13

Vledder kwam met een paar telexberichten in zijn rechterhand de grote recherchekamer binnen. Hij keek even om zich heen.

‘Is Erik Voogd al weg?’

De Cock knikte.

‘Ik heb Erik Voogd gevraagd om uit te blijven kijken naar die twee jonge vrouwen van hun clubje bij wijlen de profeet, en ons te berichten als ze weer in de binnenstad opduiken.’

Vledder fronste zijn wenkbrauwen.

‘Verwacht je dat ze terugkomen?’

De Cock schoof zijn onderlip vooruit.

‘Ik weet het niet,’ antwoordde hij onzeker. ‘Ik ken de reden van hun vlucht niet.’

‘Was het een vlucht?’

De Cock trok een pijnlijk gezicht.

‘Daar ziet het naar uit. Ik vind het vreemd dat ze zo plotseling uit de stad zijn verdwenen. Daar moet een reden voor zijn. En nog vreemder vind ik het, dat Vader Ambrosius mij vanmorgen niets van die verdwijning heeft gezegd.’

‘Misschien vond hij het niet belangrijk.’

De Cock tuitte zijn lippen.

‘Dat is mogelijk,’ sprak hij kalm. ‘Hij kwalificeerde Trees van Gamelen en Ansje van der Wiel als “krolse katten” en dat typeert wel zo’n beetje zijn houding ten opzichte van die twee.’

Vledder grinnikte.

‘Vader Ambrosius is niet van deze tijd.’

De Cock knikte.

‘Het kan best zijn,’ verzuchtte hij, ‘dat Vader Ambrosius in het verleden leeft, maar we hebben nú met hem te maken.’

De grijze speurder staarde enige tijd nadenkend voor zich uit. ‘Ik wil in verband met deze affaire toch nog een keer met Trees van Gamelen en Ansje van der Wiel praten. Vrouwen bezien de dingen om zich heen vaak anders dan mannen.’

Vledder wees naar zijn bureau.

‘Ze staan al vanaf het begin van ons onderzoek op mijn lijstje.’ Hij keek naar De Cock op. ‘Zal ik per telex hun Opsporing Verblijfplaats verzoeken?’

De oude rechercheur schudde zijn hoofd.

‘Dat haalt gewoonlijk niet veel uit. Je hebt hun namen toch ook al in onze telex met verzoek om inlichtingen opgenomen?’

Vledder knikte.

‘Ik heb beneden in de telexkamer nog even met Jan Kusters zitten praten. De wachtcommandant las het telexbericht dat ik had verzonden en herinnerde zich, dat de profeet een paar maanden geleden met die twee jonge vrouwen bij hem voor de balie kwam met het verzoek of ze een nachtje op het politiebureau mochten verblijven.’

‘Verzoek om onderdak?’

Vledder knikte opnieuw.

‘Jan Kusters heeft de profeet toen naar de zusters Augustinessen van Sint Monica verwezen. Maar eerst had de wachtcommandant Trees van Gamelen en Ansje van der Wiel bij het Polblad[6] opgevraagd. Ze werden op dat moment niet gezocht, maar hadden beiden wel een stevig strafblad met diefstallen en zelfs een beroving, in vereniging[7] gepleegd.’

De Cock gniffelde. ‘Lekkere meiden.’

Vledder snoof. ‘Sinds het zwakke geslacht spijkerbroeken is gaan dragen, zijn ze steeds crimineler geworden.’

De Cock lachte uitbundig.

‘Dat moet je voorleggen aan het WeeOoDeeCee,’ riep hij vrolijk, ‘het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatie Centrum in Den Haag… lijkt me uitermate geschikt voor een justitiële studie: relatie vrouw, spijkerbroek en misdaad.’

Vledder lachte niet.

‘Ik meen wat ik zeg,’ sprak hij ernstig. ‘De statistieken wijzen het ook uit. De criminaliteit onder meisjes en jonge vrouwen neemt steeds meer toe.’

De Cock grinnikte.

‘Dat heet emancipatie,’ reageerde hij plagend. ‘En heeft niets met het dragen van spijkerbroeken te maken.’

Vledder kneep zijn lippen op elkaar.

‘Geloof me,’ sprak hij nadrukkelijk, ‘spijkerbroeken spelen een rol.’

De Cock liet het onderwerp rusten. Hij keek schuin omhoog naar de grote klok boven de toegangsdeur van de recherchekamer. Het was halfzes.

‘Wat doen we… gaan we nog even naar Smalle Lowietje of gaan we dit keer eens bijtijds naar huis? Ik wil het gezicht van mijn vrouw wel weer eens zien als ze niet slaapt.’

Vledder stond glimlachend op.

‘We gaan naar huis,’ sprak hij beslissend. ‘Misschien kan ik dan verwachten dat jij morgenochtend weer eens op tijd bent.’

De telefoon op het bureau van De Cock rinkelde. De jonge rechercheur reikte over het bureau en nam de hoorn op. Hij luisterde enkele minuten. Toen legde hij de hoorn op het toestel terug. Zijn gezicht stond gespannen.

De Cock keek hem onderzoekend aan.

‘Wie was het?’

‘Beneden… de wachtcommandant. Er is zojuist een reactie binnengekomen op ons telexbericht.’

‘En?’

‘In het hoofdbureau van politie aan de Rademarkt in Groningen zitten twee jonge vrouwen vast. Ze zijn in het warenhuis van Vroom & Dreesmann gearresteerd terzake winkeldiefstal. Bij fouillering aan het politiebureau bleek, dat zij ieder meer dan twintig bankbiljetten van duizend gulden in hun bezit hadden.’

‘Wat?’

Vledder slikte.

‘Ieder,’ herhaalde hij, ‘meer dan twintig bankbiljetten van duizend gulden. Ze wilden over de herkomst van dat geld geen verklaring afleggen. In Groningen waren ze blij met ons telexbericht.’

De Cock stak zijn handen vooruit.

‘En hun namen?’

Over het gezicht van Vledder gleed een blos.

‘Moet ik ze nog noemen… Trees van Gamelen en Ansje van der Wiel.’


Vledder zwaaide heftig.

‘Wij gaan erheen,’ riep hij opgewonden. ‘We gaan erheen.’

‘Waarheen?’

‘Naar Groningen.’

De Cock wees omhoog naar de klok.

‘Nu nog? Voor we er zijn is het nacht. Bovendien dacht ik dat we…’

Vledder onderbrak hem.

‘Natuurlijk gaan we,’ reageerde hij enthousiast. ‘Het is ongeveer tweehonderd kilometer. Als we via de polders rijden, zijn we er in goed anderhalf uur.’ Hij ging weer zitten en greep de telefoon. ‘Ik bel even naar Groningen dat we komen.’

De Cock kwam zuchtend overeind, slofte naar de kapstok en wurmde zich in zijn regenjas.

Naar zijn mening was het veel simpeler geweest om de twee jonge vrouwen met hun geld door de parketpolitie op transport te laten stellen naar Amsterdam, maar hij wilde het enthousiasme van zijn jonge collega niet beteugelen.


Even voorbij de Gaasperdammerweg op de A1 zaten ze met hun Golf al vast in een file. De Cock keek met gemengde gevoelens naar de lange rijen auto’s voor, opzij en achter hem. Hij schoof zijn oude hoedje ver naar voren en liet zich onderuitzakken. Op zijn breed gezicht lag een grijns. ‘Maak mij maar wakker als we in Groningen zijn,’ bromde hij.

Vledder trok de Golf weer een stukje vooruit en remde. Hij stootte De Cock met zijn elleboog aan. ‘Doe niet zo narrig,’ riep hij geprikkeld. ‘Dit is de oplossing. Besef je dat niet? Trees van Gamelen en Ansje van der Wiel zijn al vaker samen op pad geweest. Die twee weten wat ze aan elkaar hebben. Ze wisten waar die vijftigduizend gulden lagen en zijn toen op een ideetje gekomen.’

De Cock drukte zich kreunend omhoog en schoof zijn hoedje terug. De grijns was nog niet van zijn gezicht verdwenen.

‘En toen de profeet hen bij die diefstal betrapte, staken ze hem geniepig een stiletto in zijn rug.’

Het klonk cynisch.

Vledder blikte opzij.

‘Is… eh, is dat onmogelijk?’ vroeg hij verwonderd.

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Zeker niet.’

‘Waarom doe je dan zo cynisch?’

De Cock draaide zich half naar hem toe.

‘De volgende dag,’ ging hij nog steeds grijnzend verder, ‘wandelden die twee jongedames nog even terug naar het Turfdraagsterpad en duwden en passant Belinda van de Bosch een stiletto tussen haar schouderbladen.’

Vledder stak zijn beide handen in een gebaar van wanhoop omhoog. Zijn jong gezicht zag rood. Over zijn wangen zwiepte een zenuwtrek.

‘Trees van Gamelen en Ansje van der Wiel,’ riep hij wild, ‘waren in het bezit van dat geld. Althans een groot deel daarvan. En dat geld lag in een lade van het houten cilinderbureau van de profeet. Daarover bestaan toch geen misverstanden?’

De Cock glimlachte.

‘Dat zijn de resultaten van ons onderzoek… tot nog toe.’

De jonge rechercheur zuchtte diep.

‘Wil je de diefstal van dat geld dan loskoppelen van de beide moorden? Wil je beweren dat tussen beide zaken geen enkel verband bestaat?’

De Cock schoof zijn onderlip naar voren.

‘Ik heb mijn twijfels.’

Vledder grinnikte vreugdeloos.

‘Belinda van de Bosch verklaarde voor haar dood dat het geld in die lade lag. Peter Zandvliet beweert dat. Ook Erik Voogd en Jasper de Groot getuigen daarvan.’ Hij stak zijn beide handen vooruit. ‘Wat is dan de basis van jouw twijfels?’

Achter hen klonk een toeterconcert van claxons. De Cock wees naar de voorruit van de Golf.

‘Je laat een gat vallen.’

Vledder reed een tiental meters verder en stopte noodgedwongen opnieuw. Wat onbesuisd trok hij de handrem aan en keek naar De Cock.

‘Je bent mij nog een antwoord schuldig.’


Het was al donker toen ze met hun Golf de oude stad Groningen binnen reden. De tocht door de Flevo- en de Noordoostpolder was niet zo glad verlopen als Vledder had voorgespiegeld. Tot voorbij Lelystad waren ze geplaagd door files en langzaam rijdend verkeer.

Het politiebureau aan de Rademarkt, praktisch in de schaduw van de fraaie oude Martinitoren, bleek een sober, onopvallend gebouw.

De Cock keek langs de gevel omhoog.

‘Waarom zijn politiebureaus altijd zo lelijk?’

Vledder antwoordde niet. Hij zocht en vond in de onmiddellijke nabijheid een parkeerplaatsje voor de auto en de beide rechercheurs stapten wat verkreukeld uit.

In het politiebureau werden zij hartelijk verwelkomd door een jonge rechercheur met een vriendelijk open gezicht, die zich voorstelde als Jan Talsma. Hij leidde de beide Amsterdamse politiemannen naar een gezellig ingerichte recherchekamer, liet hen plaatsnemen en zorgde voor een kop dampende koffie met een plak echte Groninger koek.

De Cock bezag het met verwondering.

‘Zijn jullie altijd zo attent voor gasten?’

Jan Talsma glimlachte.

‘Als ze uit Amsterdam komen.’

Hij pakte een proces-verbaal van zijn bureau.

‘Een lief personeelslid van Vroom & Dreesmann,’ legde hij uit, ‘genaamd Jackeline Runia, zag twee jonge vrouwen een aantal diefstallen plegen. Zij waarschuwde ons en op het moment dat die twee het warenhuis wilden verlaten, konden wij hen met hun buit arresteren. Wij waren stomverbaasd, dat bij fouillering dat vele geld te voorschijn kwam.’

‘Dat kan ik mij voorstellen.’

Jan Talsma grinnikte.

‘We dachten aanvankelijk aan een bankroof of iets dergelijks. Maar in Groningen was niets gebeurd dat daarop leek. Toen ben ik ze gaan verhoren. Ze hadden beiden een onmiskenbaar Amsterdams accent. De reeks diefstallen uit het warenhuis bekenden ze vlot, maar ze wilden mij absoluut niet vertellen waar dat geld dat zij bij zich hadden, vandaan kwam.’

De Cock nam een slok van zijn koffie.

‘Hebt u met hen al over ons telexbericht gesproken?’

Jan Talsma schudde zijn hoofd.

‘Toen ik hoorde dat u naar Groningen zou komen, heb ik dat maar achterwege gelaten.’

De Cock knikte hem bemoedigend toe.

‘Heel goed.’

Jan Talsma trok een ernstig gezicht.

‘Worden die jongedames verdacht van een moord?’

De Cock antwoordde niet direct. Hij keek schuins in de richting van Vledder.

‘De bankbiljetten van duizend gulden,’ formuleerde hij voorzichtig, ‘die de dames bij zich hadden, komen vrijwel zeker uit de woning van een vermoorde man. Ze waren van een winnend lot uit de Staatsloterij.’

De grijze speurder slurpte nog eens aan zijn koffie.

‘Het lijkt mij het beste,’ ging hij verder, ‘dat mijn collega Vledder en ik ieder een van de jongedames onder zijn hoede neemt.’ Hij gebaarde voor zich uit. ‘Wie van de twee is de zachtste?’

Jan Talsma trok rimpels in zijn voorhoofd.

‘Ansje van der Wiel. Die Trees van Gamelen is een loeder… nou ja… een harde tante.’

De Cock glimlachte.

‘Geef mij dan Ansje van der Wiel maar.’


De Cock blikte naar de jonge vrouw die voor hem aan een tafeltje zat. Hij schatte haar op rond de twintig jaar. Ze had een lief rond gezichtje, omlijst door donkerblond krullend haar. Op het rechterpand van het blauwe spijkerjack dat ze droeg, stond Love me in vaalwit borduursel.

Met haar lichtblauwe ogen keek ze De Cock onbevangen aan.

‘U komt mij bekend voor,’ sprak ze peinzend.

De oude rechercheur negeerde haar opmerking. Hij schonk haar zijn beminnelijkste glimlach.

‘Ik ben rechercheur van politie. Mijn naam is De Cock. De Cock met ceeooceekaa.’ Hij pauzeerde even. ‘U bent Ansje van der Wiel?’

‘Ja.’

‘Vanmiddag hier in Groningen bij Vroom & Dreesmann gepakt voor winkeldiefstal?’

Ze knikte.

‘U gaat mij verhoren?’

‘Inderdaad.’

Over haar gezicht gleed een trek van vermoeidheid.

‘Ik ben al verhoord… eindeloos.’

De Cock wreef zich achter in zijn nek.

‘Bij mij zal het niet zo lang duren.’ Hij schoof de mouw van zijn colbert iets terug en keek op zijn horloge. ‘Bovendien heb ik slaap en moet ik vanavond nog terug naar Amsterdam.’

Ansje van der Wiel keek naar hem op.

‘U komt uit Amsterdam?’ vroeg ze verbaasd.

De Cock glimlachte.

‘Kun je dat niet horen?’

‘Nee.’

De Cock gebaarde in haar richting.

‘Ik kom je de groeten doen van Erik Voogd, Peter Zandvliet en Jasper de Groot.’

Ansje van der Wiel liet haar hoofd iets zakken.

‘Weten ze het?’

‘Wat?’

‘Dat Trees en ik dat geld hebben gepakt?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Nog niet.’

‘Gaat u het hun vertellen?’

De Cock maakte een hulpeloos gebaartje.

‘We zullen toch een oplossing moeten vinden,’ sprak hij zacht. ‘Die jongens hebben recht op hun deel.’

Ansje van der Wiel slikte. Haar lichtblauwe ogen vulden zich met tranen. ‘Ik wilde het ook niet. Ik vond het oneerlijk. Maar Trees zei dat die jongens het geld toch maar zouden vergokken.’

De Cock keek haar peilend aan.

‘Is dat zo?’ vroeg hij weifelend. ‘Ik dacht dat de jongens van jullie clubje door toedoen van de profeet waren veranderd.’

Ansje van der Wiel wreef met de rug van haar hand langs haar ogen.

‘We waren allemaal wel een beetje veranderd. Ik ook. En Trees. Daarom hebben wij het geld, toen we het vonden, ook niet direct weggenomen. We hebben het gewoon laten liggen. Pas toen we hoorden dat de profeet was vermoord, kreeg Trees het benauwd. Ze was bang dat na zijn dood Barbara en Vader Ambrosius al dat geld zouden inpikken.’

De Cock streek met de toppen van zijn vingers langs zijn voorhoofd. Hij had enige moeite om de woorden van de jonge vrouw te vatten.

‘Jullie hebben dat geld niet weggenomen uit de woning van de profeet aan het Turfdraagsterpad?’

Ansje van der Wiel schudde haar hoofd.

‘Daar zijn we niet geweest. Niet die avond. We waren op de samenkomst toen Barbara kwam vertellen dat de profeet was vermoord.’

De Cock spreidde zijn beide handen.

‘Waar lag dat geld dan?’

‘Thuis… in het bureau van Vader Ambrosius.’

Загрузка...