4

Belinda van de Bosch bleef voor het bureau van De Cock staan. Haar lange zwarte haren hingen half voor haar gezicht en haar mond stond strak. Ze wuifde wat bruusk naar een slungelige jongeman, die in een verschoten spijkerpak schuin achter haar stond.

‘Peter Zandvliet.’

Haar stem klonk schor.

De Cock reageerde niet direct. Hij beduidde de jongeman om achter Belinda vandaan te komen en zich naast haar op te stellen. Scherp onderzoekend keek hij hem aan. Hij was lang, vond hij, en te mager.

De oude rechercheur schatte hem op negentien, twintig jaar. Hij had een klein vlasbaardje en lang blond haar, dat in zijn nek tot een staartje was samengebonden. Zijn grote voeten staken in een paar splinternieuwe dure basketbalschoenen.

De blik van de grijze speurder gleed van de jongeman terug naar Belinda van de Bosch. Hij trok zijn wenkbrauwen op. ‘Ik dacht,’ sprak hij op verbaasde toon, ‘dat mijn collega Vledder u bij de zusters Augustinessen had ondergebracht?’

De jonge vrouw knikte.

‘Ik ben daar weggelopen.’

‘Waarom?’

Belinda van de Bosch maakte een verontschuldigend gebaartje. ‘Het had geen enkele zin om al naar bed te gaan. Ik zou toch niet kunnen slapen. Ik was veel te onrustig.’

De Cock glimlachte.

‘Toen bent u maar vast op onderzoek gegaan.’

Belinda van de Bosch schudde haar hoofd.

‘Het vinden van de moordenaar van Sjoerd is uw taak,’ reageerde ze kalm. ‘U werkt aan een soort gerechtigheid, waarmee ik mij liever niet bemoei. Ik was echter bang dat u een soort klopjacht op Peter zou openen… met alle mogelijke gevolgen.’

‘Zoals?’

Belinda van de Bosch zuchtte diep. Ze wees over haar schouder. ‘Ik ken Peter Zandvliet nu al ruim een halfjaar. Hij is een emotionele knaap, die zich gauw bedreigd voelt en dan snel… heftig… meestal ongecontroleerd reageert. Ik wilde een stuitende confrontatie met u… uw mannen… en Peter vermijden.’ Ze zweeg even. Nadrukkelijk. ‘Begrijpt u mij goed… in het belang van Peter.’

De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.

‘Uw genegenheid is eenzijdig.’

Het gezicht van Belinda van de Bosch verstarde.

‘U hebt mijn genegenheid niet nodig,’ reageerde ze bits. ‘Als u wilt, kunt u over een heel politieapparaat beschikken. Peter niet. Hij is een eenling… onbeschermd en… onschuldig.’

Vledder boog zich met een ruk naar voren.

‘Onschuldig?’ vroeg hij scherp.

Belinda van de Bosch knikte.

‘Absoluut.’

De jonge rechercheur grinnikte.

‘Waar haalt u die zekerheid vandaan?’

Belinda van de Bosch stak haar beide handen omhoog.

‘Peter zegt dat hij onschuldig is.’

Het klonk alsof ze geen tegenspraak duldde.

Over het gezicht van de jonge rechercheur gleed een grijns. ‘Onze gevangenissen zitten vol met lieden die zeggen onschuldig te zijn.’

Belinda van de Bosch reageerde niet. Ze wendde zich tot De Cock. ‘Ik heb op de gang een bank zien staan. Ik blijf daar wachten tot u met Peter klaar bent. Dan neem ik hem weer onder mijn hoede.’

Vledder kwam wild overeind.

‘En dacht u echt,’ snauwde hij onbeheerst, ‘dat u hem meekreeg?’

Belinda van de Bosch wierp een korte blik op de jonge rechercheur. Haar lichtgroene ogen vonkten en haar mond vormde opnieuw een strakke lijn. Zonder iets te zeggen draaide ze zich om en schreed met opgeheven hoofd de kamer uit.

De Cock verborg een glimlach achter zijn hand. Daarna beduidde hij de jongeman om op de stoel naast zijn bureau plaats te nemen.

‘Ik ben rechercheur De Cock,’ opende hij vriendelijk, ‘De Cock met… eh, ceeooceekaa. Dan weet u met wie u van doen hebt.’

Peter Zandvliet schoof zijn onderlip vooruit.

‘Ik ken u wel.’

‘Waarvan?’

‘De Bijlmerbajes.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Bijlmerbajes?’ herhaalde hij vol ongeloof.

Peter Zandvliet knikte. ‘Ze hebben daar in de bibliotheek heel veel boeken over u. Ik heb er een paar van gelezen.’

De Cock schudde afkeurend zijn hoofd.

‘U moet niet alles geloven wat die Baantjer over mij schrijft,’ verzuchtte hij. ‘Die man heeft een ongebreidelde fantasie.’ De oude rechercheur liet het onderwerp rusten. Hij boog zich iets naar voren. ‘Wanneer zat u in de Bijlmerbajes?’

‘Vorig jaar.’

‘Hoe lang?’

‘Drie maanden.’

‘Waarvoor?’

Peter Zandvliet plukte aan het jack van zijn spijkerpak.

‘Ik had wat nieuwe kleren nodig,’ sprak hij achteloos, ‘en ik zat wat slecht bij kas.’

De Cock knikte begrijpend.

‘De oplossing lag voor de hand,’ reageerde hij zacht, cynisch. ‘Wat werd het: een beroving of een diefstal met braak?’

Peter Zandvliet trok zijn schouders iets op.

‘Diefstal met braak.’

De oude rechercheur leunde in zijn stoel achterover en keek demonstratief naar de splinternieuwe dure basketbalschoenen die de jongeman droeg. ‘Ook… diefstal met braak?’

Peter van Zandvliet schudde zijn hoofd.

‘Gekocht… van mijn eigen geld. Ik werk zo nu en dan voor een uitzendbureau. Verdien genoeg om van te leven. Ik wil ook geen uitkering meer.’

‘Je bent weer op het rechte pad?’

Peter Zandvliet grinnikte.

‘Dat klinkt wat lullig, maar zo is het wel.’

De Cock keek hem schuins aan.

‘Dankzij de profeet?’

Peter Zandvliet ontweek zijn blik.

‘Ik mocht hem wel… de profeet. Als hij vertelde, dan luisterde ik graag naar hem. Hij kon over God praten alsof die werkelijk bestond.’

De Cock negeerde de opmerking.

‘Het kopen van dat lot was jouw idee?’

Peter Zandvliet knikte.

‘U moet dat niet verkeerd begrijpen,’ legde hij uit. ‘Het was niet de bedoeling om daarmee de profeet te treiteren. Ik meende wat ik zei.’

‘Dat God zich maar eens moest bewijzen.’

Peter Zandvliet verschoof iets op zijn stoel.

‘Vindt u dat gek?’

De Cock streek met zijn hand over zijn kin. Hij voelde weinig voor een theologische discussie. ‘De profeet is dood,’ sprak hij gelaten.

‘Ja.’

De Cock gebaarde voor zich uit.

‘Heeft Belinda… ik bedoel… heeft Barbara jou verteld van die vingerafdruk op de knop van de geldlade in het houten cilinderbureau?’

Peter Zandvliet knikte met een zucht.

‘Dat had ze niet moeten doen,’ sprak hij afkeurend. ‘Dat was stom.’

De Cock trok rimpels in zijn voorhoofd.

‘Waarom stom?’

Peter Zandvliet maakte een hulpeloos gebaartje.

‘U kunt nu denken dat ik tijd genoeg had om een verhaaltje te verzinnen.’

De Cock gebaarde in zijn richting.

‘En… had je tijd genoeg?’

Om de mond van Peter Zandvliet gleed een smartelijke trek.

‘Ja… tijd genoeg,’ sprak hij geëmotioneerd. ‘Maar ik hoefde niets te verzinnen. Die vingerafdruk is van mij… duidelijk zat. Ik ben met mijn vingers aan dat laadje geweest.’

‘Wanneer?’

‘Vanavond.’

‘Waarom?’

Peter Zandvliet zwaaide heftig.

‘Om te kijken of dat geld er nog was.’ Hij sloot zijn ogen, bracht zijn beide handen voor zijn gezicht en liet zijn hoofd zakken.

De Cock liet hem even begaan.

Na enkele seconden nam Peter Zandvliet zijn handen weg en keek op. ‘Er… er was een samenkomst vanavond,’ ging hij hakkelend verder. ‘Ik besloot de profeet op te halen om samen met hem naar de Achterburgwal te wandelen. Ik wilde nog eens met hem praten over die talenten, waarvan hij had gesproken. Ik wilde de profeet voorstellen om aan ons telkens opnieuw voorwaarden te stellen… hoe wij het geld zouden moeten besteden. Dat leek mij toch beter, dan alleen op onze talenten te vertrouwen.’

Peter Zandvliet slikte. Zijn te grote adamsappel wipte op en neer. ‘De deur van zijn woning was open… zoals altijd. Ik ging naar binnen en zag dat alles overhoop was gehaald… een complete puinhoop. Ik vond de profeet op de grond van zijn slaapkamer. Naast zijn bed. Uit zijn rug stak een grote stiletto.’

De jongeman schudde even huiverend zijn hoofd.

‘Ik heb nog nooit in mijn leven een dood mens gezien, maar ik wist onmiddellijk dat de profeet dood was… niet meer leefde. Ineens dacht ik aan onze prijs… aan het vele geld van ons lot. Ik wist dat de profeet dat geld in een lade van zijn cilinderbureau had geborgen. Ik ging terug naar de woonkamer en trok die lade open… met een ruk. Het geld was weg.’

Peter Zandvliet zweeg. In de lange stilte die volgde, werd boven hun hoofden het zoemen van de defecte tl-balk weer hoorbaar. Ook de geluiden van de straat drongen weer tot de recherchekamer door.

De Cock wreef zich achter in zijn nek.

‘En toen?’ vroeg hij vermoeid.

Peter Zandvliet spreidde zijn beide handen.

‘Ik stond als aan de grond genageld. Het geld weg. Dat was het. Daarvoor was de profeet vermoord. Plotseling besefte ik in wat voor een gevaarlijke situatie ik mij bevond. Als iemand mij hier in de woning zou aantreffen, dan… dan… dan zou eenieder denken dat ik de profeet had omgebracht. In paniek ben ik gevlucht. Ik durfde niet naar die samenkomst te gaan, waar al die mensen tevergeefs op de profeet zaten te wachten. Ik wist ook niet hoe ik het hun zou moeten vertellen… van de moord en het geld dat weg was. Ik heb toen zomaar wat rondgelopen… straat in, straat uit… verdoold. Uiteindelijk ben ik naar mijn kamertje gegaan op de Bloemgracht. Daar heb ik gezeten tot Barbara kwam.’

‘Vond je dat vreemd?’

‘Nee.’

‘Je hebt jouw verhaal aan haar verteld?’

Peter Zandvliet knikte.

‘Barbara zei dat ze mij geloofde… dat ze geloofde dat ik de profeet niet had vermoord… en raadde mij aan om met haar mee te gaan naar u.’ Hij keek op, een smekende blik in zijn ogen. ‘U… gelooft u mij?’

De Cock schonk hem een matte glimlach.

‘Het is niet zo belangrijk wat ik geloof,’ sprak hij zacht. ‘Belangrijker is de waarheid.’

Peter Zandvliet reageerde fel.

‘Het is de waarheid,’ schreeuwde hij wild. ‘Daar is niets aan gelogen. Het is de waarheid… van a tot z. Ik bezweer het u.’

De Cock keek hem scherp aan. Hij hield er niet van als mensen hem iets bezworen.

‘Bezweren?’ sprak hij met een ondertoon van sarcasme, ‘bij wie… bij wat… bij alles wat je dierbaar is?’

De jongeman trok zijn schouders op.

‘Er zijn maar weinig dingen,’ reageerde hij achteloos, ‘die mij dierbaar zijn.’

De Cock boog zich naar hem toe.

‘Bezweren,’ drong hij aan, ‘bij God… de God van de profeet?’

Peter Zandvliet schudde zijn hoofd, traag, nadenkend. ‘Ook niet bij God… daarvoor ken ik Hem niet goed genoeg.’

Vledder keek De Cock verbijsterd aan.

‘Je liet hem gaan… je liet hem gaan,’ riep hij onstuimig. ‘Als wij bij die vingerafdruk op de knop van het laadje nog een getuige hadden gevonden, die hem uit de woning van de profeet had zien vluchten, dan hadden we een ronde zaak gehad.’

De Cock knikte gedwee.

‘Een ronde zaak. Maar ook de werkelijke moordenaar van de profeet?’

Vledder gebaarde heftig.

‘Peter van Zandvliet had tijd genoeg… tijd om dat fraaie verhaal van hem te bedenken en tijd genoeg om dat vele geld weg te werken.’

De Cock steunde met zijn ellebogen op zijn bureau en legde zijn kin in een kommetje van zijn handen. ‘Ik wil best een ronde zaak,’ sprak hij loom, ‘een gesloten bewijsvoering, maar als ik daarbij niet tevens persoonlijk de overtuiging heb de ware moordenaar te hebben gevonden, dan…’ De oude rechercheur maakte zijn zin niet af.

‘Jij hebt niet de overtuiging dat Peter Zandvliet de moordenaar is?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Mijn oude moeder zei altijd: “Wie licht zweert, die licht liegt”. Dat bracht mij even in de war.’

‘Maar je gelooft in zijn onschuld?’

De Cock zuchtte.

‘Ik wil ook de andere leden van het clubje wel eens bekijken. Heb je hun namen genoteerd?’

Vledder knikte.

‘Wat mij opviel, was dat die Peter Zandvliet ze allemaal met naam en toenaam kende… precies wist waar ze uithingen en wat ze op hun kerfstok hadden.’

De Cock kauwde op zijn onderlip.

‘Ik vermoed,’ sprak hij bedachtzaam, ‘dat Sjoerd van Obergum tijdens die bijeenkomsten in zijn woning aan het Turfdraagsterpad de jongeren aanzette tot een gezamenlijke biecht… een soort geestelijke schoonmaak om met een schone lei te beginnen aan een nieuw leven… door de profeet geleid.’

‘Je bedoelt dat Peter Zandvliet op die manier zo gedetailleerd aan zijn gegevens kwam?’

‘Precies.’

Vledder boog zich over zijn lijstje.

‘Het zijn er vijf… twee jonge vrouwen en drie jonge mannen… allemaal rond de twintig. Er zijn een paar fraaie exemplaren bij… minderjarigen met voor hun leeftijd al een knap strafblad.’ De jonge rechercheur keek op. ‘Ik moet zeggen… de profeet had lef om met zo’n stelletje in zee te gaan.’

De Cock staarde somber voor zich uit.

‘Het werd zijn dood.’

Загрузка...