Vledder liet zich op zijn stoel achter zijn bureau zakken. De jonge rechercheur zag er vermoeid uit.
‘Ik heb op Ben Kreuger gewacht,’ sprak hij somber, ‘maar ik had net zo goed gelijk met jou naar de Kit kunnen gaan.’
‘Hoezo?’
‘De dactyloscoop heeft niets gevonden. Er waren een paar verse greepjes, maar die zijn hoogstwaarschijnlijk van het slachtoffer zelf. Dan vond Ben Kreuger nog enkele vingertjes op het telefoontoestel in de woonkamer. Die zijn vrijwel zeker van Peter van der Horst toen hij ons belde. Verder niets… geen spoortje.’
De Cock grijnsde.
‘Een voorzichtige moordenaar.’
Vledder keek zijn oudere collega onderzoekend aan.
‘Jij bent ervan overtuigd,’ vroeg hij met enige achterdocht, ‘dat Sabrine Achterbroek geen zelfmoord pleegde, maar werd vermoord?’
De Cock knikte nadrukkelijk.
‘Absoluut. Het is een moord, die als zelfmoord werd gepresenteerd. Een camouflage. Als Bram van Wielingen zijn werk goed heeft gedaan, dan zal ik het je morgen aan de hand van de foto’s nog eens uitleggen.’ De oude rechercheur staarde nadenkend voor zich uit. ‘Ik vraag mij alleen af… of en hoe wij de pers moeten voorlichten.’
Vledder keek hem verward aan.
‘Ik snap je niet.’
De Cock trok zijn gezicht strak.
‘Zelfmoorden worden uit overwegingen van piëteit vrijwel nooit aan de pers doorgegeven. Als de moordenaar niets ziet of hoort, zal hij zich veilig wanen en wellicht minder waakzaam zijn. Melden we een moord, dan zal de moordenaar weten dat zijn plan om ons om de tuin te leiden, is mislukt.’
Vledder grinnikte.
‘Melden we niets.’
De Cock wreef zich achter in zijn nek.
‘We zullen de kennissenkring van mevrouw Achterbroek terdege moeten uitkammen. Volgens mij heeft ze haar moordenaar gekend.’
Vledder reageerde verbaasd.
‘Waar baseer je dat op?’
De Cock gebaarde voor zich uit.
‘De buitendeur was gaaf… geen spoor van braak of verbreking. Dat wijst erop dat ze haar moordenaar heeft binnengelaten.’
‘Argeloos?’
De Cock trok zijn schouders op.
‘Dat is moeilijk te zeggen,’ sprak hij peinzend. ‘We weten nog zo weinig. Ik heb wel het idee dat de moord goed was voorbereid. Het was naar mijn mening geen impuls… geen plotselinge opwelling.’
‘Waarom niet?’
De Cock trok zijn gezicht in een ernstige plooi.
‘Bedenk dat het stuk elektriciteitsdraad waaraan het slachtoffer hing, door de moordenaar moet zijn meegebracht. Ik heb geen aanwijzingen gevonden dat het al in de woning aanwezig was.’
‘Dat duidt op voorbedachten rade.[4]’
De Cock knikte instemmend.
‘Ik vermoed dat de moordenaar zijn slachtoffer van achteren heeft benaderd en haar met het draad heeft gewurgd. Pas later, toen er al lijkvlekken op haar rug en billen waren ontstaan, is hij op de gedachte gekomen om zijn daad het aanzien van een zelfmoord te geven.’
De oude rechercheur wees naar de stoel naast zijn bureau. ‘Ik heb hier nog een tijdje met Peter van der Horst zitten praten. Het werd meer een fel verhoor dan een informatief babbeltje. Ik heb ernstig overwogen of hij mogelijk een motief had voor de moord op Sabrine Achterbroek.’
‘En?’
De Cock zuchtte.
‘Ik heb hem laten gaan. Ik kon in zijn verhaal geen lacunes vinden. Het is begrijpelijk dat hij als belanghebbende wilde weten waarom zijn tante een bedrag van vijfentwintigduizend gulden aan Sabrine Achterbroek overmaakte.’
Vledder boog zich iets naar voren.
‘Zou ze van plan zijn geweest,’ vroeg hij gespannen, ‘om hem de reden van die storting te vertellen?’
‘Mogelijk.’
‘En tevoren over het te geven antwoord met anderen beraad hebben gepleegd?’
De Cock glimlachte.
‘Je begint als een echte rechercheur te denken.’
Vledder grijnsde met een scheve mond.
‘Dank je voor het compliment.’
De Cock wuifde het weg.
‘Je hebt gelijk,’ ging hij nadenkend verder, ‘er zijn vermoedelijk ook anderen die van het hoe en waarom van die vreemde betaling door Yolanda van Zelhem aan Sabrine Achterbroek op de hoogte waren.’
‘Anderen,’ vulde Vledder aan, ‘die na een diep overleg besloten om Sabrine Achterbroek… voor haar onderhoud met Peter van der Horst… als mogelijke bron van informatie onschadelijk te maken.’
De Cock keek bewonderend naar hem op.
‘Heel goed.’
‘Blijkbaar kleven aan die vijfentwintigduizend gulden tal van geheimen,’ ging Vledder door.
De Cock ademde diep.
‘Hoe dan ook… de deur naar de zaak Yolanda van Zelhem, die jij zo graag gesloten houdt, staat wagenwijd open.’
Het wolkendek dat de oude binnenstad van Amsterdam omhulde, hing laag en wikkelde de toppen van de eeuwenoude geveltjes in grijze wollen dekens. Alleen de kalender gaf aan dat de lente al enige weken in het land was. Aan het weer was het niet te merken.
Vanaf het Stationsplein, waar hij uit de tram was gestapt, slenterde De Cock langs het Victoriahotel naar het brede trottoir van het Damrak. Hij trok de kraag van zijn regenjas wat omhoog en drukte zijn vilten hoedje naar voren. Vanonder de gebogen rand keek hij naar de sombere gezichten die aan hem voorbijgleden. Een trage, miezerige motregen scheen alle blijheid bij de mensen te hebben weggespoeld. Ook de schoongestraalde Beurs van Berlage deelde in de malaise en toonde donkere plekken op de van regen doortrokken muren.
De grijze speurder verkeerde zelf in een puike stemming. Hoewel het decor en de mensen rondom hem neerslachtigheid demonstreerden, pulseerde zijn hart stromen van een sprankelend lentegevoel.
Een korte, maar intensieve nachtrust had ook zijn geest verkwikt. Hij voelde zich fris en opgewassen tegen het kwaad, dat ongetwijfeld ook deze dag weer op hem af zou komen.
Even voor het slapen gaan had hij de ontdekking van de moord op Sabrine Achterbroek in zijn gedachten nog eens de revue laten passeren. Het werd een opeenvolging van een reeks beelden en impressies. Hoewel hij in de meeste gevallen bij zichzelf een intense bewogenheid met het macabere lot van het slachtoffer bespeurde, had de moord op Sabrine Achterbroek hem emotioneel nauwelijks beroerd. Zoekend naar een verklaring voor dat fenomeen was hij snurkend in slaap gevallen.
Bij de Oudebrugsteeg bleef hij even staan en stak toen in een koddige draf voor een aanstormende tram van lijn 9 de rijbaan op het Damrak over. Terwijl hij op het brede trottoir voor de Schippersbeurs nog zachtjes nahijgde, lichtte hij ter begroeting beleefd zijn hoedje voor een jonge hoer, die aan hem voorbij wankelde op haar te hoge hakken.
In de hal van het politiebureau wuifde hij uitbundig joviaal naar Jan Kusters achter de balie en nam fluitend de trappen naar de tweede etage. Toen hij de grote recherchekamer binnenstapte, trof hij Vledder achter zijn elektronische schrijfmachine aan. De jonge rechercheur keek verstoord op.
‘Je bent laat.’
Het klonk bestraffend.
De Cock wierp zijn hoedje missend naar de kapstok.
‘Lijn 13 had vertraging.’
‘Bij jou,’ mopperde Vledder, ‘heeft lijn 13 altijd vertraging.’
De Cock raapte zijn gevallen hoedje op, deed zijn regenjas uit en ging tegenover zijn jonge collega zitten.
‘Dat is de charme van lijn 13,’ reageerde hij lachend. ‘Waar je ook instapt… het blijft een verrassingstocht.’
Vledder bromde.
‘Ik heb vanmorgen vroeg al met Rijswijk[5] gebeld. De gerechtelijke sectie is pas ver in de middag. Ik hoor nog hoe laat. Dokter Rusteloos heeft eerst twee autopsies af te wikkelen in Rotterdam. Daar rijzen de moorden dit jaar de pan uit.’
De Cock knikte.
‘De mensen worden steeds agressiever. Geweld is mode. Vroeger was een moord koppend nieuws op de frontpagina. Nu nog slechts een paar regels op pagina 6 rechts onderaan.’
Vledder grijnsde.
‘Hoe noem je dat? Devaluatie van moord?’
De Cock antwoordde niet. Hij leunde met beide ellebogen op de rand van zijn bureau en liet zijn hoofd in het kommetje van zijn handen rusten.
‘Heb jij gisteravond nog naar bescheiden gezocht?’ veranderde hij van onderwerp.
‘In de woning van Sabrine Achterbroek?’
‘Ja.’
Vledder knikte.
‘Uitgebreid. Ik heb alles overhoop gehaald. Als Yolanda van Zelhem vijfentwintigduizend gulden op haar rekening heeft gestort, dan moet dat bedrag… zo redeneerde ik… in de administratie van Sabrine Achterbroek terug te vinden zijn.’
‘Juist.’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Niets. Ik heb geen brieven, geen rekeningen, geen bankafschriften gevonden.’
‘Vreemd.’
Vledder knikte. ‘Toen Ben Kreuger van de Dactyloscopische Dienst later kwam, ben ik met hem alles nog eens nagegaan… haar bureau, elke kast in haar woning. Niets. De moordenaar moet al haar bescheiden hebben meegenomen.’
De Cock gebaarde achteloos.
‘Of ze hield er geen administratie op na.’
De jonge rechercheur keek op.
‘Is dat nog te achterhalen? Er moet toch een officiële banktransactie zijn geweest?’
De Cock knikte traag.
‘We kunnen de FIOD[6] inschakelen. Die hebben op het gebied van financiën meer bevoegdheden dan wij. Het lijkt mij interessant om te weten wat…’
De oude rechercheur stokte. Er werd op de deur van de recherchekamer geklopt en Vledder riep: ‘Binnen!’
De deur gleed langzaam open en in de deuropening verscheen de gestalte van een vrouw. De Cock schatte haar op midden veertig. Ze droeg een rode hoofddoek boven een zwarte cape, waarop regendruppels als diamantjes glinsterden. Op haar modieuze rode laarsjes schreed ze aarzelend naderbij. De Cock stond op. Het gezicht van de vrouw kwam hem vaag bekend voor. De oude rechercheur gebaarde naar de stoel naast zijn bureau.
‘Gaat u zitten,’ sprak hij vriendelijk. ‘Waarmee kunnen we u van dienst zijn?’
De vrouw waaierde de zwarte cape van haar schouders.
Druppels rolden op de vloer.
‘Bent u rechercheur De Cock?’ vroeg ze dwingend.
De oude rechercheur knikte gedwee.
‘De Cock,’ antwoordde hij haast automatisch, ‘met… eh, ceeooceekaa.’
Ze nam omzichtig plaats, sloeg haar goedgevormde benen over elkaar en schoof de zoom van haar korte rok iets naar voren.
‘De buren zeiden dat u het was.’
De Cock ging tegenover haar zitten.
‘Welke buren?’
‘Van Sabrine… Sabrine Achterbroek. Ik was vanmorgen bij haar aan de deur. Tot mijn verbazing was die deur door de politie verzegeld. De buren beneden zeiden dat u er gisteravond geruime tijd was geweest en dat Sabrine op een brancard was weggedragen.’ Ze trok haar kin iets op.
‘Ik wil graag weten wat er aan de hand is.’
De Cock schonk de vrouw zijn beminnelijkste glimlach.
‘Met wie heb ik het genoegen?’
De vrouw maakte haar rode hoofddoekje los. Een weelde aan kastanjebruin haar golfde langs haar smal gezicht.
‘Mijn naam is Sarah… Sarah Harreveld. Ik ben een vriendin van Sabrine. Vandaar mijn belangstelling.’
‘Hoe lang?’
‘Wat bedoelt u?’
‘Hoe lang bent u al vriendin van Sabrine?’
Sarah Harreveld keek hem licht verwijtend aan.
‘Hoe lang?’ herhaalde ze scherp. ‘Ik geloof dat het er weinig toe doet… hoe lang. Ik wil eenvoudig weten wat er met haar is gebeurd.’
De Cock antwoordde niet direct. Hij streek met zijn hand over zijn brede kin.
‘Uw… eh, uw vriendin is overleden.’
Sarah Harreveld slikte.
‘Overleden,’ herhaalde ze toonloos.
De Cock knikte traag.
‘We hebben haar gisteravond dood in haar woning aangetroffen.’
Sarah Harreveld liet haar hoofd iets zakken.
‘Verschrikkelijk,’ mompelde ze zacht. ‘Verschrikkelijk. Arme Sabrine. Het is verschrikkelijk.’
Ze keek weer op.
‘Waarom was u daar?’
In haar stem trilde argwaan.
‘Een jongeman,’ antwoordde De Cock kalm, ‘met wie Sabrine Achterbroek gisteravond een afspraak had, trof haar levenloos aan en waarschuwde ons.’
‘Een jongeman?’
De Cock knikte.
‘Peter van der Horst… misschien kent u hem?’
Sarah Harreveld schudde haar hoofd.
‘Peter van der Horst,’ antwoordde ze kribbig. ‘Ken ik niet.’ Ze trok haar wenkbrauwen op. ‘Waarom… waarom waarschuwde hij u?’
De Cock zuchtte. De agressieve toon van de vrouw maakte hem onrustig. ‘De… eh, de omstandigheden,’ formuleerde hij voorzichtig, ‘waaronder hij uw vriendin dood aantrof, deden hem daartoe besluiten.’
‘Wat voor omstandigheden?’
De Cock zuchtte opnieuw.
‘In het belang van het onderzoek kan ik u daarover geen nadere mededelingen doen.’
Sarah Harreveld kneep haar lippen samen.
‘Ze is vermoord.’
Het klonk overtuigend.
De Cock keek haar secondenlang lang aan. Het smalle gezicht van de vrouw was wit vertrokken. De oude rechercheur boog zich iets naar haar toe.
‘Waarom zegt u dat?’ vroeg hij met een zweem van verbazing.
Sarah Harreveld klopte met haar tot een vuist gebalde rechterhand op haar borst.
‘Omdat ik hier vanbinnen weet dat het zo is.’
De Cock boog zich nog verder naar haar toe. Uit haar kastanjebruine haren geurde een vleugje parfum.
‘Vanwaar die zekerheid?’ vroeg hij zacht, bijna fluisterend.
Sarah Harreveld keek naar hem op. Tranen glommen in haar lichtgroene ogen. Ineens zakte de scherpte uit haar smalle gezicht… verdween haar weerbaarheid.
‘Ik heb het al maanden zien aankomen,’ sprak ze snikkend. ‘Het is haar eigen schuld. Sabrine is soms zo cru, zo hardvochtig, zo beledigend, dat ze iemands ziel vertrapt.’
De Cock reageerde niet direct. Hij zag geduldig toe hoe ze een minuscuul zakdoekje uit haar tasje nam en haar tranen droogde.
‘Wiens… eh, wiens ziel had ze vertrapt?’ vroeg hij na een poosje.
‘Bob Verhagen.’
‘Wie is Bob Verhagen?’
‘Haar ex-man. Sinds de scheiding maakt ze hem het leven ondraaglijk. Ze ontneemt hem elke kans om een nieuwe relatie op te bouwen.’
‘Wrok?’
Sarah Harreveld schudde haar hoofd.
‘Dat is het niet. Sabrine heeft zelf op een scheiding aangedrongen. Het is boosaardigheid. Ze gunt Bob geen leven aan de zijde van een andere vrouw.’
Ze zweeg even en vouwde haar handen in haar schoot.
‘Vorige week kwam ik hem in de stad tegen. Bob zag er belabberd uit. Ze had hem weer eens getreiterd… leugenachtige brieven geschreven naar een vrouw die hij had leren kennen.’
Ze zuchtte diep.
‘Sabrine heeft sinds de scheiding een nerveus wrak van hem gemaakt. “Sarah,” zei hij tegen mij, “ik bezweer het je… een dezer dagen maak ik haar koud.”’
Sarah Harreveld sloeg haar handen voor haar gezicht.
‘Het kwam uit het diepst van zijn hart.’