De Cock had moeie voeten. Ze waren er ineens, onaangekondigd. Het kwam als een donderslag bij heldere hemel. Hij leunde achterover en legde zijn voeten op de hoek van zijn bureau. Met een van pijn vertrokken gezicht bevoelde hij zijn kuiten. Het was alsof geniepige kleine duiveltjes uit pure boosaardigheid met duizend spelden in zijn kuiten prikten. Hij kende de pijn, die uit de holten van zijn voeten kwam, langs zijn hielen omhoog trok en zich vastzette in zijn kuiten. Hij wist ook wat die pijn betekende. Telkens als de zaken slecht liepen, als zijn onderzoeken dreigden te verzanden en als hij het machteloze gevoel had volkomen in het duister te tasten, gaven die helse duiveltjes acte de présence.
Vledder keek hem bezorgd aan.
‘Zijn ze er weer… de duiveltjes?’
De Cock knikte en sloot zijn ogen. Enkele minuten bleef hij zo zitten, bewegingloos en geconcentreerd. Zijn markant gezicht leek een stalen masker. Om de pijn te verdrijven zette hij zijn tanden in zijn onderlip.
‘Het gaat wel weer over,’ sprak hij mat. ‘De pijn is nog wel te verdragen, maar de wetenschap dat wij na drie moorden en dagen van intensief speuren met ons onderzoek in feite nog geen stap verder zijn gekomen, bezorgt mij een angstig voorgevoel.’
Vledder keek hem met een blik vol ongeloof aan.
‘Ben je bang dat we er niet uitkomen… dat de moordenaar ons ontglipt?’
‘Dat kan toch gebeuren. Hoeveel moorden blijven niet onopgelost?’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Niet bij ons,’ reageerde hij fel.
De Cock negeerde de opmerking.
‘Ik sprak van drie moorden,’ zei hij loom, ‘maar het zijn er vier.’
‘Je bedoelt Blaffer Henkie?’
De Cock knikte.
‘Als ik het goed inschat, dan kan zijn dood ook op het conto worden geschreven van de man die Sabrine Achterbroek, Sarah Harreveld en nu Marjolein Ridderspoor ombracht.’
De oude rechercheur trok de pijpen van zijn pantalon iets terug en wreef over zijn kuiten. Het verzachtte de pijn. Ineens veranderde de uitdrukking op zijn gezicht. Een glimlach dartelde om zijn lippen.
‘Vanmorgen, op weg hierheen, zat voor mij in de tram een stevig gebouwde man met een zwarte snor en zwart krullend haar. Zijn magistrale snor bedekte zijn gehele bovenlip. Ik kon er niets aan doen. Die snor biologeerde mij. Ik bleef er naar kijken. Toen de man op de Westermarkt uit de tram stapte, stond ik in een reflex op en stapte achter hem uit. Op de halte, terwijl hij van mij wegliep, besefte ik ineens hoe onzinnig mijn impuls was. Zwart krullend haar en het hebben van een snor maakt iemand niet tot dader van een reeks moorden.’
De oude speurder schoof de pijpen van zijn pantalon terug en nam zijn benen van zijn bureau.
‘Dat is het gevaar van ons beroep… Een onderzoek moet geen obsessie worden.’
Vledder boog zich iets naar hem toe.
‘Acht je de man met de snor ook verantwoordelijk voor de dood van Marjolein Ridderspoor?’
De Cock zuchtte.
‘Ik heb in deze zaak het gevoel, dat wij stukjes van diverse legpuzzels in handen hebben en dat daarom niets past.’
‘Verstrengelde motieven.’
De Cock knikte.
‘Zoiets. De man met de snor speelt een belangrijke rol. Absoluut. Sabrine Achterbroek nam niet voor niets het initiatief om een huurmoordenaar voor hem te benaderen. Het feit, dat ze als uitvoerder een louche Hendrik Spaargaren trof, zal haar eigen dood hebben versneld.’
Vledder keek hem onderzoekend aan.
‘Je bedoelt, dat de moordenaar eerst tot zijn daad overging, nadat hij van Blaffer Henkie had vernomen dat Sabrine Achterbroek zijn dood wenste?’
De Cock knikte opnieuw.
‘Dat kan haar dood verklaren. Ten aanzien van de moord op Sarah Harreveld en Marjolein Ridderspoor tast ik nog volkomen in het duister. Ook begrijp ik nog niets van de controverse die er moet zijn gerezen tussen Sabrine Achterbroek en haar moordenaar… Een moordenaar die zij kende, met wie zij contacten onderhield.’
Vledder spreidde zijn handen.
‘Waren Sarah Harreveld en Marjolein Ridderspoor van die contacten op de hoogte?’
De Cock maakte een hulpeloos gebaar.
‘Dat weet ik niet. De dood is ons steeds een slag voor. Onze getuigen sterven voordat…’
De telefoon op het bureau van De Cock rinkelde. Vledder nam de hoorn op en luisterde. Al na enkele seconden legde hij de hoorn op het toestel terug.
De oude rechercheur keek hem vragend aan.
‘Wie was dat?’
Het gezicht van Vledder verstarde.
‘Commissaris Buitendam. Je moet onmiddellijk bij hem komen.’
Commissaris Buitendam, de lange statige chef van het politiebureau aan de Amsterdamse Warmoesstraat, wenkte met een slanke hand.
‘Kom binnen, de Cock,’ sprak hij geaffecteerd, ‘en ga zitten.’
De grijze speurder trok zijn gezicht in een onwillige plooi. ‘Als het u hetzelfde is… Ik blijf liever staan.’
De commissaris verschoof iets op zijn stoel.
‘Zo je wilt.’ Hij kuchte. ‘Ik… eh, ik neem aan dat je vanmorgen het ochtendblad hebt gelezen.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Door ons onderzoek naar de moord op Marjolein Ridderspoor is het gisteravond nogal laat geworden. Ik had vanmorgen nog geen trek in een ochtendblad.’
Over de vale wangen van de commissaris zwiepte een zenuwtrek. ‘Ik had vanmorgen wel trek in een ochtendblad,’ riep hij cynisch. ‘Ik heb elke morgen trek in een ochtendblad.’ Hij trok de lade van zijn bureau open en hield de krant omhoog.
‘Ervaren rechercheur blundert opnieuw.’
De Cock las de kop hardop.
Buitendam liet de krant zakken.
‘Weet jij wie de ervaren rechercheur is?’
Op het gezicht van De Cock verscheen een milde grijns.
‘Uit het enthousiasme waarmee u mij die krantenkop laat zien, neem ik de vrijheid te concluderen dat ik die blunderende ervaren man ben.’
Het klonk spottend.
Buitendam knikte heftig.
‘Inderdaad… jij.’
De Cock keek hem onbewogen aan.
‘En waarmee heb ik dit keer geblunderd?’
Buitendam snoof.
‘Je… eh, je,’ stotterde hij, ‘je hebt de moordenaar van die vrouw laten ontsnappen.’
De Cock keek hem verbaasd aan.
‘Wie zegt dat?’
Commissaris Buitendam pakte de krant weer op.
‘De journalist Pieter van Vlietland. Hij schrijft dat jij in de zaak van de Gehangen Vrouwen de ene blunder op de andere stapelt. Na tweemaal een gecamoufleerde moord niet te hebben doorzien, zagen jullie gisteravond de moordenaar uit de woning van het slachtoffer vluchten en deden geen enkele moeite om die vlucht te beletten.’
De Cock trok zijn gezicht in een milde grijns.
‘Dat klopt.’
Buitendam keek hem verbijsterd aan.
‘Dat klopt?’
De Cock knikte.
‘Wij zagen inderdaad een man uit haar woning vluchten, maar volgens mij was hij niet de moordenaar, de man die wij zoeken.’
‘Jij kent die man?’
‘Bob Verhagen.’
Commissaris Buitendam strekte zijn rug.
‘Ik wil dat je die man onmiddellijk arresteert.’
‘Op basis waarvan?’
Buitendam kneep zijn lippen opeen.
‘Is het feit,’ vroeg hij vol onbegrip, ‘dat een man vlucht uit een woning waar een moord is gepleegd, niet voldoende?’
De Cock zette zijn benen iets uit elkaar. Een vleugje adrenaline stuwde door zijn bloed. Het irriteerde de oude rechercheur mateloos wanneer de commissaris zich met zijn zaken bemoeide. Om zijn woede te bedwingen duwde hij zijn nagels in de palm van zijn handen.
‘Voor u?’ siste hij.
‘Wat bedoel je?’
‘Is dat voor u een afdoend bewijs? Is uw fantasie zo gering, zo beperkt, dat u tot geen andere conclusie kunt komen, dan dat zo’n vluchtende man ook werkelijk de moordenaar moet zijn?’
Het duurde even… luttele seconden. Toen kwam commissaris Buitendam met een ruk uit zijn stoel overeind. Zijn neusvleugels trilden en op zijn vale wangen lagen blosjes van woede en opwinding. Hij strekte zijn rechterarm naar de deur.
‘Eruit!’
De Cock ging.
Vledder keek hem verwonderd aan.
‘Hoe weet Pieter van Vlietland dat wij een man uit de woning van Marjolein Ridderspoor zagen rennen?’
De oude rechercheur wreef over zijn kin.
‘Ik denk, dat hij, net als wij gisteravond, een soort buurtonderzoek heeft verricht. Ongetwijfeld zullen er buren zijn die Bob Verhagen hebben zien wegrennen.’
Vledder grinnikte.
‘Heeft die Pieter van Vlietland iets tegen jou?’
De Cock trok zijn schouders op.
‘Ik heb hem een keer ontmoet. Dat was hier in het bureau na de moord op Sarah Harreveld. Verder heb ik die man nooit een strobreed in de weg gelegd. Ik ben zelf al jaren op zijn krant geabonneerd… de krant voor de uitgeslapen Nederlander.’
Op het gezicht van de oude speurder brak een glimlach door.
‘Ik gun die Pieter van Vlietland zijn journalistieke vrijheid… zijn neus voor publiciteit… zijn eigen uitleg.’
Vledder zuchtte.
‘Hij doet afbreuk aan onze reputatie,’ sprak hij somber.
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Niet als onze werkwijze uiteindelijk tot resultaten leidt.’
De oude rechercheur zweeg even. Zijn gedachten dwaalden naar zijn onderhoud met Buitendam.
‘Ik kreeg woorden met de commissaris.’
Vledder lachte.
‘Dat verbaast mij niets.’
De Cock maakte een hulpeloos gebaar.
‘Buitendam wil dat wij Bob Verhagen arresteren. Hij vindt zijn vlucht uit de woning van Marjolein Ridderspoor daartoe voldoende aanleiding.’
Vledder knikte met een ernstig gezicht.
‘Het spijt me om het je te moeten zeggen, maar volgens mij heeft de commissaris gelijk. Bob Verhagen is op een of andere manier bij al die moorden betrokken. Denk maar na: hij is de ex-echtgenoot van Sabrine Achterbroek. Hij onderhield goede relaties met Sarah Harreveld en had sinds kort een verhouding met Marjolein Ridderspoor. Als jij mij niet had tegengehouden, dan had ik hem gisteravond al gearresteerd. Hij had ons op zijn minst zijn vlucht uit de woning van Marjolein Ridderspoor moeten verklaren.’
De Cock staarde voor zich uit. De kritiek van Vledder deed hem pijn. Hij vroeg zich bezorgd af of de zienswijze van zijn jonge collega wel juist was… Of een arrestatie van Bob Verhagen hen werkelijk dichter bij de oplossing van het mysterie zou brengen.
Misschien dat enige pressie verzwegen bijzonderheden aan het licht kon brengen. Maar de gedachte dat Bob Verhagen een moordenaar was, kon bij de grijze speurder geen ingang vinden. Ondanks zijn duidelijke betrokkenheid paste Bob Verhagen niet in het beeld dat hij van de dader had.
Vledder verbrak zijn overpeinzingen.
‘We kunnen er toch niets bij verliezen,’ betoogde hij. ‘Als de commissaris wil dat wij die vent arresteren, dan doen wij dat toch?’
De Cock wuifde het voorstel weg. Handelen uit eigen verantwoordelijkheid was de basis van zijn succes als speurder.
Geruime tijd zwegen de rechercheurs, in gedachten verzonken.
Toen de telefoon op zijn bureau rinkelde, boog Vledder zich naar voren en nam de hoorn op. Zonder iets te zeggen legde hij de hoorn op het toestel terug en keek De Cock met open mond aan.
De oude rechercheur reageerde gespannen.
‘Wat is er?’
Vledder strekte zijn wijsvinger naar de vloer.
‘Beneden aan de balie heeft zich iemand gemeld.’
‘Wie?’
‘Bob Verhagen.’
De Cock keek de man, die op de stoel naast zijn bureau was gaan zitten, onderzoekend aan. Bob Verhagen zag er oud en vermoeid uit. De donkere ogen in zijn scherp gesneden gezicht leken groter en nog dieper achter zijn jukbeenderen verzonken. Zijn overhemd was vuil en op de revers van zijn colbert zaten morsige vlekken.
Met een loom gebaar legde Bob Verhagen het ochtendblad voor De Cock neer en tikte met zijn gekromde wijsvinger op het artikel van Pieter van Vlietland.
‘Ik… eh, ik was die man,’ sprak hij hakkelend. ‘Ik vluchtte uit haar huis. Maar ik heb haar niet vermoord. Ik heb haar niet vermoord. Ik heb haar niet vermoord. Ik heb haar niet…’
Hij herhaalde het als een echo.
De Cock onderbrak hem niet. Toen Bob Verhagen stokte, keek hij hem onbewogen aan.
‘Waarom zegt u dat zo vaak?’
Bob Verhagen slikte.
‘Ik heb haar niet vermoord.’
De Cock knikte traag.
‘U hebt haar niet vermoord,’ sprak hij kalm. ‘Dat heb ik nu begrepen. Maar waarom vluchtte u dan?’
Bob Verhagen greep met beide handen naar zijn hoofd.
‘Ik was in paniek. Toen ik Marjolein zag hangen met een opgezwollen gezicht en haar tong half uit haar mond, overviel mij een panische angst. Ik wilde weg… weg van die plek.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Waarom ging u naar haar woning? Tegen mijn collega hebt u gezegd dat u daar niets te zoeken had.’
Bob Verhagen zuchtte.
‘Ik vermoedde niet dat Marjolein thuis was. De telefoon werd niet beantwoord.’ Hij liet zijn hoofd iets zakken. ‘Ik begrijp nu waarom.’
Bob Verhagen sloot zijn ogen.
‘Ik ben de laatste dagen door een hel gegaan. Eerst de dood van Sabrine, daarna Sarah Harreveld. Gistermiddag overdacht ik, dat ook Marjolein mogelijk zoiets kon zijn overkomen. Daarom ging ik naar haar huis. Toen ik de deur van haar woning open vond, kroop de angst al in mijn hart. De rest was een vlucht.’
De Cock wees naar Vledder.
‘Wij hadden u tijdens die vlucht gemakkelijk kunnen achterhalen.’
Bob Verhagen knikte.
‘Dat heb ik uit dat krantenbericht begrepen. U was in de buurt.’ Hij schudde zijn hoofd van onbegrip. ‘Waarom deed u dat niet?’
De Cock trok zijn gezicht in een ernstige plooi.
‘Het was een overweging. Een arrestatie had mij ten opzichte van u in een machtspositie gebracht. Dat wilde ik niet.’
‘Waarom niet?’
De Cock antwoordde niet direct. Hij wreef met zijn vlakke hand over zijn breed gezicht.
‘Het doorgronden van iemands gedrag,’ sprak hij traag, bijna plechtig, ‘is een hachelijke zaak. Het zou niet de eerste keer zijn dat ik mijn naaste… om dat Bijbelse woord eens te gebruiken… verkeerd heb ingeschat. Ik achtte u een man met genoeg eergevoel om uit vrije wil… zonder enige dwang… tot volledige openheid te komen.’
Bob Verhagen keek hem wantrouwend aan.
‘U wilt van mij een bekentenis?’
De Cock spreidde zijn handen in een verontschuldigend gebaar.
‘Als u iets te bekennen hebt?’
Bob Verhagen staarde secondenlang voor zich uit.
‘Ze werden gechanteerd.’
‘Wie?’
‘Die vrouwen… Sabrine, Sarah, Marjolein.’
De Cock keek hem doordringend aan.
‘Hoe lang weet u dat al?’
Bob Verhagen ademde diep.
‘Na de dood van Sarah Harreveld heeft Marjolein mij dat verteld. Ik mocht er met niemand over praten. Dat heb ik haar plechtig moeten beloven.’
Bob Verhagen streek met de rug van zijn hand langs zijn droge lippen.
‘Nu Marjolein dood is, acht ik mij van die belofte ontheven.’