In zijn gezellige woonkamer zakte De Cock onderuit in een leren fauteuil. Hij voelde de spanning van de vorige dag nog natrillen in zijn botten.
Hij keek naar de jonge mensen om zich heen en vroeg zich af hoelang hij het nog kon doen… hoelang hij lichamelijk en geestelijk nog zoveel weerbaarheid bezat om de immense spanningen van zijn verschrikkelijk beroep te kunnen doorstaan.
De grijze speurder kwam langzaam uit zijn fauteuil overeind en pakte de fles cognac Napoleon, die Smalle Lowietje hem door een van zijn gabbers had laten bezorgen. Met zichtbaar welbehagen vulde hij daaruit diepbolle glazen en reikte die zijn gasten aan.
Mevrouw De Cock kwam uit de keuken met schalen vol lekkernijen. Ze was een culinair genie, ze kon toveren met oven, magnetron en grill. Ze zette de schalen neer en wierp een bewonderende blik op Vledder.
‘Ik heb het hele verhaal van mijn man gehoord. Zonder jou had hij deze zaak nooit tot klaarheid gebracht.’
Vledder bloosde onder de bewondering.
‘U bedoelt mijn kennis van de computer?’
‘Precies.’
Vledder wees naar De Cock.
‘Maar het was weer uw man, die het verband tussen de computerbestanden ontdekte.’
Fred Prins boog zich naar voren.
‘Hebben ze hem al gevonden?’
De Cock knikte.
‘Vannacht… een uur of vier. De rijkspolitie te water vond hem onder de brug bij de Stoofsteeg. Hij had zich tussen de brugconstructies verscholen en was er slecht aan toe. Hij is met spoed naar het Academisch Medisch Centrum gebracht. Daar heb ik vanmorgen nog een poosje met hem mogen praten.’
‘Haalt hij het?’
De Cock trok een bedenkelijk gezicht.
‘De behandelend arts vreesde voor zijn leven. Hij heeft veel vuil grachtwater binnengekregen. Bovendien schijnt een of andere idioot hem tijdens zijn vlucht door het publiek met een mes in zijn rechterzijde te hebben gestoken.’
Fred Prins maakte een verontschuldigend gebaar.
‘Ik kon er gisteravond echt niets aan doen. Ik kreeg plotseling een spiertrekking in een van mijn benen. Ongewild schoot mijn linkervoet vooruit en schopte ik tegen de kastwand.’
Vledder snoof.
‘Het leek wel alsof er een kanon werd afgeschoten.’ De jonge rechercheur keek naar De Cock. ‘Ik laat mij nooit meer in een kast opsluiten. Ik zag die Diederik Laufferbach schrikken, maar ik kon niet zo gauw uit die kast komen. De deur klemde.’
Appie Keizer grinnikte.
‘Ik zag jullie plotseling van het bordes rennen. Ik begreep er niets van.’ Hij bracht zijn beide handen naar voren. ‘Heeft die Laufferbach al die moorden gepleegd?’
De Cock knikte.
‘Diederik Laufferbach, directeur en eigenaar van uitgeverij De Oude Bataaf in Bussum.’
‘Wanneer begon het?’
De Cock pakte zijn glas op en nam een slok van zijn cognac. Hij zette zijn glas weer neer en spreidde zijn beide handen.
‘Wanneer begint een moord? Voor ons politiemensen is dat het moment van uitvoering… wanneer iemand een mes trekt, een pistool hanteert of zijn handen wurgend om de keel van zijn slachtoffer legt. Maar dat is niet juist. Een moord begint veel vroeger. Het exacte moment is voor ons vrijwel nooit te achterhalen. Het ontstaat plotseling… een vonk in de schimmige gedachtewereld van de dader.
Bij Diederik Laufferbach, zo vertelde hij mij, ontstond de gedachte aan moord toen hij een manuscript van Sjoerd van Obergum in handen kreeg.’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Dat begrijp ik nog niet.’
De Cock ademde diep.
‘Diederik Laufferbach, directeur en eigenaar van De Oude Bataaf, had een successchrijver onder contract… zoals uitgevers dat noemen… in zijn stal.’
‘Stanley van Blaisse.’
De Cock knikte.
‘De boeken van Stanley van Blaisse bereikten grote oplagen. De winsten die daaruit voortvloeiden, gaven Diederik Laufferbach de mogelijkheid om een uiterst kostbare, extravagante levensstijl te ontwikkelen. Hij bezocht frequent gokpaleizen en onderhield een reeks maîtresses.’
De oude rechercheur zweeg even en liet zich wat terugzakken in zijn fauteuil.
‘Maar zelfs successchrijvers hebben geen eeuwig leven. Stanley van Blaisse werd ziek. Van zijn hand verschenen vrijwel geen nieuwe boeken meer en Diederik Laufferbach begreep, dat de dood van Stanley van Blaisse tevens het einde betekende van de flamboyante levensstijl die hij zo beminde.
Toen dwarrelde op zijn bureau een manuscript van Sjoerd van Obergum neer. Diederik Laufferbach ontdekte onmiddellijk, dat de schrijftrant van de profeet vrijwel overeenkwam met die van Stanley van Blaisse. Bovendien schreven beiden over hetzelfde milieu. Stanley van Blaisse had zijn jeugd in criminele kringen doorgebracht en kon daar boeiend over vertellen. De profeet putte zijn gegevens uit datzelfde milieu door te praten met de jongeren van zijn clubje.’
Fred Prins gebaarde.
‘Ik begrijp het al,’ riep hij opgetogen. ‘Diederik Laufferbach wilde het manuscript van Sjoerd van Obergum gebruiken als ware het geschreven door de succesvolle Stanley van Blaisse.’
De Cock strekte zijn wijsvinger naar hem uit.
‘Heel goed. Laufferbach ging uiterst sluw te werk. Onder het voorwendsel dat zijn manuscripten nog net niet het juiste niveau hadden bereikt om uitgegeven te worden, spoorde hij Sjoerd van Obergum aan om steeds opnieuw aan een nieuw manuscript te beginnen.’
Appie Keizer keek hem niet-begrijpend aan.
‘Daar kon hij toch niet eeuwig mee doorgaan?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Toen Sjoerd van Obergum zijn vierde manuscript had ingeleverd, eiste hij van Diederik Laufferbach de manuscripten in boekvorm uit te geven… of ze anders terug te bezorgen, zodat hij, de profeet, zijn geluk bij een andere uitgever kon beproeven.’
Vledder grijnsde.
‘Dat kwam Laufferbach niet goed uit.’
De Cock schudde opnieuw zijn hoofd.
‘Diederik Laufferbach zat in de knel. Stanley van Blaisse was een paar dagen tevoren overleden en hij had overal verkondigd, dat De Oude Bataaf nog enige manuscripten van Stanley van Blaisse in bewerking had, die alsnog postuum zouden worden uitgegeven.’
‘Motief voor moord.’
De Cock knikte.
‘Diederik Laufferbach,’ sprak hij somber, ‘kocht een groot model stiletto en toog naar de woning van de profeet aan het Turfdraagsterpad. Het was, zo vertelde hij mij, niet direct zijn bedoeling om dat wapen ook werkelijk te gebruiken. Hij wilde eerst proberen om met Sjoerd van Obergum tot een vergelijk te komen.
In een emotioneel gesprek vroeg hij de profeet om zijn toestemming de ingeleverde manuscripten onder de naam Stanley van Blaisse uit te geven.
Sjoerd van Obergum… verontwaardigd… weigerde.’
Vledder kneep zijn lippen op elkaar.
‘Het werd zijn dood.’
De Cock knikte.
‘Om ons op een dwaalspoor te brengen, maakte Diederik Laufferbach een enorme ravage in de woning van de profeet. Hij haalde alles overhoop, duwde de deur uit haar sponningen en deed het voorkomen alsof de profeet bij een inbraak om het leven was gekomen.’
Vledder keek hem verward aan.
‘Diederik Laufferbach heeft ook het houten cilinderbureau overhoop gehaald. Waarom nam hij die vijftigduizend gulden niet mee?’
De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.
‘Die waren er niet meer.’
‘Wat?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Hoewel jij nogal gecharmeerd van haar leek,’ antwoordde hij fijntjes, ‘had ik al van het begin af aan het idee, dat Barbara… Belinda van de Bosch ons bedroog. Ze had die vijftigduizend gulden een dag tevoren… overigens met toestemming van de profeet, die het toch niet geheel vertrouwde om zoveel geld in huis te hebben… naar Vader Ambrosius gebracht.
Toen ze de profeet op de dag van de bijeenkomst dood aantrof, was ze aanvankelijk te versuft om nuchter te kunnen denken. Later kwam ze op het idee om aan ons de gedachte op te dringen, dat de profeet omwille van het geld was vermoord en dat de moordenaar al het geld had meegenomen.
Later op de avond ging ze naar Vader Ambrosius, vertelde hem wat ze had gedaan en stelde de oude man voor om het geld niet aan de jongeren van het clubje te geven, maar het samen te delen… en niet alleen het geld.’
‘Hoe bedoel je?’
De Cock glimlachte.
‘Barbara moet heel goed hebben beseft, dat Vader Ambrosius op haar vermetel plan zou ingaan en… voor haar charmes zou bezwijken.’
Vledder zuchtte.
‘Haar duivelse verleidingskunst… hij was er al zo bang voor.’
Fred Prins gebaarde voor zich uit.
‘Waarom die andere moorden.’
De Cock boog zich iets naar hem toe.
‘Laufferbach begreep dat de vriendin van Sjoerd van Obergum de inhoud van de manuscripten van de profeet moest kennen en beslist zou gaan reageren wanneer de schriftstukken van de profeet onder de naam van Stanley van Blaisse zouden worden gepubliceerd.’
Fred Prins knikte begrijpend.
‘Werd om die reden ook de vrouw in de Vierwindenstraat vermoord?’
De Cock liet zijn hoofd iets zakken.
‘Arme tante Evelien. Ze werkte al jaren voor Diederik Laufferbach. Vrijwel alle manuscripten die De Oude Bataaf uitgaf, werden door haar persklaar gemaakt. Ze was ook volkomen op de hoogte van het plan om de manuscripten van Sjoerd van Obergum onder de naam van Stanley van Blaisse uit te geven.’
Fred Prins fronste zijn wenkbrauwen.
‘Bezwaarde haar dat niet?’
De Cock trok zijn schouders op.
‘Ik ben niet bekend met de ethiek van het uitgeversgilde. Maar na de moord op de profeet en zijn vriendin vond Diederik Laufferbach het toch te riskant om Evelien de Groot in leven te laten. Ze liet hem nietsvermoedend binnen. Toen hij haar had vermoord, zocht hij in haar werkkamer alles af… floppy’s, contracten, bescheiden, die mogelijk op een verband tussen haar en de uitgeverij De Oude Bataaf konden wijzen.’
Vledder grijnsde.
‘Hij vergat dat een computer ook een harde schijf heeft, waarop bestanden zijn aangebracht.’
De Cock knikte.
‘En hij wist niet dat de profeet ’s nachts, wanneer hij een inval had, soms stukken van zijn manuscript achter zijn bed op het behang schreef. Die stukken op het behang hebben we in de computer van tante Evelien teruggevonden in tekstgedeelten, die onder de naam Stanley van Blaisse zouden worden gepubliceerd.’
Fred Prins spreidde zijn beide handen.
‘Dan begrijp ik nog niet,’ sprak hij weifelend, ‘waarom die Diederik Laufferbach naar de Achterburgwal kwam om Vader Ambrosius te vermoorden.’
Om de mond van de grijze speurder gleed een grijns.
‘Daar had ik de hand in. Toen ik wist dat Vader Ambrosius in het bezit was geweest van die vijftigduizend gulden, had ik een middel om hem aan mijn plan dienstbaar te maken.’
‘Chantage?’
De Cock tuitte zijn lippen.
‘Noem het een geestelijk overwicht. Ik liet Vader Ambrosius via de telefoon aan Diederik Laufferbach openbaren, dat hij, Vader Ambrosius, wist waarom de profeet, Barbara en mevrouw De Groot waren vermoord en dat hij in het bezit was van afdrukken, die hij eens op verzoek van de profeet van de manuscripten had gemaakt. Voor een half miljoen was Vader Ambrosius wel bereid om afstand van de afdrukken te doen.’
De oude rechercheur vouwde zijn handen.
‘Diederik Laufferbach concludeerde dat hij weinig keus had.’
Fred Prins grijnsde.
‘Een typische De Cock-truc.’
De grijze speurder reageerde niet.
‘Ik heb er lang over gepeinsd,’ ging hij verder, ‘waarom mevrouw De Groot het bestand Obergum in de computer liet staan. Ik denk dat het niet veel meer was dan een losse notitie na een opdracht van Laufferbach. Ik ben er achteraf van overtuigd, dat een van de manuscripten van Sjoerd van Obergum inderdaad met de dichtregels van Willem Elsschot begon. Toen Laufferbach ons van die dichtregels had verteld, konden die uiteraard niet in het pseudo-manuscript van Stanley van Blaisse blijven staan. Vandaar… weg-laten.’
De oude rechercheur zweeg even.
‘Maar doodslaan deed hij niet,’ declameerde hij luid, ‘want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren.’
Om zijn lippen zweefde een matte glimlach.
‘Het is dom om wetten en praktische bezwaren weg te laten. En dat geldt niet alleen voor Laufferbach.’
Fred Prins en Appie Keizer lachten, maar reageerden verder niet.
De Cock schonk nog eens in. De lange uiteenzetting had hem vermoeid. Hij nam zijn glas op, liet het schommelen, drukte het onder zijn neus en snoof. De prikkelende geur van de cognac verkwikte hem.
Mevrouw De Cock ging opnieuw met lekkernijen rond en het gesprek werd algemener. De dood van de profeet raakte wat op de achtergrond.
Nadat de gasten op een nog redelijk uur waren vertrokken, trok mevrouw De Cock een poef bij en ging recht tegenover haar man zitten.
‘Zou je zelf niet eens computerles gaan nemen? Tegenwoordig heeft bijna iedereen zo’n peecee in huis staan.’
De Cock trok zijn schouders op.
‘Ik heb Vledder.’
Mevrouw De Cock schoof haar poef nog iets dichterbij.
‘De anderen hebben het niet gevraagd… maar wat doe je met het geld van die meiden?’
De Cock glimlachte.
‘Verdelen… verdelen onder de leden van het clubje… zoals de profeet dat had gewild.’
‘Met inachtneming van hun talenten?’
‘Precies.’
Mevrouw De Cock keek naar hem op.
‘Neem je de taak van de profeet over?’
De oude rechercheur schudde zijn hoofd.
‘Dat kan niet meer,’ antwoordde hij somber. ‘Na dertig jaar politie is mijn geloof in een proces van loutering weggeëbd.’