Lichtelijk nerveus en met een sluimerend gevoel van onzekerheid slenterde De Cock een paar maal heen en weer in het zaaltje aan de Achterburgwal. De vroegere gelagkamer van het oude logement van Tante Marie had een kleine gedaanteverwisseling ondergaan. De fraaie katheder met daarop de grote indrukwekkende Statenbijbel, stond er nog, maar rechts langs de muur waren twee aaneengeschoven grote houten kasten aangebracht. Ook in de nabijheid van de toegangsdeur van het zaaltje stond een hoge kast opgesteld.
Het had de oude rechercheur de grootste moeite gekost om de drie hoge houten kasten van de afdeling voorzieningen geleverd te krijgen. Van Reiszen, de hoogste chef van de afdeling logistiek, vond het ongepast en ongebruikelijk en had ook verder nog tal van bezwaren, maar uiteindelijk had De Cock zijn zin gekregen, al had hij daarvoor wel een tocht naar het Paleis van Justitie moeten ondernemen om de heer Medhuizen, de officier van justitie, van zijn gelijk te overtuigen.
In de deuren van de kasten had men op verzoek van de grijze speurder op ooghoogte kleine kijkgaatjes aangebracht.
De Cock keek op zijn horloge. Hij had nog ruim een kwartier.
De moeilijkheid was, dat de geleverde houten kasten in feite te nauw waren om je in te verbergen en dat onheilspellend gekraak alleen maar was te voorkomen door je totaal niet te verroeren. De opdracht om onbeweeglijk te blijven, maakte een lang verblijf in de kasten tot een kwelling. Daarom had De Cock besloten, de kasten pas op het laatste moment te bemannen.
Rechercheur Appie Keizer, in de opmerkelijke vermomming van een verlopen junk, sjokte buiten tussen het leger van behoeftigen over de Achterburgwal. Onder zijn jack had hij een kleine handzame mobilofoon, en zijn enige opdracht was, Vledder met zijn mobilofoon op te roepen, wanneer rond de klok van negen uur iemand het bordes naar de vroegere gelagkamer op zou gaan.
De Cock bleef bij Vader Ambrosius staan. Zijn smalle gezicht met ingevallen wangen zag nog grauwer dan gewoonlijk. Met zijn priemende donkere ogen, zijn lange grijze golvende haren en zijn stemmig zwart kostuum, had hij het aanzien van een orthodoxe, hel en verdoemenis prekende dominee.
De grijze speurder had inmiddels ervaren, dat het slechts een pose was… een schijnbeeld… dat achter dat strenge uiterlijk van Vader Ambrosius een weifelend en onzeker man schuilging.
‘Bang?’ vroeg hij.
Vader Ambrosius plukte aan het haar langs zijn gezicht.
‘Ja,’ verzuchtte hij, ‘ik ben bang. Waarom zou ik dat ontkennen?’
De Cock strekte zijn hand naar hem uit.
‘U kunt zich nog terugtrekken,’ sprak hij vriendelijk. ‘Ik heb u al een paar maal gezegd, uw medewerking geschiedt op basis van vrijwilligheid. Ik dwing u tot niets.’
De oude man friemelde opnieuw aan zijn lange haren.
‘Ik heb de laatste dagen al zoveel zonden begaan, dat ik aan boetedoening toe ben. Bovendien ben ik de profeet dit verschuldigd.’
De Cock schonk hem een bemoedigende glimlach.
‘We hebben er praktisch alles aan gedaan om uw veiligheid te garanderen.’ De oude rechercheur klopte Vader Ambrosius op zijn rug. ‘Die metalen plaat biedt voldoende bescherming. Ik ga ervan uit, dat de moordenaar niet van systeem verandert en u van achteren zal aanvallen.’ De grijze speurder glimlachte opnieuw. ‘Ik kan u moeilijk in een middeleeuws harnas presenteren.’
‘Zal ik hem mijn rug toekeren?’
De Cock knikte.
‘Maar niet te nadrukkelijk,’ adviseerde hij kalm. ‘Dat wekt mogelijk argwaan.’
De Cock liep bij hem vandaan. Vledder kwam de vroegere gelagkamer binnen met achter zich de rijzige gestalte van Fred Prins. De grijze speurder had opnieuw een beroep gedaan op de sterke, zwaargebouwde rechercheur, die zelfs in de moeilijkste omstandigheden zijn kalmte wist te bewaren.
De Cock grinnikte.
‘Ik hoop dat je in die kast past.’
Fred Prins grijnsde met een scheve mond.
‘Ik zal later in mijn eigen houten wambuis beslist minder levensruimte hebben.’
Het klonk cynisch.
De Cock lachte.
‘Levens-ruimte lijkt mij het juiste woord niet.’
Fred Prins wierp nog een monsterende blik op de kast bij de deur van het zaaltje. ‘Als het maar niet te lang duurt,’ sprak hij ernstig. ‘Een paar minuten houd ik het daarin wel uit.’
De Cock schoof de mouw van zijn regenjas iets terug en keek op zijn horloge. Het was een paar minuten voor negen. ‘Het wordt tijd,’ sprak hij hees, ‘dat we onze posities innemen.’
De Cock wachtte even tot Vledder en Fred Prins hadden plaatsgenomen. Toen trok hij de deur van de kast voor zich dicht. Door het kijkgaatje zag hij Vader Ambrosius bij de katheder. Met zijn handen gevouwen voor zich, liep hij ijsberend om het spreekgestoelte heen. Soms wierp hij zijn hoofd even achter in zijn nek en zwaaide met zijn lange haren. Het waren zichtbare uitingen van grote spanning en nervositeit.
Naast De Cock in de kast klonk het geruis van de mobilofoon. Vledder antwoordde: ‘Begrepen.’ Het was voor De Cock duidelijk te verstaan.
De seconden die volgden, vergleden als uren.
De deur van de voormalige gelagkamer ging open en in de deuropening verscheen de gestalte van een stevig gebouwde man. Hij droeg een lichtgrijze regenjas, waarvan de te lange mouwen zijn beide handen onzichtbaar maakten.
Op zijn hoofd, ver naar voren geschoven, droeg hij een zwarte hoed met een uitzonderlijk brede rand. Die rand bedekte aan de voorzijde een gedeelte van zijn gezicht, zodat zijn gelaatstrekken niet duidelijk waren te onderscheiden.
Met een sluipende tred liep hij op Vader Ambrosius toe. Als verstijfd stond de oude man bij de katheder.
Plotseling kraakte de houten kast naast de toegangsdeur, waarin rechercheur Prins zich had opgesteld. In de stilte van de oude gelagkamer klonk het kraken als een hels lawaai.
De binnengedrongen man stopte verschrikt, en stond een fractie van een seconde bewegingloos. Een groot model stiletto gleed uit zijn rechtermouw… bleef trillend in de houten vloer steken.
In een flits draaide de man zich om en rende terug naar de deur.
Vledder en Fred Prins kwamen te laat.
De man rende door de gang naar het bordes. Fred Prins en Vledder volgden hem in een wilde galop.
Met treden tegelijk rende de man de trappen van het bordes af en baande zich vechtend een weg tussen het traag voortschuifelend leger van nieuwsgierigen en behoeftigen langs de eindeloze reeks etalages met schaars geklede vrouwen in zachtroze licht.
Vlak bij de brug van de Stoofsteeg bleef de man even staan. Hij was blootshoofds. Zijn hoed had hij in zijn woeste tocht door de mensenzee verloren en de grijze regenjas hing gescheurd en in flarden aan zijn lijf. Een moment leek hij besluiteloos. Toen sprong hij in de gracht. Het troebele water spatte even op, golfde wat na en de man verdween in de diepte.
Vledder en Fred Prins bleven aan de wallenkant staan.
De Cock kwam zwaar ademend naderbij.
‘Heb je gezien wie het was.’
Vledder draaide zich half om. Het gezicht van de jonge rechercheur zag rood van inspanning.
Hij knikte traag.
‘Diederik… Diederik Laufferbach.’