Vledder liet zich op zijn stoel achter zijn bureau zakken en keek zijn oudere collega met open mond aan.
‘Verslaafd?’ riep hij verbijsterd. ‘Belinda van de Bosch verslaafd aan heroïne?’
De Cock maakte een hulpeloos gebaar.
‘Volgens Erik Voogd,’ antwoordde hij rustig. ‘Hij zegt dat de profeet haar verslaving kende en bezig was om haar langzaam te laten afkicken. Maar Erik Voogd zegt te weten dat Barbara zich niet aan de strikte aanwijzingen van de profeet hield. Ze kocht buiten weten van de profeet voor zichzelf heroïne voor een extra shot… en had daar geld voor nodig… veel geld.’
Vledder trok een bedenkelijk gezicht.
‘En dat zou dan haar motief voor moord zijn?’ In zijn stem klonk ongeloof.
De Cock knikte.
‘En uiteraard die vijftigduizend gulden van het staatslot.’
Vledder schudde resoluut zijn hoofd.
‘Belinda van de Bosch maakte op mij niet de indruk verslaafd te zijn. Ik heb bij haar geen symptomen van drugsgebruik opgemerkt. Ze was tijdens het verhoor, dat jij haar afnam, pittig en ad rem. Bovendien… ze heeft een alibi.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Wat voor een alibi?’
Vledder gebaarde voor zich uit.
‘Ze was op de samenkomst.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Dat verschaft haar geen alibi… geen alibi voor de moord op Sjoerd van Obergum. Belinda van de Bosch kan, nadat ze hem had omgebracht, rustig naar de samenkomst zijn gegaan en vervolgens… toen Vader Ambrosius haar vroeg om te zien waar de profeet bleef… quasi de moord hebben ontdekt.’
Vledder grinnikte.
‘Dat is wel erg geraffineerd.’
De Cock grijnsde.
‘Sommige vrouwen zijn dat.’
Vledder schudde opnieuw zijn hoofd.
‘Ik geloof niet dat Belinda van de Bosch iets met die moord uitstaande heeft,’ reageerde hij wrevelig. ‘Het was niet haar vingerafdruk, die op de knop van het geldlaadje stond, maar een vette vingerafdruk van Peter Zandvliet.’
De Cock zuchtte. ‘Je bent erg naïef,’ reageerde hij teleurgesteld. ‘Als Belinda van de Bosch handschoenen gebruikte toen zij het geld wegnam, en Peter Zandvliet later de knop van de lade zonder handschoenen aanpakte, dan staan zíjn vingerafdrukken op de knop van de lade en niet die van Belinda.’
Vledder kneep zijn lippen samen.
‘Ik wil er niet aan,’ sprak hij koppig. ‘Belinda van de Bosch heeft haar profeet niet vermoord. Dat idee druist zo tegen mijn gevoel in, dat het bij mij vanbinnen kriebelt. Ik acht haar niet tot moord in staat.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Dat is een slechte instelling voor een rechercheur,’ sprak hij afkeurend. ‘Het is dom om een mogelijkheid te verwaarlozen.’
Vledder gebaarde heftig.
‘Ze hield van die man.’
De Cock grijnsde.
‘Ook dat,’ sprak hij achteloos, ‘is geen garantie voor haar onschuld.’
Vledder kwam geëmotioneerd uit zijn stoel overeind.
‘Erik Voogd liegt,’ riep hij fel, ‘liegt om ons op een vals spoor te zetten. Misschien was hij zelf wel de man, die…’ De jonge rechercheur maakte zijn zin niet af. Wantrouwend keek hij op De Cock neer. ‘Wat heb je met hem gedaan?’
‘Wat bedoel je?’
‘Heb je hem laten insluiten?’
De Cock schudde langzaam zijn hoofd.
‘Ik heb hem laten gaan.’
‘Zomaar?’
De Cock keek naar zijn jonge collega op.
‘Niet zó máár. Erik Voogd heeft een alibi. Hij heeft gisteren de gehele middag en avond als casserolier… keukenhulp… bordenwasser… gewerkt in het restaurant De Poort van Culemborg aan de Prins Hendrikkade. Ik heb dat nagetrokken. Ik kon… als ik dat had gewild… het gehele bedienend personeel van het restaurant laten opdraven om dat te bevestigen. Iedereen wilde voor hem getuigen.’
Vledder liet zich terugzakken in zijn stoel.
‘Ik denk,’ verzuchtte hij, ‘dat de dood van de profeet ons nog heel wat hoofdbrekens zal kosten.’ De jonge rechercheur staarde enkele seconden voor zich uit en sloeg toen van woede met zijn vuist op de rand van zijn bureau.
‘Waarom,’ ging hij opgewonden verder, ‘hebben wij nooit eens een gezellige en… vooral zindelijke moord met een aardige, schuldbewuste ja-knikkende dader, die zichzelf spontaan komt melden?’
De Cock grinnikte.
‘En nog liefst een dader, die zwaar gebukt gaat onder de last van zakken vol rechtmatig verkregen bewijs.’
Vledder knikte instemmend.
‘Wij hebben altijd van die gecompliceerde moorden… barstensvol problemen.’
De Cock glimlachte.
‘Heb je de inventaris van de woning van Sjoerd van Obergum opgenomen?’
‘Ja.’
‘En?’
‘Wat bedoel je?’
‘Heb je een manuscript gevonden?’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Ik heb elk beschreven velletje papier bekeken, maar er was niets bij dat op een manuscript leek.’
De Cock schoof zijn onderlip naar voren.
‘We moeten maar eens aan Belinda van de Bosch vragen hoe dat zit… of er ooit een manuscript is geweest.’ Hij keek grinnikend op. ‘En dan mag jij haar nog eens uitgebreid verhoren over haar mogelijke aandeel in deze affaire.’
De ogen van Vledder schoten vuur.
‘Waarom ik?’
De Cock spreidde zijn handen.
‘Je weet hoe achterdochtig ik van nature ben.’
Vledder kneep zijn lippen op elkaar.
‘Ze heeft geen aandeel,’ riep hij beslist.
De Cock plukte gnuivend aan het puntje van zijn neus.
‘Hoe was de sectie?’
Vledder trok zijn schouders op.
‘Inwendige bloedingen,’ antwoordde hij nonchalant. ‘Dokter Rusteloos peuterde de profeet in recordtijd open. Ik heb de patholoog-anatoom nog nooit zo hard zien werken. In minder dan een uur was hij klaar.’ De jonge rechercheur tastte in een lade van zijn bureau en wierp De Cock een doorschijnende plastic zak met een bebloede stiletto toe. ‘Het moordwapen. Ik heb het niet afgewassen. Misschien staan er nog vingerafdrukken op het heft.’
De grijze speurder bekeek de stiletto enige tijd aandachtig en schoof daarna de plastic zak met een licht gebaar van afgrijzen naar Vledder terug. ‘Houd jij dat vieze ding bij je. Ik gruwel nog steeds van een wapen waarmee een moord is gepleegd.’
‘Moet het niet worden onderzocht?’
‘Zeker. Laat Ben Kreuger morgen het heft maar eens bekijken. Maar het zou mij beslist verbazen als er iets op stond.’
De oude rechercheur drukte zijn stoel iets naar achteren en spreidde zijn beide handen.
‘We hebben een wapenwet,’ betoogde hij hoofdschuddend, ‘een vuurwapenwet, en het is ook bij de wet verboden om stiletto’s en dat soort moordtuig te dragen. Maar keer hier ’s avonds in de binnenstad eens iemand om… hou hem een paar seconden aan zijn enkels vast… schud flink… en even later glijden de revolvers en pistolen, de messen en dolken uit zijn kleren. Zonder een compleet wapenarsenaal waagt niemand zich nog in de avond op straat.’
Vledder deed de stiletto terug in een lade van zijn bureau, maar reageerde verder niet.
‘Ik ben na de sectie op Westgaarde nog even naar de Bloemgracht gereden,’ meldde hij. ‘Belinda van de Bosch was er niet. Ik heb wel Peter Zandvliet getroffen. Hij lag nog op zijn bed. Peter heeft mij beloofd aan Barbara te zeggen, dat zij, wat ons betreft, over de woning van de profeet kan beschikken. Peter dacht dat hij wel wist waar hij Barbara kon treffen.’
De Cock knikte begrijpend en stond op. In zijn typische slenterpas sjokte hij naar de kapstok.
Vledder kwam hem na.
‘Waar ga je heen?’
De Cock draaide zich half om. ‘Naar Smalle Lowietje. Mijn droge keel dorst naar een cognackie.’
Lowietje, ter aanduiding van zijn geringe borstomvang meestal Smalle Lowietje genoemd, trok zijn levendig muizensmoeltje in een vriendelijke plooi, staakte het glazenspoelen, veegde zijn vingers langs zijn morsig vest en stak de oude rechercheur spontaan zijn hand toe. ‘Welkom in mijn nederig etablissement.’
De Cock hees zijn zware bovenlijf op een barkruk.
‘Sinds wanneer spreek jij bescheiden van een ne-de-rig etablissement?’
Smalle Lowietje grinnikte. ‘Sinds een of andere vent van de Warenwet mij zonder blikken of blozen vertelde dat de inrichting van mijn kroeg niet deugt.’
‘Wat mankeert eraan?’
‘Ik mag aan mijn gasten bij de borrel geen warme kroketten en bitterballetjes meer serveren voor mijn keuken drastisch is verbouwd.’
De Cock plukte aan zijn neus.
‘Maar voor de rest ben je gezond?’
Smalle Lowietje lachte.
‘Hetzelfde recept?’
Zonder op antwoord te wachten dook de tengere caféhouder onder de tapkast en kwam weer boven met een fles pure Franse cognac Napoleon, die hij met een haast devoot gebaar voor de rechercheur neerzette. ‘Nog van mijn oude voorraad,’ lispelde hij vergenoegd. Hij pakte drie bolle glazen en schonk in, statig, plechtig, als gold het een ceremonieel gebeuren.
Smalle Lowietje dronk altijd een glas mee.
De Cock keek vriendelijk glunderend toe. Hij hield van die momenten. En hoewel hij wist dat de tengere caféhouder een dief was, een heler, een man die in zijn leven vrijwel alles had gedaan wat God in zijn wijsheid had verboden… hield hij van Lowietje.
Toen de tengere caféhouder zijn ceremonie had voltooid, nam de grijze speurder het bolle glas op en warmde de cognac schommelend in de kom van zijn hand. Met gesloten ogen snoof hij de prikkelende geur en liet, met op zijn grof gezicht een expressie van opperste verrukking, het gouden vocht door zijn keel glijden.
‘Dit nu,’ sprak hij hoofdknikkend, ‘zijn voor een oude en vaak dolende rechercheur schaarse momenten van intense vreugde.’
Smalle Lowietje keek hem met een blik vol genegenheid aan. ‘De Cock,’ sprak hij bewonderend, ‘je zegt dat zo mooi. Voor mij heb jij een poëtische ziel.’
De grijze speurder zette zijn glas neer. ‘Ken jij de profeet?’
De tengere caféhouder glimlachte. ‘Die lange slungel, die het met God op een akkoordje heeft gegooid?’
De Cock trok zijn neus iets op. ‘Wat heeft hij?’
Smalle Lowietje knikte. ‘Hij heeft hier een paar maal in mijn etablissement staan preken. Als ik hem goed heb begrepen, dan had hij persoonlijk met Onze Lieve Heer een verbond gesloten om samen met Hem jeugdige misdadigers weer op het rechte pad te brengen. God zou dan later bij de hemelpoort zo nu en dan een oogje toeknijpen, zodat de voormalige criminele zieltjes ongehinderd konden passeren.’
De Cock lachte. ‘Ik heb nog nooit een preek zo horen samenvatten.’
De caféhouder keek hem verwonderd aan. ‘Heb ik iets miszegd?’
De Cock schudde zijn hoofd. ‘Ik geloof zelfs,’ sprak hij ernstig, ‘dat je heel goed hebt geluisterd.’
Smalle Lowietje trok zijn schouders op.
‘Ik laat ze altijd maar hun gang gaan. Er komen hier wel meer van die figuren, die luidkeels hun mening willen verkondigen. Het lijkt hier soms wel het Londense Hyde Park.’
De Cock nam opnieuw een slok van zijn cognac.
‘De profeet is dood.’
Het klonk kil, gevoelloos.
De tengere caféhouder keek verrast naar hem op.
‘Dood?’ herhaalde hij.
De Cock knikte gelaten.
‘Iemand stak hem een stiletto in zijn rug.’
Smalle Lowietje keek de oude rechercheur met veschrikte ogen aan. ‘Dan… dan,’ stamelde hij, ‘heeft die vent het toch gedaan.’
De Cock kneep zijn wenkbrauwen samen. ‘Welke vent?’
‘De vader van die griet.’
‘Welke griet?’
De caféhouder zuchtte. ‘Die griet, met wie de profeet samenleefde. Hij zei tegen mij: “Als ik de kans krijg, dan rijg ik die kwezelaar aan het mes.”’
Vanuit het etablissement van Smalle Lowietje op de hoek van de Barndesteeg sjokten ze over de Achterburgwal. De zon was verdwenen. Het licht speelde niet meer met de oude geveltjes van de gracht. Een dicht wolkendek had zich als een grauwe deken over Amsterdam gespreid. Er viel een fijne dunne motregen, die de geluiden van de stad smoorde.
De Cock likte met het puntje van zijn tong een regendruppel van zijn bovenlip.
Vledder keek hem van terzijde aan. ‘Wat doen we,’ vroeg hij bezorgd, ‘met het verhaal van Smalle Lowietje?’
De oude rechercheur trok de kraag van zijn regenjas omhoog en schoof zijn hoedje iets naar voren.
‘Als de vader van Belinda van de Bosch zo openlijk zijn bedreigingen uitte, zoals Lowietje nu beweert, dan zullen daarvan wel meerdere getuigen te vinden zijn. Het lijkt mij in ieder geval zinvol om vader Van de Bosch eens nader te bekijken. Mogelijk kan de politie in Haarlem ons inlichtingen over hem verschaffen. Daar schijnt hij nog te wonen.’
Vledder knikte. ‘Wat denk je van het motief?’
De Cock gebaarde voor zich uit. ‘Belinda was voor hem een broodwinning. Hij leefde van het geld dat zijn dochter door prostitutie verkreeg. Door toedoen van de profeet raakte vader Van de Bosch zijn bron van inkomsten kwijt.’
Vledder zuchtte. ‘Dat zet kwaad bloed.’
De Cock knikte. ‘Zeker bij een primitieve geest. En als vader Van de Bosch zijn eigen dochter in de prostitutie heeft gedreven, en louter van haar opbrengsten leefde, dan dicht ik hem zo’n primitieve geest toe.’
‘Tot moord in staat?’
De Cock keek zijn jonge collega van terzijde aan.
‘In wezen is iedereen tot moord in staat,’ antwoordde hij strak. ‘Daarom wil ik… verslaafd of niet verslaafd… en ondanks jouw gevoelens… ook Belinda van de Bosch niet uitsluiten.’
Vledder versnelde mokkend zijn pas. De Cock haalde hem hijgend in. ‘Denk eens aan een combinatie,’ riep hij hem toe.
Vledder hield zijn pas in. ‘Wat voor een combinatie?’
De Cock gebaarde. ‘Vader Van de Bosch pleegt de moord en dochter Belinda neemt het geld.’
‘Barst.’
De Cock lachte. Via de Korte en de Lange Niezel bereikten ze de Warmoesstraat. Toen ze de hal van het politiebureau binnenstapten, stond Jan Kusters achter de balie met zijn beide armen heftig te zwaaien.
De Cock liep op hem toe. ‘Voel je je niet goed?’
De wachtcommandant negeerde de opmerking. ‘Ik heb er al twee agenten heen gestuurd?’
‘Waarheen?’
‘Naar het Turfdraagsterpad.’
De Cock keek hem verbaasd aan. ‘Wat… wat is daar?’ vroeg hij stamelend.
Jan Kusters raadpleegde een notitie. ‘Op het Turfdraagsterpad… in de woning op de eerste etage van nummer 248, heeft iemand een dode vrouw aangetroffen.’
De Cock voelde hoe een rilling door zijn lichaam schoot.
‘Heeft die iemand de naam van die dode vrouw genoemd?’
De wachtcommandant knikte. ‘Barbara.’