De Cock wreef peinzend over zijn brede kin.
‘Incest.’
Karel van de Bosch knikte.
‘Ik zou Belinda al vanaf haar vijftiende jaar… vrij kort na het overlijden van mijn vrouw… hebben gedwongen om gemeenschap met mij te hebben.’
De Cock schoof zijn onderlip vooruit.
‘Dat is een uiterst ernstige beschuldiging,’ sprak hij gedragen. ‘Bent u inzake die aanklacht al door de politie in Haarlem verhoord?’
Karel van de Bosch schudde zijn hoofd.
‘Ik heb mij de afgelopen maanden niet meer in Haarlem laten zien.’
De Cock keek hem schuins aan.
‘Hoe weet u dan dat er zo’n aanklacht is?’
‘Dat heeft Belinda mij gezegd.’
‘Wanneer?’
Karel van de Bosch zwaaide.
‘Toen ze in Haarlem haar spulletjes bij mij kwam ophalen om bij die zogenaamde profeet in te trekken. Belinda zei mij dat ze aan die man precies had verteld wat ik vroeger met haar had gedaan… wanneer en hoe vaak… en dat hij haar had aangeraden om bij de politie in Haarlem een aanklacht tegen mij in te dienen.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Zijn er enige bewijzen?’
Karel van de Bosch schudde zijn hoofd.
‘Dat kan niet,’ riep hij opgewonden. ‘Ze liegt. Er is geen woord van waar. Ik heb nooit iets met dat kind gehad. Ik bedoel, ik heb mij nooit aan haar vergrepen. Ik denk dat Belinda bij die kwezelaar een fantasieverhaal heeft opgehangen… om interessant te doen… of als een soort excuus dat ze de hoer had gespeeld.’ Hij trok zijn schouders op en zuchtte diep. ‘Weet ik veel wat dat kind heeft bezield.’
De Cock stak zijn armen omhoog met zijn handpalmen naar voren. ‘Ik ga op het waarheidsgehalte van de aanklacht van uw dochter niet verder in,’ sprak hij strak, afwerend. ‘Dat is een zaak voor de politie in Haarlem. Uit uw verhaal stel ik alleen vast, dat u voor de moord… op zowel de profeet als op uw dochter… een redelijk motief had.’
Karel van de Bosch keek hem met halfopen mond aan.
‘Motief?’
De Cock knikte nadrukkelijk.
‘U bent nu twee lastige getuigen kwijt. Ze kunnen die aanklacht tegen u niet meer gerechtelijk onderbouwen.’
Karel van de Bosch spreidde zijn beide armen.
‘Maar die aanklacht is vals… een verzinsel. Ik zei u al, daar is geen woord van waar.’
De Cock keek hem onbewogen aan.
‘Dat beweert u,’ reageerde hij gelaten. ‘Terecht… of onterecht. Dat is niet aan mij om te beoordelen. Maar zelfs met een valse aanklacht had u het nog knap lastig kunnen krijgen.’
Karel van de Bosch keek hem verwonderd aan.
‘Met een valse aanklacht?’ riep hij ongelovig.
De Cock knikte.
‘Klachten over seksuele kindermishandeling worden door justitie zeer ernstig genomen.’
Karel van de Bosch schudde zijn hoofd. Zijn kleine groene ogen vulden zich met tranen. ‘Wat moet ik?’ jammerde hij. ‘Toen ik hoorde dat die profeet was vermoord, ben ik naar hun woning aan het Turfdraagsterpad gegaan. Ik hoopte dat Belinda… niet langer onder de invloed van die man… voor rede vatbaar zou zijn… dat ik in alle rust met haar zou kunnen praten.’
De Cock keek hem vorsend aan.
‘U had een gesprek met haar?’
Karel van de Bosch liet zijn hoofd zakken.
‘Dat was niet meer mogelijk,’ sprak hij zacht, bijna fluisterend. ‘Ik vond haar dood, met een stiletto tussen haar schouderbladen.’
Toen De Cock de volgende morgen de grote recherchekamer binnenstapte en zijn oude hoedje al missend naar de kapstok wierp, liet Vledder zijn rappe vingers op de toetsen van zijn elektronische schrijfmachine rusten en keek op.
‘Wat was het nu?’ vroeg hij gniffelend. ‘Had de tram vertraging of lag je vrouw weer op de slip van je hemd? Je komt elke morgen later.’
De Cock raapte zijn hoedje op en hing zijn regenjas aan de kapstok. ‘Te laat voor de sectie?’ vroeg hij verbaasd.
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Die is pas om elf uur. Bovendien heb ik mij bedacht. Ik ga toch.’
De Cock liet zich in de stoel achter zijn bureau zakken en keek zijn jonge collega peilend aan.
‘Dat is goed,’ sprak hij bewonderend. ‘Heel goed en moedig. Dat is de beste manier om je eigen problemen te lijf te gaan.’
Vledder negeerde de lof.
‘Commissaris Buitendam stond vanmorgen al vroeg naast mijn bureau,’ sprak hij somber. ‘Hij scheen nogal uit zijn humeur… ontstemd. Hij had in ieder geval een gezicht van oude lappen.’
‘En?’
‘Hij vroeg naar je.’
De Cock grijnsde. ‘Had ik zijn mis-noe-gen opgewekt?’ reageerde hij op sarcastische toon.
Vledder maakte een schouderbeweging.
‘Hij vroeg nogal cynisch of jij en ik wel wisten, dat een commissaris van politie tevens hulpofficier van justitie is!’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘En toen?’
Vledder glimlachte.
‘Toen zei hij, dat jij je onmiddellijk bij hem moest melden… zo gauw je binnenkwam.’ De jonge rechercheur monsterde het gezicht van De Cock en snoof. ‘Maar neem eerst een kop koffie, anders voorzie ik brokken.’
Commissaris Buitendam, de lange, statige chef van het bekende politiebureau aan de Amsterdamse Warmoesstraat, wenkte met een slanke hand.
‘Kom binnen, De Cock,’ sprak hij geaffecteerd, ‘en ga zitten.’ Hij kwam achter zijn bureau vandaan en gebaarde uitnodigend naar het zitje van stalen meubelen bij het raam, waar de commissaris slechts zijn prominente gasten ontving.
De grijze speurder trok zijn gezicht in een onwillige plooi. Nors, ontoegankelijk. Toenaderingen van zijn chef wees hij in de meeste gevallen koel en hooghartig van de hand. Hij had geen hekel aan zijn commissaris, maar leefde met hem toch op enigszins gespannen voet. De Cock hield dat graag zo, beducht voor elke inmenging in zijn wijze van onderzoek.
‘Als het u hetzelfde is… ik blijf liever staan.’
Op het bleke gezicht van de commissaris kwam een lichte blos. ‘Zoals je wilt.’ Hij liep terug naar zijn bureau en nam wat stijfjes plaats. Voor hij opkeek rangschikte hij op zijn bureau enige bescheiden.
Het was een pose om tijdwinst te boeken.
‘Jij behandelt samen met de jonge Vledder de beide moorden aan het Turfdraagsterpad?’
‘Inderdaad.’
‘Waarom?’
De Cock keek zijn chef verbaasd aan.
‘Waarom?’ herhaalde hij. ‘Er gingen in de buurt van de Wallen de laatste tijd allerlei geruchten over een man, die de profeet werd genoemd, en die jongeren op het rechte pad wilde brengen. Dat interesseerde mij. Toen ik een bijeenkomst van de profeet wilde bijwonen met het doel hem eens te ontmoeten, kwam daar juist het bericht dat hij was vermoord.’
Buitendam gebaarde voor zich uit.
‘Waarom heb je de zaak toen niet overgedragen aan de recherche van het bureau Lijnbaansgracht? Dat is hun competentie. Het Turfdraagsterpad behoort niet tot ons district.’
De Cock trok zijn gezicht in een ernstige plooi.
‘Ik was omtrent Sjoerd van Obergum… de vermoorde profeet… al uitgebreid geïnformeerd. Met al die voorkennis leek het mij zinvol om zelf de zaak in behandeling te nemen.’
Commissaris Buitendam liet het onderwerp rusten. Hij pauzeerde even voor het effect.
‘Ik heb gelezen dat er gisteren inzake die moorden twee aanhoudingen zijn verricht.’
De Cock knikte.
‘Karel van de Bosch, de vader van de vermoorde vrouw, en Jasper de Groot, een jongeman die ik met bebloede handen voor de woning van de vermoorde aantrof.’
Buitendam bekeek een aantekening op zijn bureau. Hij keek daarna op en schonk De Cock een flauwe glimlach.
‘Ze komen beiden,’ sprak hij minzaam, ‘op mijn lijst van arrestanten niet meer voor.’
De oude rechercheur zette zijn benen iets uit elkaar en keek zijn chef argwanend aan. Hij voelde instinctief uit welke hoek de kritiek van de commissaris zou komen. Buitendam koesterde, zo wist hij, al vele jaren ernstige bezwaren tegen het vaak eigenmachtig optreden van De Cock.
‘Van die Karel van de Bosch,’ legde de grijze speurder kalm en geduldig uit, ‘liep al geruime tijd een opsporingsbericht terzake ontucht met zijn minderjarige dochter. Ik heb hem gisteravond laat nog naar Haarlem laten overbrengen.’
Buitendam stak zijn beide handen vooruit en drukte de vingertoppen tegen elkaar.
‘En… eh, die Jasper de Groot… waar is die gebleven?’
De Cock zuchtte.
‘Die heb ik na zijn verhoor heengezonden. Ondanks dat bloed aan zijn handen vond ik de bewijskracht tegen hem onvoldoende.’
Buitendam hield zijn hoofd iets schuin.
‘Ik ben daar niet in gekend,’ sprak hij zalvend. ‘En ik meende toch, dat het wettelijk staat voorgeschreven dat elke aangehouden verdachte voor een hulpofficier van justitie moet worden geleid… ergo ter beschikking van mij moet worden gesteld, en dat ik uiteindelijk beslis wat er met hen gaat gebeuren.’
De neerbuigende toon van de commissaris maakte De Cock opstandig. Buitendam borduurde, zoals steeds, op het oude stramien van zijn bevoegdheden. Dat was in het verleden al dikwijls onderwerp van felle discussies geweest. De oude rechercheur boog zich iets naar hem toe. Op zijn brede gezicht lag een zoete grijns.
‘Ik ging er… wellicht ten onrechte… van uit, dat ik in opdracht van een verstandige politiechef handelde.’
Over de vale wangen van Buitendam gleed opnieuw een lichte blos. Hij strekte zijn rug.
‘Ik wil,’ sprak hij gebiedend, ‘dat je de behandeling van die beide moorden aan het Turfdraagsterpad overdraagt aan de recherche van het bureau Lijnbaansgracht.’
De Cock voelde hoe de woede in zijn aderen kroop. Om die onstuimige golf te onderdrukken, balde hij zijn vuisten en drukte zijn vingernagels in de palm van zijn handen.
‘Dat… eh, dat,’ stamelde hij, zich met moeite beheersend, ‘zou een uiterst domme beslissing zijn… een getuigenis van gebrek aan inzicht in het werk van de recherche. Zo’n beslissing is… volgens mij… een verstandige commissaris van politie onwaardig.’
Commissaris Buitendam stond op. Hij zag rood tot diep in zijn nek en zijn neusvleugels trilden. Bevend strekte hij zijn arm naar de deur.
‘Eruit!’
De Cock ging.
Vledder keek De Cock afkeurend aan.
‘Was het weer zover?’
‘Ja.’
‘Ik zie het aan je gezicht. Wat was er nu weer?’
De Cock ging grommend achter zijn bureau zitten.
‘Hij begon te zeuren over die beide aanhoudingen van gisteren en dat hij als commissaris in alles gekend wilde worden.’
Vledder snoof.
‘Dan komt er van geen enkele zaak iets terecht… kunnen we beter met pensioen gaan.’
De Cock trok zijn gezicht strak.
En hij wilde dat wij de zaak van de twee moorden aan het Turfdraagsterpad aan de recherche van het bureau Lijnbaansgracht zouden overdragen.’
Vledder keek hem verrast aan.
‘Hij is gek. Dat kan toch niet meer?’
De Cock glimlachte.
‘Ik heb gelukkig niet openlijk aan zijn verstandelijke vermogens getwijfeld. Ik heb hem alleen duidelijk gemaakt, dat ik het een onverstandig besluit zou vinden.’
‘En dat was voldoende?’
De Cock knikte.
‘Voldoende om mij zijn kamer af te sturen,’ sprak hij mismoedig. ‘Elk gesprek met hem eindigt in een catastrofe. Ik denk dat ik in het vervolg…’
De oude rechercheur stokte. Er werd op de deur van de recherchekamer geklopt en Vledder riep: ‘Binnen!’
De deur ging langzaam open en in de deuropening verscheen een stevig gebouwde man. Hij was gekleed in een fraai lichtblauw linnen kostuum met sokken en zomerschoenen in dezelfde kleur.
De Cock kwam achter zijn bureau vandaan en liep met uitgestoken hand op hem toe. ‘Goedemorgen, heer Laufferbach,’ jubelde hij. ‘Wat verschaft ons het genoegen van uw bezoek?’ De grijze speurder leidde hem gedienstig naar de stoel naast zijn bureau. ‘Neemt u plaats.’
De heer Laufferbach ging zitten, trok de pijpen van zijn pantalon iets op en sloeg zijn benen over elkaar.
‘Ik was vanmorgen voor zaken in de Amsterdamse binnenstad en besloot eens te informeren.’
De Cock snoof een lichte parfumgeur op en liet zich in de stoel achter zijn bureau zakken.
‘Waarnaar?’
De heer Laufferbach wuifde.
‘De stand van uw onderzoek,’ antwoordde hij opgewekt. ‘Hebt u al vorderingen gemaakt?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Weinig,’ sprak hij somber. ‘De zaak is ingewikkelder dan ik aanvankelijk vermoedde. De kring van verdachten is vrij groot… jongeren aan de zelfkant van het leven. Inmiddels is op dezelfde plek ook de vriendin van Van Obergum op een vrijwel identieke wijze om het leven gebracht.’
De heer Laufferbach sloeg zijn hand voor zijn mond.
‘Verschrikkelijk.’
De Cock knikte.
‘Het manuscript waarvan u sprak, hebben wij niet gevonden. Het is spoorloos.’
De heer Laufferbach liet zijn hoofd iets zakken.
‘Dat is heel verdrietig. Ik had gehoopt dat het terecht zou komen.’
De Cock keek de uitgever onderzoekend aan.
‘U hebt het manuscript gelezen?’
De heer Laufferbach knikte.
‘De aanvankelijke versie.’
De Cock kneep zijn wenkbrauwen samen.
‘Waar handelde het over?’
De heer Laufferbach gebaarde wat vaag voor zich uit.
‘Jongeren… kansarme jongeren, die niet in staat zijn om zich een plaats in de maatschappij te verwerven en aan misdaad en drugs ten onder gaan.’
De Cock plukte aan zijn onderlip.
‘Kwamen er in het manuscript passages voor die belastend waren? Ik bedoel: voor iemand persoonlijk? Werden er geheimen geopenbaard?’
De heer Laufferbach zuchtte.
‘Ik weet niet met wat voor figuren de heer Van Obergum zich in het dagelijks leven omringde. Ik kreeg uit zijn manuscript wel de indruk, dat hij met kennis van zaken schreef… dat hij de omstandigheden van zijn romanfiguren heel goed kende.’
De Cock strekte zijn wijsvinger in de richting van de uitgever.
‘Kent u nog een passage uit zijn manuscript… namen… bijzondere omstandigheden die hij beschreef?’
De heer Laufferbach glimlachte.
‘Dat kunt u van een uitgever niet verwachten,’ sprak hij hoofdschuddend. ‘Ik lees beroepshalve ontzettend veel… moet dat ook… maar wat blijft hangen is een soort totaalbeeld… een algehele indruk.’
De Cock boog zich iets naar de uitgever toe.
‘Als dat manuscript er was… en iemand nam het weg… pleegde misschien omwille van dat manuscript een moord… dan vormde dat manuscript voor hem of haar een groot gevaar. Gezien de risico’s die hij of zij nam… zelfs een groot gevaar.’
De heer Laufferbach knikte.
‘Dat is duidelijk.’
De Cock boog zich nog verder naar de uitgever toe.
‘Heer Laufferbach,’ sprak hij smekend, ‘u bent een ontwikkeld man… peinst u eens… tast uw geheugen af.
Er moet toch iets in dat manuscript hebben gestaan dat ook u is opgevallen… een passage die voor mij een leidraad kan zijn naar de oplossing?’
De heer Laufferbach drukte met zijn vingertoppen tegen zijn voorhoofd. ‘Ik… eh, ik herinner mij,’ sprak hij aarzelend, ‘de eerste zinnen. Het waren dichtregels van Willem Elsschot.’
De Cock keek hem hoopvol aan.
‘Dichtregels?’
De heer Laufferbach knikte met een ernstig gezicht.
‘Hij dacht,’ declameerde hij plechtig, ‘ik sla haar dood en steek het huis in brand. Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren.’