11

Vanuit het fraaie flatgebouw sjokten ze naar de geparkeerde Golf. Vledder opende het portier en schoof achter het stuur. De Cock nam naast hem plaats en klikte zijn autogordel vast.

Vledder legde zijn beide handen op zijn knieën en leunde behaaglijk achterover.

De Cock keek hem verwonderd aan. ‘Gaan we hier kamperen?’

Vledder ademde diep. ‘Ik moet even bijkomen.’

‘Waarvan?’

Vledder wees in de richting van het flatgebouw.

‘Dat verhaal van Dikke Hennie. Het is nauwelijks te geloven. Wat een vent.’

‘Je bedoelt Henkie Spaargaren?’

Vledder knikte.

‘Het verbaast mij niets dat hij een paar kogels is tegengekomen. Het was pure uitlokking. Blaffer Henkie vroeg erom.’

De Cock wees naar het contactslot.

‘Zou je niet eens starten?’

Vledder zwaaide afwerend.

‘Wacht even. Voor ik hier wegrijd wil ik alles even op een rijtje zetten.’

De jonge rechercheur tikte met de middelvinger van zijn rechterhand tegen zijn voorhoofd.

‘Hier vanboven is alles nog een beetje chaotisch.’ Hij zweeg een paar seconden.

‘Blaffer Henkie,’ memoreerde hij, ‘in zijn hoedanigheid van huurmoordenaar… wordt benaderd door een vrouw.’

De Cock grinnikte.

‘Een serpent van een wijf.’

Vledder negeerde de opmerking.

‘De vrouw verlangt van Blaffer Henkie, dat hij een man om zeep helpt.’

‘Een man met zwart krullend haar en een snor.’

Vledder reageerde geprikkeld.

‘Laat mij nu even denken.’

De jonge rechercheur strekte zijn handen voor zich uit. ‘Blaffer Henkie voert, zoals bij hem gebruikelijk, zijn opdracht tot moord niet uit. Integendeel, hij chanteert de vrouw die hem de opdracht gaf.’

De Cock knikte instemmend.

‘Tot verwondering van Blaffer Henkie laat de vrouw… ik herhaal, een serpent van een wijf… zich niet chanteren. En wat doet dan Blaffer Henkie?’

Vledder lachte.

‘Hij zoekt contact met de man die hij had moeten vermoorden en vraagt aan die man hoeveel het hem waard is als hij, Blaffer Henkie, hem de naam van zijn opdrachtgever noemt.’

De jonge rechercheur lachte opnieuw.

‘Dat noem ik lef.’

De Cock knikte.

‘Lef, die hij met de dood moest bekopen.’

Vledder trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.

‘Jij gaat er ook van uit dat de man met de snor Henkie heeft omgelegd?’

De Cock knikte.

‘Blaffer Henkie is het laatst in gezelschap van zo’n man gezien,’ antwoordde hij gelaten. ‘De recherche in Lelystad probeert al een paar dagen zijn identiteit te achterhalen.’

‘Motief?’

De Cock trok een bedenkelijk gezicht.

‘De man had tegen Henkie kunnen zeggen dat het hem niet interesseerde wie zijn dood zocht… Dat die wetenschap hem geen stuiver waard was.’

De oude rechercheur schudde zijn hoofd.

‘Maar dat is niet aannemelijk. Ik denk dat de man met de snor wel degelijk op het aanbod van Henkie is ingegaan en dat Henkie hem de naam van zijn opdrachtgeefster ook werkelijk heeft genoemd.’

Vledder trok zijn gezicht strak.

‘Tegen een beloning van vier kogels in zijn rug.’

Het klonk cynisch.

‘Henkie Spaargaren,’ formuleerde hij voorzichtig, ‘was al jong een geboren gokker… een grenzeloze opportunist. Hij beschouwde het leven als een amusant spelletje… met om zich heen mensen als marionetten.’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Hij vergat dat er ook mensen zijn die niet met zich laten spelen.’

De jonge rechercheur startte de motor van de Golf en reed van de parkeerplaats weg.

‘We kunnen onze collega’s uit Lelystad niet veel wijzer maken,’ sprak hij somber. ‘De man met de snor blijft, ondanks het verhaal van Dikke Hennie, een duister figuur.’

De Cock scheen hem niet te horen. De oude rechercheur zakte onderuit en schoof de rand van zijn hoedje tot op de rug van zijn neus.

‘De opdrachtgeefster,’ mompelde hij zachtjes. ‘Een serpent van een wijf… een serpent van een wijf… Sabrine Achterbroek?’

De Cock wierp zijn oude hoedje missend naar de kapstok. Hij nam niet de moeite om het op te rapen en liep door. Met zijn regenjas nog aan ging hij achter zijn bureau zitten en gebaarde naar Vledder.

‘Hoe laat is vanmiddag de sectie op het lijk van Sarah Harreveld?’

De jonge rechercheur keek op zijn horloge.

‘Over anderhalf uur.’

‘Bel dan voor je weg gaat nog even met Bob Verhagen en vraag hem of hij al iets van Marjolein Ridderspoor heeft gehoord. Hij is toch de eerste met wie zij contact zal opnemen.’

‘Dat neem ik aan.’

De Cock trok een zorgelijk gezicht.

‘Het zint mij niet dat ze is verdwenen,’ sprak hij somber. ‘Marjolein Ridderspoor is wellicht de enige die ons nog op het juiste spoor kan zetten. Ze zal ons moeten vertellen waarom zij net als Yolanda van Zelhem en Sarah Harreveld vijfentwintigduizend gulden op de rekening van Sabrine Achterbroek stortte… waarvoor dat vele geld diende. En als die theorie uit jouw slapeloze nacht juist is, bezit ook zij documenten of bescheiden, die belastend zijn voor de moordenaar.’

Vledder grijnsde.

‘Zullen we een inkijkje maken?’

De Cock keek hem niet-begrijpend aan.

‘Wat is een inkijkje?’

Vledder glimlachte fijntjes.

‘Zo noemt men dat tegenwoordig, wanneer de recherche om bewijzen te verzamelen ongevraagd en zonder de vereiste papieren ergens binnendringt. Dan spreekt men van een inkijkje.’

De Cock keek hem onderzoekend aan.

‘Hoe dacht je dat bij Marjolein Ridderspoor te doen?’

Vledder trok een grimas.

‘Jij hebt toch dat apparaatje van Handige Henkie?’

De Cock reageerde verrast.

‘Wanneer ik dat in het verleden gebruikte, had je een rugzak vol bezwaren.’

Vledder maakte een schouderbeweging.

‘Misschien is… in een langzaam proces… ook bij mij de normvervaging binnengeslopen. Criminelen kunnen zich van alles veroorloven en wij…’

De jonge rechercheur maakte zijn zin niet af. De deur van de grote recherchekamer ging langzaam open en in de deuropening verscheen Peter van der Horst. In zijn groene trenchcoat liep hij aarzelend op De Cock toe. Aan zijn rechterhand bungelde een diplomatenkoffertje.

‘Hebt u even tijd?’ vroeg hij schuchter.

De oude rechercheur knikte en gebaarde uitnodigend naar de stoel naast zijn bureau.

Peter van der Horst nam plaats, zette het koffertje tussen zijn benen en knoopte zijn trenchcoat los.

‘Ik wilde u vragen of u al precies weet wat er met Sabrine Achterbroek is gebeurd. Ik dacht dat ze zich had opgehangen, maar vanmorgen stond in de krant dat ze werd vermoord.’

De Cock knikte. ‘Ze werd vermoord.’

Peter van der Horst keek hem verbaasd aan.

‘Ik heb haar toch zien hangen?’

De Cock deed zijn ogen even dicht. Het leek hem niet verstandig om uitleg te geven.

‘Ze werd vermoord,’ herhaalde hij kalm.

‘En Sarah Harreveld?’

‘Wat is er met Sarah Harreveld?’

‘In de krant stond dat ook zij werd vermoord.’

De Cock keek hem onderzoekend aan.

‘Heb jij Sarah Harreveld gekend?’

Peter van der Horst knikte.

‘Ze kwam vaak bij tante Yolanda op bezoek.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Sarah Harreveld zei mij een dag voor haar dood, dat ze geen Peter van der Horst kende.’

‘Zei ze dat?’

‘Absoluut.’

‘Hebt u gezegd dat ik een neef van Yolanda van Zelhem was?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ik heb alleen de naam Peter van der Horst genoemd.’

De jongeman zuchtte.

‘Ik begrijp het,’ sprak hij opgelucht. ‘Tante Yolanda stelde mij altijd voor als Peter van Zelhem. Zij gebruikte de naam Van der Horst nooit. Sarah Harreveld zal die naam, in verband met mij, nooit hebben horen noemen.’

De Cock keek hem vragend aan.

‘Waarom was dat? Ik bedoel, waarom gebruikte tante de naam Van der Horst niet?’

De jongeman trok zijn schouders op.

‘Het was een eigenaardigheid van tante. Ik vermoed dat ze niet zo erg op mijn vader… de man van haar zuster… was gesteld en daarom zijn naam verzweeg.’

De Cock knikte.

‘Wanneer Sarah Harreveld bij uw tante op bezoek was, waar spraken ze dan over?’

Peter van der Horst glimlachte.

‘In mijn bijzijn over onbenullige dingen. Ik was dat geklets gauw zat en liet die twee alleen.’

De jongeman tilde het koffertje op zijn knieën.

‘Ik ben de woning van tante aan het uitmesten.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Mensen, mensen, wat heeft dat mens in haar leven een hoop rommel verzameld. Ik was eerst van plan om er gewoon een opkoper bij te halen, maar ik bedacht dat ik haar toch wel iets was verschuldigd. Ze is altijd goed voor mij geweest. Ik ben haar inboedel gaan inventariseren.’

Peter van der Horst knipte zijn koffertje open.

‘In een oude hoedendoos vond ik een stapel krantenknipsels… verzameld over een hele reeks van jaren. Ik vond het zo vreemd, dat ik besloot om ze naar u te brengen.’

‘Waarom vreemd?’

Peter van der Horst nam een berg krantenknipsels uit zijn diplomatenkoffer en legde die op een hoek van het bureau van De Cock.

‘Tante Yolanda was een preutse vrouw. In al die jaren dat ik bij haar in huis was, heb ik nooit een glimp van haar borsten of billen gezien. Ze droeg altijd lange rokken en hooggesloten blouses. Volgens mij heeft ze nooit een relatie met een man gehad. Over hartstocht en seks heb ik haar nooit horen praten.’

De Cock grinnikte.

‘Wat probeer je mij duidelijk te maken?’

Peter van der Horst wees voor zich uit naar de krantenknipsels op het bureau.

‘Rechtbankverslagen… alleen rechtbankverslagen over… over ver-krach-tin-gen.’


Met zijn handen diep in de zakken van zijn regenjas gestoken, slenterde De Cock in zijn eentje over de Achterburgwal. Hij liet het bijwonen van gerechtelijke secties graag aan collega Vledder over. Hij had in zijn lange loopbaan bij de recherche genoeg lijken opengesneden zien worden en wist al jaren hoe gecompliceerd een mens er vanbinnen uitzag.

Het was stil op de Wallen. Bij de meeste hoerenpandjes waren de gordijnen van de peeskamertjes gesloten. De lichten van het redlight-district waren nog niet ontstoken.

De oude rechercheur lichtte beleefd zijn hoedje voor een bedaagde prostituée, die met een tas vol boodschappen aan haar arm op pumps met te hoge hakken aan hem voorbij strompelde.

Vanaf de Achterburgwal sjokte hij de smalle Monnikenstraat in. Halverwege bleef hij midden op het wegdek staan en keek omhoog. Hij wist van vroeger dat moeder De Waard altijd voor het raam zat en met haar twee spionnetjes de gehele straat spiegelend kon overzien. Er zat niemand.

De Cock liep naar de deur van het pand. Met behulp van het apparaatje van Handige Henkie opende hij in luttele seconden het slot en hees zijn negentig kilo langs de trap omhoog.

Op het portaal van de tweede etage bleef hij staan. Toen zijn ademhaling weer op peil was, legde hij zijn oor tegen de deur te luister. Hij hoorde een monotoon stemgeluid. Langzaam drukte hij de kruk naar beneden en duwde de deur open.

In een oude fauteuil met een versleten bekleding hing diep onderuitgezakt een jongeman. Zijn voeten staken onder een tafeltje met een televisietoestel, waarop een kwebbelende heer poogde uit te leggen waar het in de politiek in feite om ging.

Toen de jongeman De Cock in het oog kreeg, sprong hij verschrikt op.

‘Moet u mij hebben?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Niet zoals jij bedoelt.’ De oude rechercheur blikte om zich heen. ‘Ik mis je moeder.’

Jopie de Waard liet zijn hoofd zakken.

‘Die is vorig jaar gestorven.’

‘God hebbe haar ziel.’

Jopie de Waard keek naar hem op.

‘Mag u zeggen.’

De Cock beluisterde de toon.

‘Jouw moeder was een gelovige vrouw, die haar handicap moedig heeft gedragen.’

Jopie de Waard grijnsde.

‘U vergeet dat ze mij vanuit haar stoel dirigeerde. Zo lief was ze niet.’ Hij boog zich naar het televisietoestel en liet de kwebbelende heer van het scherm verdwijnen. ‘Ik neem niet aan dat u bent gekomen om over het zielenheil van mijn moeder te kletsen.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ik wil eens met je praten over je neef… wijlen je neef Henkie Spaargaren.’

Jopie de Waard trok zijn schouders op.

‘Wat valt er nog over te praten,’ reageerde hij achteloos. ‘Ze hebben hem gemold.’

‘Ik heb gehoord dat jij naar de politie in Lelystad bent geweest om hem te identificeren.’

Jopie de Waard knikte.

‘Er zaten vier kogels in zijn rug.’

‘Waarom jij?’

‘Wat bedoelt u?’

‘Waarom lieten ze jou komen om hem te identificeren?’

Jopie de Waard gebaarde voor zich uit.

‘In Henkie zijn portefeuille zat een kladje met mijn naam en telefoonnummer.’

‘Jij onderhield nog contact met Henkie?’

Jopie de Waard knikte.

‘Dat moet u toch weten. We waren als kind al vaste gabbertjes.’

De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.

‘Weet je hoe Henkie de laatste jaren aan de kost kwam?’

Jopie de Waard lachte.

‘Hij verhuurde zijn blaffer.’

‘En daar hielp je hem bij?’

Jopie de Waard keek hem geschrokken aan.

‘Ik?’ De jongeman schudde resoluut zijn hoofd. ‘Ik niet. Mij te link. Ik heb Henkie dikwijls gewaarschuwd. Schei ermee uit… vandaag of morgen loop je tegen een paar kogels op.’

De Cock trok zijn gezicht strak.

‘Dat is gebeurd.’

‘Precies.’

De Cock keek hem onderzoekend aan.

‘Heb je de recherche in Lelystad alles verteld wat je wist?’

Jopie de Waard schudde zijn hoofd.

‘Waarom zou ik?’

De Cock boog zich iets naar hem toe.

‘Wil… eh, wil jij mij behulpzaam zijn om zijn moordenaar te vinden?’

Jopie de Waard antwoordde niet direct. Er verscheen een argwanende blik in zijn ogen.

‘Wat… eh, wat moet ik daarvoor doen?’

De Cock strekte zijn wijsvinger naar hem uit.

‘Die argwaan uit je ziel laten zakken,’ sprak hij grommend.

‘Ik wil zelf geen sores.’

De Cock zuchtte diep.

‘Besprak Henkie,’ vervolgde hij vriendelijk, ‘met jou wel eens zaken die hij onder handen had?’

Jopie de Waard knikte traag.

‘Ik deed ook wel eens karweitjes voor hem.’

‘Zoals?’

‘Mensen schaduwen. Posten.’

De Cock kauwde peinzend op zijn onderlip.

‘Nog niet zo lang geleden had Henkie Spaargaren een opdracht om een man neer te leggen… een man met zwart krullend haar en een snor.’

Jopie de Waard kneep zijn lippen opeen.

‘Dat is vermoedelijk ook de vent die hem die vier kogels in zijn rug joeg.’

‘Van wie kwam die opdracht?’

‘Van een wijf.’

‘Wat voor een wijf.’

Jopie de Waard snoof.

‘Een serpent van een wijf. Ze wilde niet dokken. Ik heb uren voor haar deur gelegen om te kijken of die vent met die snor bij haar op visite kwam.’

‘In opdracht van Henkie?’

‘Ja.’

‘Weet je nog het adres.’

Jopie de Waard grijnsde.

‘Ik kan de deur van haar huis voor je uittekenen: Prinsengracht 110, op de hoek van de Egelantiersgracht.’

Загрузка...