vlucht in het verleden niet veroorloven.’ Hij klonk bijna spijtig. ‘Die bronzen dolk mag dan uit een ver verleden stammen… de moord op Siegfried van Xanten is een hedendaagse moord… ordinair en strafbaar volgens onze huidige wetgeving.’ Hij keek naar Vledder op. ‘Hoe was de sectie?’ De jonge rechercheur tastte naar de binnenzak van zijn colbert en raadpleegde zijn notitieboek.
‘Dokter Rusteloos kwam tot een voorlopige, maar toch hoogst merkwaardige conclusie.’
‘En die is?’
‘Siegfried van Xanten stierf wel aan de gevolgen van de dolksteek… inwendige verbloeding… maar hij was vermoedelijk voordien bedwelmd.’
‘Bedwelmd?’
Vledder knikte.
‘Met een sterk verdovend middel.’