Kort na het vertrek uit Groningen had De Cock zijn veiligheidsgordel wat losser getrokken, had zich onderuit laten zakken en was na enkele minuten in een diepe slaap verzonken. Zijn hoedje rustte op de rug van zijn neus en om zijn mond lag een tevreden trek.
Vledder tuurde gespannen door de voorruit. Nadat ze het oude Friese land bij Lemmer hadden verlaten en de polder waren ingetrokken, was het gaan regenen, hard, fel, met korte, krachtige windstoten. Zware regendruppels ratelden op het dak en de ruitenwissers, in de hoogste versnelling, konden het water bijna niet verwerken.
De jonge rechercheur klemde zijn handen vaster om het stuur van de Golf. Bij het passeren van grote vrachtwagens was door opspattend regenwater het zicht vrijwel nihil en zwalkte de wagen over de weg.
Zo nu en dan blikte Vledder met enige afgunst opzij naar zijn rustig slapende collega. Hoewel tal van vragen op zijn lippen brandden, durfde hij de grijze speurder niet te wekken.
Al een eind voorbij de Ketelbrug kwam De Cock weer tot leven. Hij drukte zich omhoog, schoof zijn hoedje terug en blikte geïnteresseerd om zich heen. De oude rechercheur leek onmiddellijk klaarwakker. ‘Verschrikkelijk,’ riep hij zichtbaar geschrokken. ‘Wat een beestenweer… zo plotseling. Waar zijn we ergens?’
Vledder boog zich over zijn stuur.
‘In de Flevopolder,’ bromde hij. ‘We zijn net de Ketelbrug voorbij.’
De Cock streek met zijn vlakke hand over de beregende zijruit. ‘En wat een nacht. Geen maan, geen sterren, alles is inktzwart.’
Vledder grinnikte vreugdeloos.
‘Het stormt al zowat een uur.’ Hij snoof. ‘Maar daar heb jij niets van gemerkt. Het is begonnen toen jij besloot om vriendelijk in slaap te sukkelen.’
De Cock reageerde niet. Hij trok huiverend de kraag van zijn regenjas omhoog. Tijdens zijn dutje was de kilte in zijn botten geslopen. Hij boog zich iets naar voren en keek omhoog naar een gesloten hemel.
‘En dan te bedenken,’ sprak hij ernstig, ‘dat met nog zo’n drie tot vier meter water boven het dak van onze Golf… mijn oude Urker grootvader met een open bottertje… in zulk vuil noodweer over de Zuiderzee zwalkte… een zuidwester op zijn verweerde kop en het helmhout in zijn zij.’
Vledder glimlachte.
‘Waarom ben jij geen visser geworden?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik word al zeeziek bij het zien van golfjes op een schilderij.’
Een tijdlang reden ze zwijgend door de nacht.
De Cock schoof zijn hoedje weer terug tot op de rug van zijn neus. Hij wilde de ruitenwissers op de voorruit van de Golf niet langer met zijn ogen volgen. De heen en weer gaande, zwiepende beweging had op hem altijd een hypnotiserende werking.
Voorbij Almere-Stad leek de storm wat te luwen. Vledder ademde diep en zakte ontspannen in zijn stoel terug. Hij liet zijn rechterhand even vertrouwelijk op de schouder van De Cock rusten.
‘Ben jij nog wat wijzer geworden van die Ansje van der Wiel?’
De Cock schoof zijn hoedje terug en draaide zich iets naar hem toe. ‘Jij?’ vroeg hij ontwijkend, ‘van Trees van Gamelen?’
Het gezicht van Vledder versomberde.
‘Jan Talsma in Groningen had gelijk: die Trees van Gamelen is een loeder… een feeks… een brutale, uitdagende griet, die in mijn bijzijn haar bloesje wilde losknopen.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Haar bloesje losknopen?’
‘Ja.’
‘Waarom?’
Vledder maakte een schouderbeweging.
‘Om mij te provoceren… denk ik… om mijn aandacht van het verhoor af te leiden. Ze maakte het soms wel erg bont. Er waren momenten dat ik haar een hengst voor haar kop had willen geven.’
De Cock schudde zijn hoofd. ‘Een slechte verhoortechniek,’ sprak hij afkeurend. ‘En het helpt niet.’
Vledder trok een pijnlijk gezicht.
‘Geloof me… ze haalde het bloed onder mijn nagels vandaan. Over dat vele geld dat ze bij zich had, wilde ze niets zeggen. “Je zoekt het maar uit,” zei ze, “daar ben je voor. En als je niet kunt bewijzen waar dat geld vandaan komt, blijft het van mij.”’
De Cock grinnikte.
‘Ze had gelijk.’
Vledder kneep zijn lippen op elkaar.
‘Toen ik die Trees van Gamelen er ronduit van beschuldigde, dat zij samen met Ansje van der Wiel de profeet had vermoord en daarna dat geld uit het houten cilinderbureau had weggenomen, keek ze mij aan of ik geschift was.’
De Cock lachte.
‘Ik heb toch het idee,’ sprak hij hoofdschuddend, ‘dat jij dat verhoor niet slim hebt aangepakt. Ik had bijvoorbeeld een dergelijke beschuldiging nooit uitgesproken.’
Vledder keek hem verongelijkt aan.
‘Maar dat is toch de enige mogelijkheid. Hoe komen die twee meiden anders aan dat geld?’
‘Van Vader Ambrosius.’
‘Wat?’
De Cock knikte traag.
‘Het lag bij Vader Ambrosius thuis in zijn bureau.’
Vledder slikte.
‘Zegt Ansje van der Wiel dat?’
De Cock knikte opnieuw.
‘En ik ben bereid haar te geloven.’
‘Hoe kwam dat geld daar?’
De Cock maakte een hulpeloos gebaartje.
‘Weet ik veel?’
Vledder keek hem met grote ogen aan.
‘Heeft Vader Ambrosius de profeet vermoord?’
De Cock kwam traag de grote recherchekamer binnen en slenterde moeizaam naar zijn bureau. Een korte nachtrust had hem nauwelijks verkwikt. Zijn lijf ging nog gebukt onder een milde matte loomheid, die de werking van zijn ledematen ernstig belemmerde en het mechanisme van zijn denken verlamde.
Nog met zijn regenjas aan liet hij zich in zijn stoel zakken en keek voor zich uit naar Vledder.
De jonge rechercheur was ook geen toonbeeld van wils- en daadkracht. Hij hing in zijn stoel, zijn gezicht zag vaal en hij had kringen onder zijn ogen.
De Cock grijnsde.
‘Je ziet eruit of je een wilde nacht achter de rug hebt.’
Vledder zuchtte.
‘We waren naar Groningen en terug was het noodweer. Of ben je dat vergeten?’
De Cock gniffelde.
‘Groningen… dat was toch jouw idee?’
Vledder negeerde de opmerking.
‘Gaan we straks Vader Ambrosius arresteren?’
‘Waarvoor?’
Vledder keek hem verwonderd aan.
‘Moord… diefstal van geld. Ik begrijp nu waarom hij aan jou niets over het verdwijnen van die twee meiden heeft gezegd. Hij wist… althans kon redelijk vermoeden, dat Trees van Gamelen en Ansje van der Wiel dat geld van hem hadden weggenomen.’
De Cock knikte.
‘Daarom verzweeg hij dat ze waren verdwenen.’
Vledder grijnsde.
‘Hij had dan ook over dat verdwenen geld moeten praten… en dat kon hij niet. Daarmee zou hij hebben moeten toegeven, dat hij bij de moord op de profeet en mogelijk ook bij de moord op Belinda van de Bosch betrokken was geweest.’
De jonge rechercheur zweeg even, nadenkend.
‘Herinner jij je nog tot welke conclusie wij gisteren kwamen?’
De Cock knikte.
‘De man of de vrouw die Belinda en haar profeet vermoordde, behoorde vrijwel zeker tot hun intieme kennissenkring.’
Vledder grijnsde.
‘Vader Ambrosius.’
De Cock wreef zich achter in zijn nek.
‘Misschien heb je gelijk. Als Vader Ambrosius op een eerlijke manier aan die vijftigduizend gulden was gekomen, dan had hij zonder gewetensbezwaren de vermissing van die twee jonge vrouwen kunnen melden en tevens aangifte tegen hen kunnen doen terzake diefstal van het geld.’
Vledder kwam uit zijn stoel overeind.
‘Gaan we hem halen?’ vroeg hij uitdagend. ‘Hij woont op de Achterburgwal in het vroegere logement van Tante Marie, boven het zaaltje waar de profeet zijn bijeenkomsten hield.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Daar waren ook die twee meiden ondergebracht?’
‘Precies.’
‘En daar was dus ook het geld?’
Vledder knikte.
‘Als die Ansje van der Wiel,’ sprak hij grinnikend, ‘in Groningen jou de waarheid heeft verteld.’
De Cock trok zijn gezicht strak.
‘Dat deed ze.’
Vledder liep naar de kapstok. Met het hoedje van De Cock op zijn hoofd en de regenjas van de grijze speurder over zijn arm kwam hij terug.
‘Het is dichtbij,’ drong hij aan. ‘We hebben voor zijn arrestatie onze Golf niet nodig.’
De oude rechercheur aarzelde. De verlammende loomheid viel van hem af. Het mechanisme van zijn denken draaide weer op volle toeren. In zijn hoofd woedde ineens een hevige strijd tussen zijn verstand en zijn gevoel. Een innerlijke stem zei hem het niet te doen… nog niet… maar voor uitstel gaf zijn verstand geen redelijk motief.
Plotseling ging de deur van de grote recherchekamer open. In de deuropening stond een jongeman in een spijkerbroek en een groen rafelig jack met koorden. Schuifelend en met gebogen hoofd liep hij op De Cock toe. Het staartje in zijn nek stak omhoog.
De oude rechercheur stond van zijn stoel op. Er was iets in de houding van de jongeman dat hem alarmeerde. Hij deed een stap in zijn richting.
Jasper de Groot bleef voor hem staan en keek met zijn grote glanzende bruine ogen naar hem op.
‘Ze hebben haar vermoord,’ sprak hij zacht.
De Cock keek hem ontsteld aan.
‘Wie… wie hebben ze vermoord?’
Jasper de Groot antwoordde niet direct. Zijn onderlip trilde. Tranen rolden over de donkere huid van zijn gezicht.
‘Tante Evelien.’
Het hart van De Cock miste een slag.
‘Jouw tante?’ riep hij geschrokken.
Jasper de Groot knikte traag.
‘Ik… eh, ik heb nu niemand meer.’
De Cock beet op zijn onderlip. Het klonk zo verslagen, zo intriest, dat hem een brok in zijn keel schoot.
Jasper de Groot stak zijn beide handen naar voren… met de handpalmen naar boven.
‘Ik heb de stiletto dit keer laten zitten.’
Met Jasper de Groot tussen hen in liepen ze vanaf de Nieuwe Teertuinen via het oude klapbruggetje naar het Prinseneiland. Voor de Galgenstraat gingen ze linksaf.
De Cock blikte opzij.
‘Wanneer heb je haar ontdekt?’
‘Vanmorgen. Ik heb vannacht bij Peter Zandvliet geslapen… aan de Bloemgracht. Peter had niets in huis om te eten. Ik had honger en wilde tante Evelien vragen of ze een ontbijt voor me had en of ik bij haar een douche mocht nemen.’
‘Meer niet?’
Jasper de Groot schudde zijn hoofd.
‘Ik heb nog geld. Maar tante Evelien maakte altijd een lekker ontbijt voor mij klaar… als ik erom vroeg… eieren, gebakken met bacon.’
‘Hoe laat was je vanmorgen bij haar?’
Jasper de Groot haalde zijn schouders op.
‘Ik ben niet zo’n man van de klok. Ik denk een uur of tien.’
Ze liepen het pakhuis Vrede voorbij.
‘Heb je een sleutel van haar woning?’
Jasper de Groot knikte.
‘Van de buitendeur en van haar appartement.’
‘Heb je die gebruikt?’
Jasper de Groot tastte in zijn broekzak en hield een ring met sleutels omhoog. ‘Alleen de sleutel van de buitendeur. De deur van haar appartement stond op een kier. Dat vond ik al vreemd. Ik heb de deur bij haar nog nooit open aangetroffen.’
‘Opengebroken?’
‘Wat bedoelt u?’
‘Vertoonde die deur sporen van braak?’
Jasper de Groot schudde zijn hoofd.
‘De deur was gaaf. Ik heb er niets bijzonders aan gezien. Ook aan de deurstijl niet.’ De jongeman wees. ‘We moeten hier linksaf.’
Langs grote stapels tropisch hout liepen ze naar een pittoreske smalle houten voetgangersbrug. De Cock keek omhoog. Met witte letters in een zwart ovaal stond Drieharingenbrug.
Met Jasper de Groot voorop stapten ze vanaf de brug naar de Vierwindendwarsstraat.
De Cock haalde de jongeman in.
‘Je weet toch zeker,’ vroeg hij bezorgd, ‘dat tante Evelien dood was toen je haar vond? Ik bedoel, dat ze niet inmiddels aan haar verwondingen is bezweken?’
Jasper de Groot knikte.
‘Ze was dood,’ sprak hij overtuigend. ‘Absoluut. Ik heb haar kapspiegel voor haar mond gehouden. Ze ademde niet meer.’
Ze liepen rechts de Vierwindenstraat in.
‘Volgens mij,’ ging de jongeman verder, ‘is ze gisteren al vermoord… in de morgen. Haar ochtendkrant van de vorige dag vond ik vanmorgen ongelezen op haar tafel.’
‘Heb je binnen nog iets aangeraakt?’
Jasper de Groot schudde zijn hoofd.
‘Ik ben ook niet in paniek geraakt… zoals bij Barbara.’ Om zijn mond gleed een moede grijns. ‘Blijkbaar ga je aan die dingen wennen.’
Vierwindenstraat 705 lag op een steenworp afstand van het Jan Mensplein, genoemd naar Jan Mens, de grootste verteller die Amsterdam ooit heeft voortgebracht. Het waren drie aaneengesloten oude pakhuizen met kleine boograampjes achter zware tralies. De eens zo trotse veempanden waren in een vuile crèmekleur gesausd en boden een trieste aanblik.
Na een brede groene deur en een kleine hal bereikten ze een afgesloten glazen deur. Jasper de Groot nam opnieuw de ring met sleutels uit zijn broekzak en maakte de deur open.
Met de lift bereikten ze de derde etage.
Boven bij de halfgeopende deur van het appartement bleef de jongeman staan en gebaarde naar De Cock.
‘Gaat u maar naar binnen. Ik blijf hier. Ik wil haar niet nog eens zien.’
De oude rechercheur knikte begrijpend.
‘Ga niet weg, Jasper,’ gebood hij. ‘Ik moet nog een verklaring van je opnemen en een paar dingen met je regelen.’ Hij duwde met zijn elleboog de deur iets verder open en ging naar binnen.
In het appartement van Evelien de Groot heerste geen enkele wanorde. Op een tafel met een pluchen kleed lag De Telegraaf van de vorige dag… zoals Jasper de Groot al had opgemerkt… ongelezen.
Met Vledder in zijn kielzog liep De Cock verder. Op het glanzende parket, van een kamer met een schitterend uitzicht over de oude Realengracht, lag op haar buik een vrouw. Haar armen met geklauwde handen lagen schuin naar voren en tussen haar schouderbladen stak het heft van een groot model stiletto.