Vledder keek De Cock verrast aan.
‘Hij zag hem van de trap komen?’
‘Inderdaad.’
‘Kende die Jasper de Groot de vader van Belinda van de Bosch?’
De grijze speurder knikte.
‘Belinda… of Barbara, had Jasper de Groot enige dagen geleden een man aangewezen, die aan de andere kant van de smalle Achterburgwal in een voor hen tegenovergestelde richting liep. Ze had zich toen achter Jasper verscholen en gefluisterd: “Dat is mijn vader. Hij wil dat ik weer voor hem ga werken.”’
Vledder reageerde verwonderd.
‘Belinda van de Bosch wist dus, dat haar vader achter haar aan zat.’
De Cock knikte.
‘Ik neem aan dat ook de profeet dat heeft geweten. Het zou mij zelfs niet verbazen als vader Van de Bosch het tweetal persoonlijk heeft bedreigd.’
‘Hoe reageerde Jasper de Groot? Vond hij het niet vreemd dat Belinda van de Bosch zich voor haar vader verschool?’
De Cock schoof zijn onderlip vooruit.
‘Toen de man uit het gezicht was verdwenen, had Jasper de Groot haar gevraagd wat voor werk het was dat haar vader van haar verlangde. Maar op die vraag had Barbara niet willen antwoorden.’
Vledder grijnsde.
‘Prostitutie.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik denk,’ sprak hij somber, ‘dat Belinda van de Bosch haar verleden liever niet wilde oprakelen.’
De jonge rechercheur boog zich iets naar voren.
‘Wat heb je,’ vroeg hij belangstellend, ‘na het verhoor met die Jasper de Groot gedaan?’
‘Vrijgelaten.’
Vledder trok zijn wenkbrauwen samen.
‘Geloof je zijn verhaal?’
De Cock reageerde niet direct. De grijze speurder staarde nadenkend voor zich uit. ‘We hadden,’ antwoordde hij na enige tijd, ‘Peter Zandvliet kunnen arresteren omdat zijn vingerafdruk op de knop van de geldlade stond. We hadden Erik Voogd kunnen arresteren voor zijn aanwezigheid in de woning van de profeet en ik had Jasper de Groot vast kunnen houden voor het bloed aan zijn handen.’ De oude rechercheur maakte een hulpeloos gebaartje. ‘Maar wanneer je in ons werk louter op feiten afgaat, kom je lang niet altijd tot de waarheid.’
Vledder grinnikte.
‘Hoe dan wel?’
De Cock streek met zijn pink over de rug van zijn neus.
‘Er moet in je gevoel… in je hart ook iets van zekerheid gaan gloren… een overtuiging dat je de juiste man of vrouw voor je hebt.’
‘En zover ben je niet?’
De Cock schudde grijnzend zijn hoofd.
‘Nog lang niet.’
Een poosje luisterden ze zwijgend naar het zoemen van de defecte tl-balk boven hun bureaus.
Vledder gebaarde voor zich uit.
‘Het bloed aan de handen van Jasper de Groot… was dat van Belinda?’
‘Dat zal men in het laboratorium moeten vaststellen. Het bloed is door de politiedeskundige van zijn handen gekrabd. Hij heeft ook het nagelvuil meegenomen. Van Belinda hebben we nog geen bloedmonsters. Maar persoonlijk twijfel ik er niet aan… het bloed aan de handen van Jasper de Groot is van Belinda.’
Het gezicht van de jonge Vledder verstarde plotseling. Hij stak zijn kin iets omhoog en schudde zijn hoofd.
‘Ik ga morgen niet naar haar sectie,’ sprak hij resoluut. ‘Beslist niet. Dat… eh, dat breng ik niet op. Als dokter Rusteloos morgen het mes in haar zet, dan… eh, dan…’ Hij maakte zijn zin niet af.
De Cock keek zijn jonge collega met samengeknepen wenkbrauwen onderzoekend aan.
‘Hoe is het met je?’
Vledder schonk hem een matte glimlach.
‘Toen jij mij uit de slaapkamer van de profeet stuurde, ben ik niet direct naar de Kit gegaan. Ik ben vanaf het Turfdraagsterpad gaan wandelen. Ik weet niet eens meer precies waar ik heb gelopen… hoe lang ik heb rondgedoold. Ik kon er niets aan doen. Ik had behoefte aan frisse lucht. Het was mij echt allemaal even te veel.’
De Cock knikte.
‘Ik begrijp het,’ sprak hij zacht.
Vledder zuchtte diep.
‘Ik heb er zelfs een moment over gedacht om maar bij de politie weg te gaan. Waarom zou ik… net als jij… mijn hele leven in de duistere problemen van anderen moeten wroeten?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Niet weglopen,’ sprak hij sussend. ‘Dat mag je niet doen. Voor dit soort werk zijn nu eenmaal mensen nodig.’ De oude rechercheur gniffelde. ‘En ik vind dat wij beiden het niet eens zo slecht doen.’
Het klonk warm, meelevend.
Het gezicht van Vledder klaarde iets op. Hij maakte een breed gebaar in de richting van het raam.
‘Zo’n meisje,’ sprak hij opgewonden, ‘zo’n meisje als Belinda van de Bosch… heeft een treurig leven achter de rug… dan komt er een jongeman, die haar liefde en geloof schenkt… Die jongeman, Sjoerd van Obergum, vindt op een gruwelijke manier de dood… en nog geen dag later zie je ook dat meisje met een plas bloed op haar rug vermoord voor je liggen.’
De jonge rechercheur spreidde in een gebaar van wanhoop zijn beide handen. ‘En dat alles moet ik emotieloos accepteren?’
De Cock antwoordde niet. Ook hij had er in zijn jonge jaren als rechercheur aan moeten wennen, dat dagelijks karrenvrachten vol smartelijke novellen aan hem voorbijtrokken.
En hij had nog dikwijls moeite met al dat leed. Alleen had hij in de loop der jaren geleerd om aanstormend verdriet en smart te onderdrukken. Het had geen zin om die openlijk te uiten. Daar was niemand mee gebaat.
Hij keek op. De grillige accolades langs zijn mond plooiden zich tot een glimlach.
‘Morgen…’ sprak hij vriendelijk, ‘morgen ga ik voor jou naar de sectie. Ik wil onze Rusteloos wel weer eens aan het werk zien.’ De oude rechercheur stak zijn wijsvinger omhoog. ‘Alleen dit keer.’
Vledder probeerde te lachen. Het werd niet meer dan een droevige grijns.
De telefoon op het bureau van De Cock rinkelde.
Vledder reikte ver naar voren, nam de hoorn op en luisterde. Met een trek van verbazing op zijn gezicht legde hij na een tiental seconden de hoorn op het toestel terug.
‘Het was de wachtcommandant,’ sprak hij hees.
‘En?’
‘Twee agenten hebben op aanwijzing van een jongeman een verdachte aangehouden terzake moord.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Welke moord?’
‘De moord op Barbara… Belinda van de Bosch.’
De Cock hield zijn hoofd iets schuin.
‘En die verdachte?’
Vledder zakte op zijn stoel terug.
‘Karel van de Bosch… haar vader.’
Jasper de Groot kwam met een rood hoofd de grote recherchekamer binnenstormen. Hijgend bleef hij voor het bureau van De Cock staan. ‘Hij is binnen,’ riep hij opgewonden. ‘Hij is binnen. Ik zag hem lopen op het Oudekerksplein en toen heb ik twee dienders aangeklampt en die hebben hem opgepakt en meegenomen.’
De Cock keek naar de jongeman op.
‘De vader van Barbara?’
Jasper de Groot knikte.
‘Ze zijn hem beneden aan het pellen.’
‘Fouilleren.’
Jasper de Groot glimlachte.
‘Dat bedoel ik. En ik weet nu ook wat hij van haar wilde.’
‘Nou?’
‘Ze moest voor hem de hoer spelen.’
De Cock reageerde quasi verrast.
‘Hoe kom je daarbij?’
Jasper de Groot gebaarde heftig.
‘Dat heeft Barbara aan Erik Voogd verteld. De profeet heeft haar in Haarlem achter het raam vandaan gehaald. En daar had de vader van Barbara zwaar de pest over in.’
‘Je bedoelt dat haar vader dat geen prettige ontwikkeling vond.’
Jasper de Groot grijnsde.
‘U weet best wat ik bedoel.’ Hij zweeg even. ‘Misschien heeft die vent niet alleen Barbara, maar ook de profeet vermoord en… eh, en heeft hij ons geld gejat.’
De Cock glimlachte.
‘We zullen het onderzoeken.’ Hij kwam uit zijn stoel overeind en stak de jongeman zijn hand toe. ‘Bedankt voor je medewerking.’
Jasper de Groot drukte zijn hand en liep naar de deur. Halverwege bleef de jongeman staan, draaide zich om en liep terug.
‘Is… eh, is er nog een beloning?’ vroeg hij schuchter.
Het gezicht van De Cock betrok. Zijn ogen schoten vuur. Hij strekte zijn arm naar de deur.
‘Eruit!’ riep hij kwaad.
Jasper de Groot ging. Onbegrepen.
Twee dienders brachten hem de grote recherchekamer binnen: een korte, wat corpulente man met een terugwijkende zwarte haardos.
De Cock schatte hem op rond de vijftig jaar. De man hield zijn pantalon met beide handen boven aan de broeksrand vast, omdat die anders op zijn voeten zakte. Zijn stropdas en broeksriem had men hem bij het fouilleren afgenomen.
De oude rechercheur liet de man op de stoel naast zijn bureau plaatsnemen en keek hem nog eens aan. Hij had kleine, groene, priemende ogen, die achter hoog oplopende jukbeenderen verscholen leken te zijn. De Cock zocht naar overeenkomsten, familietrekken met Belinda, maar vond die niet.
Een van de agenten overhandigde hem een proces-verbaal.
‘Gezien de verklaring van die Jasper de Groot,’ legde hij uit, ‘hebben we hem maar aangehouden terzake moord c.q. doodslag. We hebben nog gedacht aan zware mishandeling de dood ten gevolge hebbende, maar dat moet u zelf maar bekijken.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Heeft hij zich nog verzet?’
De diender schudde zijn hoofd.
‘Hij liep rustig met ons mee. Hij zei alleen: “jullie zitten verkeerd”.’
De Cock glimlachte.
‘Dat is ons noodlot.’
Toen de beide agenten van de recherchekamer waren vertrokken, nam De Cock het proces-verbaal ter hand.
‘U bent Karel van de Bosch?’ opende hij.
‘Ja.’
‘Woonachtig in Haarlem in de Slachthuissteeg nummer 781?’
‘Dat klopt.’
De grijze speurder legde het proces-verbaal voor zich neer. ‘Mijn naam is De Cock,’ sprak hij vriendelijk, ‘met… eh, met ceeooceekaa.’ Hij wees voor zich uit. ‘Dat is mijn collega Vledder. Wij zijn beiden belast met het onderzoek naar de moord op Sjoerd van Obergum, een man, die door zijn volgelingen de profeet werd genoemd.’
Karel van de Bosch snoof verachtelijk.
‘Een kwezelaar… een luizige kwezelaar.’
De Cock reageerde niet.
‘En de moord op Belinda van de Bosch… naar men zegt… uw dochter.’
De man schudde zijn hoofd.
‘Dat kind heeft mij al heel wat ellende bezorgd.’
De Cock glimlachte.
‘Volgens mijn inlichtingen en ook volgens de eigen verklaring van uw dochter, een paar dagen geleden hier aan mij afgelegd, zou u haar tot prostitutie hebben gedwongen.’
Karel van de Bosch verschoof iets op zijn stoel.
‘Dat vertelt ze aan iedereen,’ riep hij vertwijfeld. ‘Maar het is niet waar.’
‘U gaf haar toch gelegenheid tot prostitutie… het gebeurde in uw woning.’
Karel van de Bosch gebaarde heftig.
‘Omdat ze dat zelf wilde,’ riep hij geëmotioneerd. ‘Als ik weg was, dan haalde ze allerlei kerels in huis met wie ze zich afgaf. Toen ik daar achter kwam, heb ik gezegd: “Als je toch de hoer wilt spelen, vraag er dan geld voor.”’
De Cock grijnsde.
‘Een vreemd advies van een vader aan een dochter.’
Karel van de Bosch maakte een afwerend gebaartje.
‘Ach, u hebt haar niet gekend… een nagel aan mijn doodkist. Sinds de dood van haar moeder was er geen huis met haar te houden.’
De Cock leunde iets achterover.
‘U had haar toch kunnen verbieden om bij u in huis prostitutie te bedrijven?’
Karel van de Bosch grinnikte vreugdeloos.
‘Dan was ze de straat op gegaan. Nu kon ik nog een beetje toezicht houden.’
De Cock gebaarde in zijn richting.
‘U was dus min of meer de souteneur van uw eigen dochter.’
Karel van de Bosch trok zijn schouders op.
‘Als u het zo noemen wilt,’ sprak hij gelaten. ‘Ik heb het zelf nooit zo gezien.’
‘Zij voorzag toch middels de prostitutie in uw onderhoud?’
Karel van de Bosch schudde zijn hoofd.
‘Ik had en heb nog steeds een uitkering.’ Hij zuchtte. ‘Maar soms gaf ze wel eens wat geld… als ze goed gemutst was.’
‘Geld door prostitutie verkregen.’
Karel van de Bosch wilde overeind komen, maar een afzakkende pantalon weerhield hem. Hij sjorde zijn broek weer omhoog.
‘Draaf niet zo door,’ riep hij woest. ‘Anders gaf ze het toch maar uit aan drugs.’
‘Ze was verslaafd?’
Karel van de Bosch knikte.
‘Daar begon ze de laatste tijd mee. Eerst rookte ze alleen zo nu en dan een stickie. Maar de laatste tijd begon ze ook heroïne te spuiten.’
‘Tot de profeet kwam?’
Karel van de Bosch schudde vertwijfeld zijn hoofd.
‘Die kwezelaar,’ sprak hij vol afschuw. ‘Hij hield Belinda voor dat Jezus van hoeren hield en dat niet zij slecht was, maar al die kerels die haar bezochten. Jezus zou tegen de mensen die een hoer beschuldigden, hebben gezegd: “Wie zonder zonde is werpe de eerste steen.’
Karel van de Bosch schudde opnieuw zijn hoofd. ‘Ik ben niet bijbels opgevoed, rechercheur. Ik weet niet of Jezus echt van hoeren hield. Ik kan mij dat nauwelijks voorstellen.’
De Cock liet het onderwerp rusten. Hij wreef met de toppen van zijn vingers over zijn voorhoofd.
‘U wilde dat zij bij u terugkwam… om opnieuw de prostitutie te bedrijven.’
Karel van de Bosch keek hem geschrokken aan.
‘Wie zegt dat?’
‘Belinda beweerde dat.’
Karel van de Bosch stak in een gebaar van verbijstering zijn beide handen omhoog. Zijn vingers gespreid. ‘Ze liegt!’ gilde hij. De man liet zijn handen weer zakken en veranderde van toon. ‘Ze loog.’
‘U hebt ten aanzien van de profeet een paar maal in het openbaar bedreigingen uitgesproken?’
‘Ja.’
‘U wilde hem aan het mes rijgen?’
Karel van de Bosch liet zijn hoofd hangen.
‘Dat heb ik gezegd.’
‘Waarom?’
‘Ik was kwaad. Ik probeer al een paar weken om hen van gedachten te doen veranderen… hen te bewegen om hun klacht in te trekken. Maar het is alsof je tegen een muur praat.’
De Cock keek hem verwonderd aan.
‘Wat voor een klacht?’
Karel van de Bosch drukte zijn handen voor zijn gezicht. ‘Ze hebben met z’n tweeën bij de politie in Haarlem een klacht tegen mij ingediend.’
‘Terzake?’
Karel van de Bosch nam zijn handen weg en knikte.
‘Incest. Ik zou Belinda als kind seksueel hebben misbruikt.’