15

Toen de meute uit het appartement was verdwenen en de onaandoenlijke broeders van de Geneeskundige Dienst het lijk van Eveliena Petronella Maria de Groot hadden weggedragen, nam De Cock de situatie ter plekke nog eens in zich op.

Rechts van het raam met het fraaie uitzicht over de Realengracht, stond een breed eiken bureau met daarop een NCR-computer, een beeldscherm en een plat toetsenbord. Links daarvan prijkte een printer van het merk Hewlett Packard. En naast die ultramoderne printer tikte een ouderwets bureauklokje met romeinse cijfers traag de seconden weg.

De Cock trok de laden van het bureau één voor één open. Er waren lege mappen en stapels blanco papier. Tot zijn verbazing bevatte geen enkele lade brieven, documenten of bescheiden.

Samen met Vledder doorliep hij de andere vertrekken van het appartement. Alles zag er proper en zindelijk uit. Bijna steriel.

De Cock slenterde naar de toegangsdeur en bekeek opnieuw de stijlen en het slot. Hij kon geen enkele vorm van beschadiging vinden.

Buiten, enige meters links van de deur, stond Jasper de Groot. De jongeman leunde met zijn rug tegen de muur. Zijn hoofd hing iets voorover en zijn gezicht zag grauw. De Cock wenkte hem naderbij.

‘Heb je gezien,’ vroeg hij vriendelijk, ‘dat ze haar hebben weggedragen?’

Jasper de Groot knikte.

‘Waar brengen ze haar heen?’

‘Naar Westgaarde. Morgen wordt er bekeken of die dolksteek dodelijk was.’

Jasper de Groot keek verrast naar hem op.

‘Twijfelt u daaraan?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ik niet. Maar in onze rechtspleging geniet de verdachte nu eenmaal the benefit of the doubt.’

‘Wat is dat?’

De Cock glimlachte.

‘Het voordeel van de twijfel. Daarom willen de Heren Rechters alles zeker weten. En met die gebefte Heren heb ik als rechercheur te maken.’

De Cock wees naar de deur.

‘Zijn er buiten jou en tante Evelien nog meer mensen die een sleutel hebben van dit appartement?’

Jasper de Groot trok zijn schouders op.

‘Ik dacht het niet.’

‘Familieleden… kennissen… een werkster… ik bedoel, een interieurverzorgster?’

Jasper de Groot schudde zijn hoofd.

‘Tante Evelien bemoeide zich, net als ik, niet met de rest van de familie. Dat geeft alleen maar ellende. En voor zover ik weet had ze geen kennissen.’

‘Een werkster?’

Het idee deed de jongeman gniffelen.

‘Tante Evelien vond dat ze het beste zelf haar boeltje kon schoonhouden.’

De Cock glimlachte.

‘Ik vond jouw opmerking… op weg hierheen… over die krant op tafel heel goed. Schrander. Volgens onze lijkschouwer was tante Evelien inderdaad al ruim vierentwintig uur dood.’ De grijze speurder wees voor zich uit. ‘Als je nu die deur beziet, wat is dan jouw conclusie?’

Jasper de Groot kneep zijn lippen op elkaar.

‘Dat tante Evelien haar moordenaar zelf heeft binnengelaten.’

De Cock knikte instemmend.

‘Zij moet de man of de vrouw die haar doodde, hebben gekend?’

Jasper de Groot staarde voor zich uit.

‘Tante was van nature erg achterdochtig… vertrouwde niemand… hield de deur van het appartement altijd op slot.’

De Cock plukte aan zijn onderlip.

‘Kent iemand van het clubje van de profeet jouw tante? Heb je wel eens een van hen meegenomen om met haar kennis te maken?’

Jasper de Groot schudde zijn hoofd.

‘De jongens en meiden van het clubje wisten dat ik een tante had, bij wie ik in geval van nood kon aankloppen. Maar dat is alles. Ik heb nooit haar naam genoemd. Ik heb ook nooit iemand van het clubje met haar in contact gebracht.’

‘Anderen?’

Jasper de Groot staarde opnieuw voor zich uit. Om zijn mond speelde een glimlach. ‘Ik heb tante Evelien altijd zoveel mogelijk voor mijzelf gehouden. Begrijpt u? Ik wilde haar niet graag met anderen delen.’

De Cock legde vertrouwelijk een hand op zijn schouder. ‘Ga mee naar binnen,’ sprak hij vriendelijk. ‘Misschien zie jij of er iets is verdwenen of veranderd.’

Schoorvoetend liep Jasper de Groot voor hem uit. Samen liepen ze de vertrekken door. De jongeman keek om zich heen, maar reageerde niet.

In de kamer met het fraaie uitzicht wees Jasper de Groot naar het glanzende parket.

‘Daar lag ze,’ sprak hij somber, ‘net als Barbara… een stiletto in haar rug.’

De Cock boog zijn hoofd. Uit piëteit zweeg hij een paar seconden. Toen wendde hij zich weer tot de jongeman.

‘Kijk eens goed… valt je iets op?’

Jasper de Groot schudde zijn hoofd.

‘Ik kwam nooit in haar werkkamer. Dat had ze liever niet.

Als ik kwam, sloot ze die kamer altijd af… bang dat ik ergens aan zou komen.’

De Cock trok denkrimpels in zijn voorhoofd.

‘Wat deed tante Evelien?’

‘U bedoelt of ze werkte?’

‘Ja.’

Jasper de Groot gebaarde om zich heen.

‘Ze zat altijd hier. Volgens mij kwam ze nooit de deur uit. Misschien één- of tweemaal in de week om boodschappen te doen. Maar verder…’

De Cock toonde enig ongeduld.

‘Maar als ze hier zat… wat deed ze dan?’

Jasper de Groot trok zijn schouders op.

‘Dat weet ik niet,’ reageerde hij wrevelig. ‘Ik heb haar dat nooit gevraagd. Het interesseerde mij ook niet zoveel.’

‘Was ze rijk?’

Jasper de Groot tuitte zijn lippen.

‘Dit appartement was van haar… heeft ze een paar jaar geleden gekocht. Maar of ze verder nog bezittingen heeft, weet ik niet.’

De Cock zuchtte en liet zijn blik nog eens door de kamer dwalen. Op een plank boven de printer stonden achttien lijvige delen van een encyclopedie. Een driedelige Dikke Van Dale lag binnen handbereik. De woordenboeken toonden sporen van veelvuldig gebruik.

Vledder ging achter het eiken bureau zitten en drukte op een paar knoppen. De computer begon te snorren en het beeldscherm lichtte op.

De Cock deed haastig een stap dichterbij.

‘Wat doe je?’ riep hij geschrokken.

Vledder draaide zich half om.

‘Kijken of er op de harde schijf bestanden staan.’

‘Wat zijn bestanden?’

Vledder lachte.

‘Dat zijn in het geheugen van de computer ingevoerde gegevens.’ De jonge rechercheur wuifde om zich heen. ‘Ik heb overal gekeken, maar ik heb nergens floppy’s kunnen ontdekken.’

Vledder monsterde het beteuterde gezicht van De Cock.

‘Floppy’s zijn schijfjes waarop men gegevens kan aanbrengen en bewaren.’

De grijze speurder fronste zijn wenkbrauwen.

‘Moeten… moeten die er volgens jou wel zijn?’ vroeg hij weifelend.

Vledder knikte.

‘Het is gebruikelijk,’ legde hij uit, ‘om bepaalde bestanden op een floppy over te brengen. Zo’n floppy kun je anderen toesturen, die het bestand dan via hun eigen computer kunnen bekijken.’

De Cock keek hem onderzoekend aan.

‘Hoe weet je dat allemaal?’ vroeg hij onzeker.

Vledder wees voor zich uit.

‘Ik heb sinds een paar maanden zelf een peecee… een personal computer… voor een zacht prijsje overgenomen van een kennis. Die heeft mij geleerd hoe je met zo’n apparaat om moet gaan.’

‘Dat heb je mij nooit verteld.’

Vledder maakte een schouderbeweging.

‘Ik dacht niet dat jij je voor moderne elektronika interesseerde. Op de Kit laat jij mij altijd al het schrijfwerk doen. Ik kan mij niet herinneren, dat ik jou ooit achter onze elektronische schrijfmachine heb zien zitten.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Dat ding gromt tegen me,’ reageerde hij knorrig. De oude rechercheur liet het onderwerp rusten. Hij plukte nadenkend aan het puntje van zijn neus.

‘Om op die… eh, die floppy’s terug te komen. Het is dus denkbaar,’ formuleerde hij voorzichtig, ‘dat de moordenaar van tante Evelien hier is gekomen om… eh, om floppy’s weg te nemen?’

Vledder knikte nadrukkelijk.

‘Als op die floppy’s bestanden voorkomen, die voor iemand van groot belang zijn, kan dat best een motief voor moord opleveren.’

De Cock wees naar het beeldscherm.

‘Staan er bestanden op die… eh, die harde schijf?’

Vledder grinnikte.

‘Als jij mij steeds aan de praat houdt, dan kom ik niet ver.’ De jonge rechercheur boog zich voorover en liet zijn rappe vingers over het toetsenbord glijden. ‘Ik hoop dat tante Evelien bij haar werk MS DOS gebruikte met Word Perfect als tekstverwerker.’

De Cock drukte de vingertoppen van zijn beide handen tegen zijn voorhoofd. Het woord tekstverwerker trof hem. Het resoneerde tegen zijn schedeldak. Gespannen keek hij naar een lange rij woorden op het scherm. Ineens priemde hij de wijsvinger van zijn rechterhand vooruit.

‘Daar?’

‘Wat?’

De Cock hield zijn vinger op het scherm.

‘Blaisse.’ Hij ademde diep. ‘En daar… Obergum… wat betekent dat?’

Vledder gebaarde voor zich uit.

‘Dat is een bestand.’

‘Kun je dat laten zien?’

Vledder knikte.

‘Even wachten.’ Zijn vingers gleden weer over de toetsen. De rij woorden verdween en op het scherm verscheen een tekst. De jonge rechercheur boog zich voorover en las met een beverige stem: ‘Weglaten de eerste regels: Hij dacht ik sla haar dood en steek het huis in brand. Maar doodslaan deed hij niet want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren.’


De Cock had moeie voeten. Plotseling voelde hij ze. Het was op hetzelfde moment dat Vledder, terugkomend van de derde gerechtelijke sectie op een rij, met licht gebogen hoofd de grote recherchekamer binnenstapte. Het beeld van de jonge rechercheur had iets ontmoedigends.

De Cock leunde ver in zijn stoel achterover en legde zijn voeten op een hoek van zijn bureau. Met een van pijn vertrokken gezicht bevoelde hij zijn kuiten. Het was alsof geniepige kleine duiveltjes uit pure boosaardigheid met duizend scherpe spelden in zijn kuiten prikten. Hij kende de pijn, die uit de holten van zijn voeten kwam, langs zijn hielen omhoog trok en zich vastzette in zijn kuiten. Hij wist ook wat die pijn betekende. Telkens als de zaken slecht verliepen, als hij het machteloze gevoel had volkomen in het duister te tasten, gaven die helse duiveltjes acte de présence.

Vledder nam in zijn stoel achter zijn bureau plaats en keek zijn oudere collega bezorgd aan.

‘Zijn ze er weer?’

De grijze speurder knikte en sloot zijn ogen. Minutenlang bleef hij zo zitten. Zijn markant gezicht leek een stalen masker. Om de pijn te verdrijven zette hij zijn tanden in zijn onderlip. ‘Het trekt alweer wat weg,’ sprak hij mat.

Vledder keek hem droevig aan.

‘Is het werkelijk zo erg?’

‘Wat?’

Vledder wees naar de voeten van De Cock op de rand van zijn bureau. ‘Ik bedoel die… eh, die kleine duiveltjes in je kuiten… zie je er echt geen gat meer in. Een paar dagen geleden was je nog zo hoopvol… was je er absoluut van overtuigd, dat wij samen deze vreemde moordzaak tot klaarheid zouden brengen.’

De Cock antwoordde niet direct. Hij tilde zijn benen voorzichtig van zijn bureau. Zijn gezicht stond somber. ‘Ik denk dat mijn moeie voeten daar nu anders over denken.’

Vledder lachte.

‘Denk jij met je voeten?’

De Cock lachte niet. De oude rechercheur trok diepe rimpels in zijn voorhoofd.

‘De moord op tante Evelien past er niet in.’

‘Hoe bedoel je?’

De oude rechercheur boog zich iets naar voren.

‘Voor de moord op Barbara en haar profeet zijn genoeg motieven te vinden. Maar de relatie Barbara, de profeet en tante Evelien is voor mij alsnog een raadsel. Tante Evelien heeft nooit contact met die twee gehad. De enige schakel is haar neef Jasper de Groot.’

‘En die zie jij niet als dader?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Naar mijn gevoel had Jasper de Groot er alle belang bij, dat zijn tante in goede welstand bleef. Zij was zijn enige houvast.’

Vledder grijnsde.

‘Het is natuurlijk wel toevallig, dat Jasper de Groot de jongeman was, die zowel Barbara als zijn tante Evelien vermoord aantrof.’

De Cock zuchtte.

‘Toeval… en niet meer dan dat.’ Hij wreef nadenkend over zijn kin. ‘Er rest maar één mogelijkheid: we moeten terug naar die computer.’

‘Het bestand Obergum.’

De Cock knikte.

‘Hoe komen die twee dichtregels van Willem Elsschot… de begintekst van het verdwenen manuscript… in de computer van tante Evelien en wat betekent de aanduiding weglaten?’

Vledder maakte een hulpeloos gebaartje.

‘Kunnen we aannemen dat tante Evelien dat manuscript van de profeet heeft gestolen… en hem en passant heeft vermoord?’

De Cock schudde zijn hoofd. Daarna stak hij zijn beide handen trillend vooruit. ‘Eén ding is zeker: tante Evelien moet dat verdwenen manuscript onder ogen hebben gehad.’

Vledder trok een bedenkelijk gezicht.

‘En zelf tot de overtuiging zijn gekomen,’ vroeg hij aarzelend, ‘dat zij die twee dichtregels van Willem Elsschot beter kon weglaten?’

De Cock schudde opnieuw zijn hoofd.

‘Het lijkt er veel meer op, dat iemand haar op een of andere manier de opdracht gaf om die dichtregels niet te gebruiken.’

Vledder hijgde.

‘De man of vrouw, die het manuscript van de profeet had gestolen.’

De Cock staarde enige tijd strak voor zich uit.

‘Die foto,’ riep hij plotseling, ‘die foto, die Bram van Wielingen heeft gemaakt van de krabbels op het behang achter het bed van Sjoerd van Obergum… heb je die bij de hand?’

Vledder boog zich voorover en trok een lade van zijn bureau open. Hij nam daaruit een bruine enveloppe met foto’s. Na enig zoeken vond hij de juiste opname en gaf die aan De Cock.

De oude rechercheur bekeek de foto aandachtig.

‘De tekst op het behang is bijna niet te lezen. Vraag aan onze Fotografische Dienst of ze deze foto zo sterk voor ons uitvergroten, dat die tekst wel duidelijk te onderscheiden is.’

Vledder keek hem niet-begrijpend aan.

‘En dan?’

De Cock kwam opmerkelijk kwiek uit zijn stoel overeind. De grillige accolades rond de mond van de grijze speurder bewogen speels.

‘Dan gaan we samen terug naar de computer van tante Evelien de Groot. Ik heb namelijk nog een bestand gezien: Blaisse.’

Загрузка...