De Cock keek naar de jonge vrouw naast zich aan zijn bureau. Hij had haar in de woning van de vermoorde profeet niet nader willen verhoren. Emotioneel was dat naar zijn gevoel geen juiste plek. Daarom had hij haar door Vledder naar het politiebureau aan de Warmoesstraat laten brengen.
Nadat Ben Kreuger, de dactyloscoop, met een rijke oogst aan vingerafdrukken was vertrokken, had hij de woning aan het Turfdraagsterpad zorgvuldig afgesloten en verzegeld. Hij wilde de volgende dag beslist teruggaan om opnieuw de sfeer te ondergaan en de omstandigheden te analyseren. De enorme ravage in de woning van de profeet zinde hem niet. Het was te overdreven, te nadrukkelijk. Bovendien waren er dissonanten in het aangerichte decor.
De oude rechercheur liet zijn blik nog eens over de jonge vrouw glijden, haar lange zwarte haren, de olijfkleurige huid van haar gelaat. De Cock schatte haar op rond de vijfentwintig jaar… wellicht jonger. Hij bedacht wat haar verhouding was geweest met de vermoorde profeet. Maar dat vroeg hij haar niet.
‘Barbara?’
De jonge vrouw knikte.
‘Barbara,’ herhaalde ze peinzend, ‘zo noemde de profeet mij… nadat hij mij had bevrijd.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Bevrijd… waarvan… van wie?’
De jonge vrouw boog zich iets naar voren.
‘Mijn echte naam is Belinda… Belinda van de Bosch. Ik kom oorspronkelijk uit Haarlem. Daar ben ik geboren en daar heb ik tot voor kort gewoond. Mijn moeder stierf toen ik vijftien jaar was. Door mijn vader ben ik in de prostitutie terechtgekomen. Hij hield mij min of meer gevangen in een kamertje en dwong mij om daar mannen te ontvangen.’ Ze zuchtte diep. ‘Tot Sjoerd mij uit zijn klauwen bevrijdde en mij tot zijn volgeling maakte.’
‘Waarom Barbara?’
De jonge vrouw glimlachte.
‘Sint Barbara was een martelares uit Nicomedië in Klein-Azië. Volgens de legende was zij slachtoffer van haar vader. Die liet haar om haar christelijk geloof in een toren opsluiten en martelen.’
‘Vandaar Barbara?’
Belinda van de Bosch knikte.
‘Sjoerd zag enige gelijkenis tussen mij en de Heilige Barbara… wij waren allebei gevangene van onze vader.’
De Cock liet het onderwerp rusten.
‘U hebt de profeet in Haarlem leren kennen?’
Belinda van de Bosch knikte opnieuw.
‘Sjoerd had daar met veel elan een kleine, doch hechte gemeente gesticht. Maar hij kreeg moeilijkheden met de jeugdpolitie van Haarlem, omdat ook minderjarigen tot zijn volgelingen gingen behoren en sommige ouders daar bezwaar tegen maakten. Vader Ambrosius heeft hem toen overgehaald om naar Amsterdam te komen.’
‘En u ging mee?’
‘Ja.’
‘En leefde met hem samen?’
Belinda van de Bosch reageerde fel. Haar lichtgroene ogen vonkten.
‘Daar was niets oneerbaars aan.’
De Cock maakte een afwerend gebaartje.
‘Dat beweer ik ook niet,’ sprak hij verontschuldigend. ‘Maar aan mij is de taak om de moordenaar van de profeet te vinden. En daarom is het nodig dat ik de relaties…’
Belinda van de Bosch trok haar gezicht strak.
‘Ik heb de profeet niet vermoord,’ onderbrak ze nors. ‘Ik hield van hem.’
De Cock glimlachte.
‘Het één sluit het ander niet uit.’ De oude rechercheur wachtte haar reactie niet af. ‘Hoe kwam de profeet aan zoveel geld?’
‘Gewonnen.’
De Cock keek haar verwonderd aan.
‘Waarmee?’
Belinda van de Bosch zwaaide geagiteerd.
‘In de loterij… de staatsloterij.’
De Cock trok een grijns.
‘De profeet gokte?’
Het klonk spottend.
Belinda van de Bosch schudde haar hoofd.
‘Sjoerd,’ legde ze geduldig uit, ‘leidde een clubje van kansarme jongeren. Het clubje kwam tweemaal per week bij ons thuis bijeen om te praten over het leven… over de zin daarvan. Sjoerd maakte hen steeds weer duidelijk dat God barmhartig is… vol liefde en… al is dat niet altijd even duidelijk waarneembaar… dat hij het toch goed met hen meent. Op een dag zei lange Peter… een van de jongeren van het clubje… dat God dat maar eens moest bewijzen en hij stelde voor om wat geld bijeen te scharrelen en van dat geld gezamenlijk een lot in de staatsloterij te kopen. Als God werkelijk het beste met hen voor had, dan moest op dat lot wel een prijs vallen.’
De Cock trok rimpels in zijn voorhoofd.
‘En ging de profeet daarop in?’
In zijn stem trilde ongeloof.
Belinda van de Bosch knikte nadrukkelijk.
‘Sjoerd was ervan overtuigd dat God zijn geloof in Hem niet zou beschamen.’
De Cock kneep zijn ogen even dicht.
‘En op dat lot,’ sprak hij zuchtend van verbazing, ‘viel een prijs van vijftigduizend gulden.’
‘Precies.’
‘En iedereen wist van die prijs?’
‘Ja.’
‘Hoe?’
Belinda van de Bosch verschoof iets op haar stoel.
‘Sjoerd beschouwde de prijs als een vingerwijzing Gods,’ sprak ze gedragen. ‘Een bevestiging van zijn geloof in Hem.’ Ze zweeg even en staarde voor zich uit. ‘Een dag na de trekking van het winnende lot,’ ging ze verder, ‘zijn Sjoerd en ik naar Den Haag gereisd en hebben het geld opgehaald.’
‘In contanten?’
‘Ja… vijftig bankbiljetten van duizend gulden.’
‘Gevaarlijk.’
Belinda van de Bosch keek naar hem op.
‘Waarom?’
De Cock streek met zijn rechterhand over zijn grijze haren en bedacht dat een uitleg geen zin had.
‘En toen?’
Belinda van de Bosch vouwde devoot haar handen.
‘Daarna heeft Sjoerd het clubje bijeengeroepen. De samenkomst was heel plechtig en ook heel inspirerend. Het was alsof de Heilige Geest in ons midden was. We hebben het vele geld aan de jongeren laten zien… uitgespreid op tafel… vijftigduizend gulden. Daarna hebben wij samen gebeden en God onze dank betuigd.’
De Cock zweeg. Het relaas van de jonge vrouw had hem diep getroffen. Het leek op een verhaal uit zo’n dun boekje, dat hij als jochie samen met een mandarijn vol pitten en een rood sterappeltje tijdens het kerstfeest op de zondagsschool kreeg uitgereikt.
‘Wat was Sjoerd… de profeet, van plan om met dat vele geld te doen?’ vroeg hij na een poosje.
Belinda van de Bosch keek hem aan. Devotie straalde van haar gezicht. ‘Toen Onze Lieve Heer nog op aarde was, vertelde hij parabels. In de meeste geloofsgemeenschappen worden ze gelijkenissen genoemd. Eén van die parabels is de gelijkenis der talenten. Het gaat over een heer, die zijn knechten geld in bewaring geeft.’
De Cock glimlachte.
‘Met talenten moet men woekeren.’
Belinda van de Bosch knikte instemmend.
‘Sjoerd heeft die parabel aan het clubje uitgelegd en gezegd dat hij ongeveer net zo zou handelen als de heer uit die gelijkenis.’
De Cock keek haar schuins aan.
‘U bedoelt dat hij het geld niet gelijkelijk onder hen zou verdelen?’
Belinda van de Bosch schudde haar hoofd.
‘Niet ineens. Het lag in de bedoeling van Sjoerd om hen telkens een bepaalde som geld te geven en na verloop van enige tijd aan hen te vragen, wat zij met het geld hadden gedaan.’
‘Of ze met hun talenten hadden gewoekerd?’
Belinda van de Bosch maakte een gebaar van wanhoop.
‘De meeste van die jongeren hebben nooit geleerd om met geld om te gaan. Dat wilde Sjoerd ze bijbrengen. Ze moesten het geld beschouwen als een geschenk van Onze Heer en in zijn geest ermee omgaan.’ De jonge vrouw liet haar hoofd zakken. Haar lange zwarte haren gleden als een gordijn voor haar gezicht. Ze snikte. ‘Het heeft niet zo mogen zijn.’
De Cock liet haar begaan en keek toe hoe haar lichaam schokte. Zijn rechterhand strekte zich troostend naar haar uit, maar bereikte haar niet. De oude rechercheur trok die hand halverwege terug. Zijn achterdochtig politiebrein bedacht dat de onschuld van Belinda van de Bosch niet bij voorbaat vaststond… dat hij bij haar niet de gedachte wilde vestigen, dat hij haar verhaal onvoorwaardelijk geloofde.
De telefoon op zijn bureau rinkelde. Vledder boog zich naar voren en greep de hoorn. Hij maakte enige aantekeningen en legde de hoorn weer op het toestel terug.
De Cock keek hem aan.
‘Wie was het?’
‘Ben Kreuger. Hij vond de vingerafdruk op de knop van de bewuste lade van het houten cilinderbureau zo fraai, dat hij die onmiddellijk heeft geclassificeerd.’
‘En?’
Vledder keek op zijn notitie.
‘Hij is van Peter Zandvliet.’
Belinda van de Bosch zat met een ruk rechtop.
‘Peter Zandvliet,’ herhaalde ze geschrokken.
Vledder knikte.
‘Zo heet hij.’
De mond van de jonge vrouw gleed open.
‘Lange Peter… de bedenker van het lot.’
Vledder stapte de grote recherchekamer binnen. De Cock keek vragend naar hem op.
‘Waar heb je haar ondergebracht?’
De jonge rechercheur gebaarde achter zich.
‘In de Warmoesstraat bij de zusters Augustinessen van Sint Monica.’
‘Was ze welkom?’
Vledder lachte.
‘Van harte. Ze zijn de liefste Zusters die ik ken. Voor zover ik weet hebben wij nog nooit tevergeefs een beroep op hen gedaan.’
‘Wilde Belinda van de Bosch niet naar het huis van Vader Ambrosius?’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Ik heb het haar wel voorgesteld, maar ze was bang dat ze dan al die verschrikkingen… die emoties van vanavond opnieuw zou beleven.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Heeft Belinda van de Bosch nog iets tegen jou gezegd… iets opgemerkt?’
Vledder spreidde zijn beide handen.
‘Ze vroeg of wij de jongeling “zachtkens” wilden behandelen.’
‘Ze bedoelde Peter Zandvliet?’
Vledder knikte. ‘Ze had hem in haar hart al vergeven, zei ze.’
De Cock staarde voor zich uit. Zijn breed gezicht was een stalen masker. ‘Ik weet het,’ verzuchtte hij. ‘Zeventig maal zevenmaal.’
Een tijdlang zwegen ze. Boven hun hoofden zoemde een defecte tl-balk en buiten in de Warmoesstraat zong een dronken sloeber een droevig lied van een verloren liefde. Het waren de geluiden die bij de grote recherchekamer hoorden, wanneer de nacht de oude binnenstad in haar armen sloot. De oude rechercheur vroeg zich af of hij die geluiden zou missen… over een paar jaar als de pensioengerechtigde leeftijd hem dwong om zijn plek achter zijn bureau op te geven.
Vledder verbrak zijn overpeinzingen.
‘Ik heb zijn huidige adres van Belinda van de Bosch gekregen. Ze wist dat uit haar hoofd. Zullen we hem vannacht nog arresteren?’
‘Wie?’
‘Peter Zandvliet.’
De Cock schudde zijn hoofd. ‘Ik weet niet,’ sprak hij weifelend, ‘of ik wel zo snel tot zijn arrestatie zal overgaan.’
Vledder keek hem verrast aan.
‘Waarom niet?’ vroeg hij verbaasd. ‘Ben Kreuger was heel beslist. De vingerafdruk op de ladeknop was van Peter Zandvliet. Daarover bestond, volgens hem, geen enkele twijfel.’
De Cock knikte traag voor zich uit.
‘Die twijfel heb ik ook niet,’ sprak hij nadenkend. ‘Maar in die woning van Sjoerd van Obergum aan het Turfdraagsterpad wemelde het van de vingerafdrukken. Ben Kreuger vond steeds weer nieuwe greepjes… overal… aan de ramen, aan de deuren, de deurstijlen, aan dat houten cilinderbureau. Ik heb niet het idee dat Belinda van de Bosch en haar profeet veel aan interieurverzorging deden.’
Vledder grijnsde.
‘Ze waren viespeuken?’
De Cock maakte een schouderbeweging.
‘Dat is wat overdreven,’ antwoordde hij vergoelijkend, ‘maar kraakzindelijk waren ze niet. Dat paste volgens mij ook niet bij hun stijl van leven.’
Vledder gebaarde heftig.
‘Maar die gevonden vingerafdruk zat wel op de knop van de lade waarin dat vele geld werd bewaard. Die jongen zal ons toch verrekt goed duidelijk moeten maken waarom hij met zijn handen aan die lade heeft gezeten.’
De Cock knikte instemmend.
‘Zeker… en als hij daarvoor een aannemelijke verklaring heeft, arresteer ik hem niet.’
‘Niet?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Het clubje waartoe hij behoorde, kwam tweemaal per week in de woning van de profeet bijeen. Het is heel goed mogelijk dat zijn vingerafdruk niet recent op die knop terecht is gekomen, maar al dateert van een vorig bezoek. Dan heeft die vingerafdruk als bewijsvoering geen enkele waarde meer.’
Vledder grinnikte vreugdeloos.
‘De vingerafdrukken van Peter van Zandvliet komen in ons bestand voor,’ betoogde hij hartstochtelijk. ‘Begrijp dat goed. Anders had Ben Kreuger ze niet zo snel kunnen identificeren. Die jongen heeft ongetwijfeld een strafblad… wie weet… misschien wel voor inbraak… voor moord. Onze huidige rechters zijn barmhartig als het jongeren betreft.’
De Cock zuchtte.
‘Ik denk dat alle leden van het clubje van de profeet in onze administratie zijn terug te vinden. Ik wil eerst een overzicht hebben van…’
Vledder onderbrak hem.
‘Zal ik zijn strafblad opvragen?’
De Cock keek omhoog naar de klok boven de toegangsdeur van de grote recherchekamer. Het was tien over halfeen. De grijze speurder stak zijn beide armen rekkend omhoog. Zijn stramme botten kraakten een protest.
‘Morgen,’ kreunde hij, ‘morgen is er weer een dag.’
Langzaam kwam de oude rechercheur uit zijn stoel overeind en sjokte naar de kapstok.
Achter hem rinkelde de telefoon op zijn bureau. Vledder reikte ver naar voren en nam de hoorn op. Al na enkele seconden legde hij de hoorn op het toestel terug.
De Cock draaide zich om.
‘Wie was het?’
‘Jan Kusters.’
‘En?’
‘Beneden aan de balie van de wachtcommandant staat Belinda van de Bosch. Ze heeft een lange jongeman bij zich en wil nu onmiddellijk met ons praten.’
De Cock keek hem onderzoekend aan.
‘Een lange jongeman?’
Vledder knikte.
‘Peter Zandvliet.’