2

In een vreemdsoortige processie… tussen een traag voortschuifelend leger van seksbehoeftigen… trokken ze over de Achterburgwal in de richting van het terrein van het voormalige Binnengasthuis. Voorop liep de jonge vrouw in een witte blouse met volanten en achter haar de oude man in zijn stemmig zwart kostuum. Zijn lange grijze haren dansten op zijn schouders. Vledder volgde op enige afstand. Daarachter sjokte De Cock.

De oude rechercheur wilde het drietal voor hem niet uit het oog verliezen, maar de haast waarmee men door het kijklustige publiek trok, achtte hij overbodig. Dood was dood… onomkeerbaar.

Nadat zij de Oude Doelenstraat waren overgetrokken, werd het een stuk rustiger op de gracht. Het gebied van de hoertjes was daar geëindigd en door een dicht woud van bruine Amsterdammertjes werd het mogelijk om snel achter elkaar langs de gevels te stappen zonder direct gevaar te lopen om door auto’s te worden overreden.

Het was warm… klammig warm. Het verkoelende windje kon de smalle gracht niet bereiken. De hitte van de dag trilde nog boven het troebele water.

De Cock, soms half in draf om het drietal voor zich bij te houden, pufte in zijn oude regenjas, maar de grijze speurder dacht er geen moment aan om het trouwe kledingstuk uit te trekken. Dat was, zo vond hij, een daad van verraad.

Langs het fraaie huis op de drie grachten bereikten ze de Grimburgwal. De strakke fantasieloze gebouwen van het voormalige Binnengasthuis boden een troosteloze aanblik, kil, droefgeestig. De vroegere portiersloge, waar De Cock zich in het verleden dikwijls had gemeld met het verzoek om een opgenomen patiënt in het gasthuis te mogen verhoren, was ernstig vervallen. De ramen waren verveloos en de toegangsdeur hing scheef.

De jonge vrouw in haar witte blouse liep aan de voormalige portiersloge voorbij naar een klein plein met in een halve ronding nieuwgebouwde etagewoningen. ‘Turfdraagsterpad,’ las De Cock op een naambord. De oude rechercheur fronste zijn wenkbrauwen van verbazing. Hij had in zijn lange loopbaan in de hoofdstad nooit van een Amsterdams Turf-draagster-pad gehoord.

Her en der stonden dranghekken van de dagen tevoren gehouden manifestatie Uitmarkt. Links van het plein was een uit stalen buizen opgetrokken platform nog niet geheel verwijderd. Ook de feestverlichting hing nog in bogen.

Voor nummer 248 bleef de jonge vrouw staan en wachtte tot De Cock haar was genaderd. Ze wees naar een bordes.

‘Daar,’ hijgde ze. ‘Op de eerste etage… daar ligt de profeet.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Is de deur op slot?’

De jonge vrouw schudde haar hoofd.

‘Sjoerd… de profeet deed de deur van zijn woning nooit op slot.’

De Cock keek haar verwonderd aan.

‘Waarom niet?’

De jonge vrouw gebaarde voor zich uit.

‘Sjoerd… eh, ik bedoel de profeet… vond dat beledigend voor de mensen die hem wilden bezoeken. Ook wilde hij niet dat iemand aanklopte voordat hij of zij bij hem binnentrad. Ik ben er… zo liet hij steeds weten… voor iedereen… en altijd.’

De Cock trok een grijns.

‘Tamelijk lichtzinnig,’ reageerde hij achteloos, ‘in een stad als Amsterdam.’

De jonge vrouw reageerde fel.

‘Dat was juist de kracht van Sjoerd,’ sprak ze overtuigend. ‘Hij geloofde oprecht in het goede in de mens. Toon uw vertrouwen, zei hij altijd. En trouw zal uw deel zijn.’

De Cock negeerde de opmerking. Hij wees omhoog.

‘Hebt u boven in de woning van de profeet iets aangeraakt… vastgepakt… verplaatst?’ vroeg hij zakelijk.

De jonge vrouw antwoordde niet. Haar weerstand scheen weggeëbd. Ze zette trillend haar tanden in haar onderlip en haar ogen vulden zich met tranen. Met een van smart vertrokken gezicht legde zij haar hoofd op de schouder van de oude man in het zwart. ‘Vader Ambrosius,’ snikte ze. ‘Vader Ambrosius… waarom moest dit?’

De oude man ademde diep. Op zijn asgrauw gelaat met ingevallen wangen kwam een expressie van diepe devotie. Hij klopte met zijn vlakke hand een paar maal zachtjes op de rug van de jonge vrouw. ‘De Heere,’ sprak hij gedragen, ‘zal het hebben gewild.’

De Cock keek met gemengde gevoelens naar het tweetal. Het beeld ontroerde hem niet. Het was naar zijn gevoel onecht… te mild, te weinig emotioneel. Bovendien voelde de oude rechercheur weinig voor een vruchteloze discussie over ‘de wil van Onze Heer’.

Hij wendde zich tot Vledder.

‘Waarschuw de meute,’[1] gebood hij strak.

Wat bruusk draaide De Cock zich om en liep het bordes op.

De deur van de woning op de eerste etage stond op een kier. De Cock drukte hem met de neus van zijn schoen verder open en ging naar binnen. Via een kleine hal met een kapstok en een manshoge spiegel, bereikte hij de woonkamer.

Geschrokken bleef hij staan.

In de betrekkelijk kleine woonruimte heerste een verschrikkelijke ravage. Laden en kasten waren overhoop gehaald en doorzocht. Een groot gedeelte van de inhoud lag over de vloer verspreid. Een houten cilinderbureau was ruw opengebroken. Het verwrongen slot hing aan een enkele schroef.

De Cock nam de situatie secondenlang in zich op. De oude rechercheur kon dat. Hij bezat een bijna fotografisch geheugen, met liefde voor het detail. Voorzichtig stapte hij over de voorwerpen heen.

Rechts leidde een deur naar een kleine slaapkamer. Aan het hoofdeinde van een oud ijzeren ledikant met vergulde spijlen, stonden in zwart viltstift haastig neergekrabbelde notities op het behang. Naast het ledikant, gedeeltelijk bedekt door een opengekerfd verenbed, lag een lange slanke man. Zijn voeten, in grove trimschoenen met loshangende veters, lagen ruim een halve meter uiteen. Zijn linkerhand was verscholen onder zijn lichaam. Zijn rechterhand reikte met geklauwde vingers naar de muur. Een groot model stiletto stak uit de rug van zijn colbert.

De Cock knielde bij hem neer en bekeek het wapen. Hij kende het model van de stiletto en schatte dat zeker vijftien centimeter van het lemmet in het lichaam van de profeet was gedrongen.

De oude rechercheur trachtte iets van de gelaatstrekken van de dode te onderscheiden, maar zijn gezicht rustte met neus en voorhoofd op de vloer en de zijkanten van het gelaat werden door een donkere, warrige haardos aan het oog onttrokken.

De Cock hoorde enig rumoer. Hij kwam overeind en liep terug naar de woonkamer. In de deuropening stond Bram van Wielingen. Zijn aluminium koffertje bungelde aan zijn rechterhand. De rug van zijn linkerhand gleed langs zijn bezwete voorhoofd. De politiefotograaf grinnikte.

‘Ik was hier pal bij toen jouw bericht over de mobilofoon kwam. Maar het is hier in de buurt de laatste jaren zo veranderd dat ik eerst verkeerd reed. Ik heb echt even moeten zoeken.’

De Cock trok een grijns.

‘Turf-draagster-pad,’ sprak hij smalend. ‘Hoe verzinnen ze het.’

Bram van Wielingen liet zijn blik door de kleine kamer dwalen.

‘Ze hebben hier wel huisgehouden,’ sprak hij zuchtend. ‘Mensen, mensen wat een rotzooi.’ Hij keek op. ‘Roofmoord?’

De Cock knikte traag.

‘Daar lijkt het op.’

‘Weet je waarnaar ze hebben gezocht?’

De Cock glimlachte.

‘Geen idee.’

De politiefotograaf zwaaide voor zich uit.

‘Waar ligt het lijk?’

De Cock wees over zijn schouder.

‘In de slaapkamer. Maar ik wil dat je eerst hier een paar plaatjes maakt.’

Bram van Wielingen knikte instemmend. Hij bukte zich, legde zijn koffertje op de vloer, klikte het open en nam daaruit zijn Hasselblad. ‘Wie woonde hier?’ vroeg hij overeind komend.

‘Een profeet.’

De fotograaf keek hem niet-begrijpend aan.

‘Een profeet?’ herhaalde hij vragend.

De Cock spreidde zijn beide handen.

‘Zo werd hij genoemd… de profeet. Hij schijnt vooral hier in de oude binnenstad van Amsterdam al vele volgelingen… discipelen te hebben.’

Bram van Wielingen gniffelde.

‘Discipelen,’ herhaalde hij spottend.

De Cock knikte. Zijn gezicht stond ernstig.

‘Zo worden volgelingen van een profeet toch genoemd?’

Bram van Wielingen gebaarde achteloos.

‘Weet ik veel. Wat profeteerde hij?’

De Cock trok zijn schouders iets op.

‘Een betere wereld… denk ik.’

Bram van Wielingen veinsde verbazing.

‘Een betere wereld… is de onze dan niet goed genoeg?’

De Cock glimlachte.

‘Ik kan mij heel goed voorstellen,’ formuleerde hij bedachtzaam, ‘dat er mensen zijn, die zich in onze huidige wereld niet echt gelukkig voelen, en daarom hangen aan de lippen van een man die hen in heerlijke visioenen een betere wereld voorspelt… voorspiegelt… belooft. Ik denk dat er altijd opnieuw profeten zullen opstaan… en discipelen krijgen.’

Bram van Wielingen bromde.

‘Profeten of niet… het zal in de wereld wel altijd een rotzooitje blijven.’ Met een brede armzwaai wuifde de fotograaf naar de enorme ravage om zich heen. ‘Kijk,’ sprak hij cynisch, ‘dat is nu het loon van een profeet: chaos.’

De Cock reageerde niet. Hij keek zwijgend toe hoe de fotograaf in een reeks routinegebaren een flitslicht op zijn Hasselblad monteerde en de omgeving flitsend in beeld bracht. Toen hij dokter Den Koninghe in de deuropening ontwaarde, liep hij van Bram van Wielingen weg.

Voorzichtig, stappend over papieren, huisraad en kledingstukken, bereikte hij de kleine lijkschouwer.

Achter hem torenden twee onaandoenlijke broeders van de Geneeskundige Dienst met een brancard.

De Cock lachte blij en drukte dokter Den Koninghe hartelijk de hand. De oude rechercheur had een zwak voor de excentrieke dokter met zijn ouderwetse grijze slobkousen onder een deftige streepjesbroek, zijn stemmig zwarte jacquet en zijn verfomfaaide groen uitgeslagen garibaldihoed.

‘Hoe maakt u het?’ vroeg hij opgewekt.

Door zijn ronde brilletje met metalen montuur keek de dokter naar de grijze speurder op.

‘Best,’ antwoordde hij met krakende stem. ‘De dood waart om mij heen.’

De Cock lachte.

‘Dat… zo schat ik… is het droevige lot van een beproefd lijkschouwer.’

De dokter knikte.

‘Dit wordt voor vandaag al mijn vijfde schouw,’ sprak hij bedaard. ‘En ik ben pas om vier uur begonnen. Ik geloof dat er in onze stad steeds meer mensen gewelddadig doodgaan.’ Hij keek zoekend om zich heen. ‘Waar?’

De Cock reageerde niet direct. Hij wendde zich tot Bram van Wielingen.

‘Heb je het lijk al gevonden?’

‘Ja.’

‘En gefotografeerd?’

‘Ook.’

‘Die krabbels op het behang?’

Bram van Wielingen grijnsde breed.

‘De Cock… ik ken je toch?’ sprak hij geruststellend. ‘Hoe lang al? Maak je geen zorgen. Morgenochtend heb jij je plaatjes… van lijk, krabbels, chaos en alles wat hier maar te zien is… kant en klaar op je bureau.’

De oude rechercheur knikte dankbaar en wuifde ten afscheid. Daarna ging hij de lijkschouwer voor naar de slaapkamer en wees naar het lichaam van de lange, slanke man naast het ijzeren ledikant. ‘Dat is hem,’ sprak hij somber. ‘Zo heb ik hem gevonden.’

Dokter Den Koninghe knielde bij de dode neer en bekeek het heft van de stiletto. Na enige tijd blikte hij omhoog. ‘Help mij even. Dan kantelen we hem een beetje. Ik wil zijn gezicht zien.’

De Cock boog zich over de dode heen en tilde het lichaam aan de linkerarm iets omhoog. Het donkere haar viel van zijn gelaat weg en toonde een paar grote, open, in angst verstarde ogen. De neus was plat verstijfd.

De dokter drukte met zijn duim en middelvinger de beide oogleden toe. Het was een devoot gebaar. Daarna kwam hij omhoog. Zijn oude knieën kraakten.

Met trage bewegingen nam hij zijn bril af, pakte zijn pochet uit het borstzakje van zijn jacquet en poetste zijn glazen.

‘Hij is dood,’ sprak hij laconiek.

De Cock knikte.

‘Dat begreep ik al,’ reageerde hij simpel. ‘Met vijftien centimeter staal in je rug, is je geen lang leven beschoren.’

Het klonk ongewild komisch.

Den Koninghe gebaarde naar de dode.

‘Nog niet zo lang… schat ik. Hoogstens enkele uren. De lichaamstemperatuur is nauwelijks gedaald.’

‘Inwendige bloedingen?’

De oude lijkschouwer zette zijn bril weer op en borg zorgvuldig zijn pochet weg.

‘Ik neem dat voorlopig als doodsoorzaak aan,’ antwoordde hij bedachtzaam. ‘Ik vermoed zelfs dat het hart is geraakt. Maar dat kan dokter Rusteloos morgen bij de sectie beter bekijken dan ik.’

Den Koninghe wierp nog een laatste blik op de dode. Toen trok hij vanonder zijn jacquet, uit een zakje van zijn parelgrijze vest, een knol van een horloge aan een zware zilveren ketting te voorschijn en keek erop. ‘Ik vraag mij af hoeveel ik er vanavond nog te schouwen krijg,’ gromde hij. ‘Het is nog lang geen twaalf uur.’

Hij draaide zich om en verliet de slaapkamer. De Cock liep hem na en keek in de woonkamer toe hoe de kleine lijkschouwer bijna struikelend over de verspreid liggende voorwerpen, de woning verliet.

Ben Kreuger kwam binnen, zette zijn koffertje op de vloer en spreidde zijn handen in een verontschuldigend gebaar.

‘Sorry, ik ben laat. Ik zat vast in het verkeer. Het hele Damrak ligt opengebroken.’

De Cock snoof.

‘Moest jij toch weten… Amsterdam is bijna elke zomer aan een renovatie toe.’

De dactyloscoop blikte om zich heen.

‘Er is hier volgens mij wel wat te kwasten. Ik denk dat er heel wat prentjes[2] vanaf komen.’

De Cock glimlachte.

‘Doe je best. Jouw vrouw krijgt van mij een bloemetje als jij de vingertjes[3] van de dader vindt.’

‘Wat ben je scheutig.’

De opmerking ging aan de oude rechercheur voorbij. Hij staarde even voor zich uit. Peinzend. ‘Ik wil ook dat je de vingers neemt van het slachtoffer.’

‘Weet je niet wie hij is?’

De Cock plukte aan zijn onderlip.

‘Volgens de gegevens waarover ik beschik, heet hij Sjoerd van Obergum. Maar zolang men in dit land nog geen legitimatieplicht kent, weet je het maar nooit.’ Over het hoofd van Ben Kreuger wenkte hij de broeders van de Geneeskundige Dienst naderbij en liep voor hen uit naar de slaapkamer.

‘Vervoer hem op zijn buik,’ instrueerde hij. ‘En laat die stiletto in zijn rug zitten, dat heeft dokter Rusteloos graag.’

De beide broeders knikten. Ze namen het gehavende verenbed weg, legden het op het ledikant en schoven de dode iets van de muur. Daarna tilden ze hem behoedzaam op de brancard. Gewoontegetrouw drapeerden ze een laken over hem heen. Het uitstekende mes met het laken erover gaf een vreemd, bijna lachwekkend effect.

De Cock keek toe hoe de broeders de brancard zacht wiegend de woning uit droegen.

In de kleine woonkamer, te midden van de ravage, bleef De Cock staan en wreef over zijn kin. Hij vroeg zich bezorgd af hoeveel perikelen de dood van de profeet hem nog zouden bezorgen.

Vledder kwam de woning binnenstappen. Achter hem volgde de vrouw in de witte blouse met volanten. De jonge rechercheur hijgde. Hij wees achter zich.

‘Barbara zegt dat er geld was.’

‘Waar?’

De jonge vrouw stapte naar voren en strekte een bevende hand uit naar het opengebroken houten cilinderbureau. ‘Daar… in die rechterlade. Ik was erbij toen Sjoerd het erin deed.’

De jonge vrouw reikte naar voren en wilde de lade aan de houten knop opentrekken. De Cock hield haar arm vast en wenkte Ben Kreuger naderbij. Zijn dassenharen kwast, gedoopt in aluminiumpoeder, streek over de gladde houten knop en een duidelijke vingerafdruk werd zichtbaar.

De dactyloscoop nam de vingerafdruk voorzichtig op zwart folie over. Daarna trok hij de houten knop terug.

De lade was leeg.

De Cock keek Barbara van terzijde aan.

‘Hoeveel was het?’

De jonge vrouw slikte.

‘Ruim vijftigduizend gulden.’

Загрузка...