Vledder keek over zijn schouder lachend toe hoe de dikke stramme vingers van De Cock de toetsen van de elektronische schrijfmachine beroerden. Het ging traag, maar de machine reageerde gewillig.
De jonge rechercheur bukte zich iets voorover en trok voorzichtig de rechterlade van het bureau van zijn oudere collega open.
‘Het is aardig geslonken,’ riep hij bewonderend. ‘Je hebt er de laatste dagen hard aan getrokken.’
De Cock liet zijn vingers even rusten.
‘Ik heb de oudste dossiers het eerst afgewerkt. Van sommige had ik al een tweede rappel.[2]’
Vledder trok een stoel bij en ging er achterstevoren op zitten.
‘Het was een goede beslissing van je om verder geen aandacht aan die brief van Yolanda van Zelhem te besteden.’
De Cock schoof de schrijfmachine van zich af.
‘Het was geen weloverwogen beslissing,’ riep hij afwerend. ‘Ik had geen keus. Niemand wist welk gegeven het geweten van Yolanda van Zelhem had geteisterd en niemand wist welke bescheiden zij in haar secretaire had opgeslagen.’
Vledder trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.
‘Zou het iets te maken kunnen hebben met haar baan als directrice van dat tehuis?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Met medewerking van Sabrine Achterbroek heb ik in oude notulen van de Stichting Avondzon mogen snuffelen. Niets gevonden. Ook bij de overdracht van de boekhouding zijn geen onregelmatigheden geconstateerd. Ik heb gesproken met bejaarden die al langer dan tien jaar in het tehuis verbleven. Het leverde niets op. Ze was een goede directrice… streng, maar rechtvaardig.’
Vledder grinnikte.
‘En volgens haar neef puriteins preuts.’
De Cock zuchtte.
‘Ik ben,’ ging hij verder, ‘zelfs naar Vredenhof gegaan om haar begrafenis bij te wonen. De enige belangstellenden aan de groeve waren dametjes van middelbare leeftijd, die paniekerig wegliepen toen ik na de plechtigheid het geweten van Yolanda van Zelhem ter sprake bracht.’
Vledder lachte.
‘Dat doe je toch niet tijdens een begrafenis. Je jaagt de mensen de stuipen op het lijf.’
De Cock negeerde de opmerking.
‘Ik heb ook gekeken of er een man met een Turkse snor kwam opdagen.’
Vledder glimlachte.
‘De identiteit van die man intrigeert je nog steeds?’
De Cock knikte nadrukkelijk.
‘Ik pieker mij suf wat de relatie kan zijn geweest tussen hem en Yolanda van Zelhem. De enige oplossing die ik heb kunnen vinden voor de lege secretaire, is de mogelijkheid dat de doodzieke Yolanda hem de sleutels heeft overhandigd… de sleutels van haar woning en van de secretaire. Dat verklaart ook waarom er geen sporen van braak waren.’
Vledder staarde voor zich uit.
‘Dat is toch vreemd,’ sprak hij wat afwezig. ‘Volgens haar neef Peter van der Horst bewaakte ze de inhoud van haar secretaire zo zorgvuldig, dat hij er al die jaren dat hij bij haar in huis was… en ook daarna… nooit een blik in heeft kunnen werpen.’
De jonge rechercheur schudde ongelovig zijn hoofd.
‘En aan een wildvreemde onaangekondigde bezoeker geeft ze kort voor haar overlijden de sleutels mee.’
De Cock stak zijn handen voor zich uit.
‘Blijkbaar zonder enige dwang.’
Vledder knikte instemmend. ‘Je hebt gelijk,’ sprak hij nadenkend, ‘zonder dwang. Toen die geheimzinnige bezoeker weg was, heeft ze niet geprotesteerd… noch bij het verplegend personeel, noch bij haar vriendin Sabrine Achterbroek.’
De Cock plukte aan zijn onderlip.
‘Ongerijmd. De vraag is: hoe wildvreemd was die mysterieuze onaangekondigde bezoeker voor haar? Kende hij het geheim van de secretaire? Hoe? Had hij dat geheim via andere bronnen ontsluierd? Die vragen houden mij nog steeds bezig.’
Vledder stond van zijn stoel op en maakte een afwerend gebaar. ‘We hebben afgesproken dat we de zaak Yolanda van Zelhem zouden laten rusten.’
De Cock keek naar hem op. ‘Kunnen we dat?’
Vledder lachte. ‘Wat dacht je van een bezoek aan Smalle Lowietje?’
Na een heldere morgen met een pril en schuchter voorjaarszonnetje had een aanwakkerende wind in de middag donkere wolken over de stad gejaagd. Het regende. Intens. De felle kleuren van de lichtreclames spiegelden speels in het natte asfalt. Het was stil in de Lange Niezel. Aanhoudende wolkbreuken hadden het legertje beluste mannen van de straat verdreven. Bij de ingang van het sekstheater zat een juffrouw met een breiwerkje achter de kassa. Ze knikte wat verveeld toen de rechercheurs haar in het voorbijgaan groetten.
De Cock trok de kraag van zijn regenjas omhoog en schoof zijn oude hoedje iets naar voren. Hij keek schuins opzij naar Vledder, die zoals gewoonlijk een halve meter voor hem uit liep.
‘Als ik na een paar dagen de bodem van de lade van mijn bureau kan zien, ga ik er toch weer wat tijd aan besteden.’
De jonge rechercheur hield zijn pas even in en draaide zijn gezicht naar De Cock toe. ‘Waaraan?’ vroeg hij nors.
‘De zaak Yolanda van Zelhem.’
Vledder schudde afkeurend zijn hoofd.
‘Houd er nu eens over op,’ riep hij geïrriteerd. ‘Het is geen zaak. Het is niets. Gooi die idiote brief toch in de prullenbak. Yolanda van Zelhem is dood en begraven.’
De Cock zweeg.
Vanuit de Lange Niezel slenterden zij via de Voorburgwal en de Oudekennissteeg naar de Achterburgwal. Het was opmerkelijk stil op de Wallen. Nevelslierten dwarrelden als grillige spookverschijningen over het vuile grachtwater.
De seksbusiness kwam met die regen en nevel niet op toeren. Bij de meeste bordelen waren de gordijnen gesloten.
Op de hoek van de Barndesteeg glipten zij het cafeetje van Smalle Lowietje binnen.
De Cock boog zich iets naar voren en liet een straaltje water uit de rand van zijn hoed glijden. Het vormde een plasje op de rode tapijttegels. Daarna wurmde hij zich uit zijn natte regenjas, liep naar het einde van de bar en hees zich op een kruk. Vledder kwam met druipende haren naast hem zitten.
Caféhouder Lowie, om zijn geringe borstomvang door de penoze steevast Smalle Lowietje genoemd, streek met zijn kleine handjes langs zijn morsig vest en kwam opgewekt naar De Cock toe. Zijn vriendelijke muizensmoeltje glom van genegenheid.
‘Blij je weer eens te zien,’ kirde hij.
De Cock verschoof iets op zijn kruk.
‘Ik was bijna de weg vergeten,’ grapte hij.
Smalle Lowietje lachte.
‘Ik was al bang dat de commissaris voor oude rechercheurs, zoals jij, een streng verbod had uitgevaardigd om mijn etablissement te bezoeken.’
De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.
‘Bij zo’n verbod ga ik onmiddellijk met vervroegd pensioen.’
Smalle Lowietje grijnsde.
‘Gelijk heb je. Is het druk aan de Kit?’
De grijze speurder knikte met een ernstig gezicht.
‘Voor ons aan de Warmoesstraat…’ sprak hij gedragen, ‘en uiteraard voor ’s lands regering… blijft criminaliteit een bron van aanhoudende zorg.’
Smalle Lowietje gniffelde
‘Voor jullie… aan de Kit… ja… blijft het tobben, maar voor Den Haag zal misdaad een zorg zijn. Welk kabinet er ook in het pluche zit. Het is steeds…’ Hij maakte zijn zin niet af.
‘Hetzelfde recept?’
Zonder op antwoord te wachten dook hij aalglad onder de tapkast en kwam tevoorschijn met een fles fijne Franse cognac Napoleon, die hij met een kreetje van verrukking op de bar plaatste. Hij pakte drie diepbolle glazen en schonk klokkend in.
De Cock keek toe. Hij hield van de manier waarop Lowietje de fraaie fles hanteerde. Het was een ceremonieel, bijna devoot gebaar.
Ze namen beiden het glas op, keken elkaar in de ogen — de oude, in de dienst vergrijsde rechercheur en de wat louche caféhouder — en lachten.
‘Op de misdaad.’
Het was hun gebruikelijke toost.
De Cock nam een slok en grijnsde.
‘Groeiend en bloeiend bij elk nieuw kabinet.’
Smalle Lowietje zette zijn glas neer.
‘Van Den Haag heeft de misdaad niets te vrezen.’
Het vriendelijke muizensmoeltje van de tengere caféhouder versomberde.
‘Toch moet er wat gaan gebeuren. En snel. Het kan zo echt niet doorgaan. Er komt steeds meer buitenlands geboefte naar ons land. Wij zijn het criminele vuilnisvat van Europa geworden.’
De Cock nam nog een slok van zijn cognac en zuchtte.
‘Je hebt gelijk,’ reageerde hij triest. ‘Het wordt steeds harder… meedogenlozer. Tegenwoordig zijn liquidaties aan de orde van de dag. En dat is nooit zo geweest.’
Smalle Lowietje zwaaide voor zich uit.
‘Vanmorgen vroeg hebben ze in het natuurterrein Oostvaardersplassen bij Lelystad het lijk van Blaffer Henkie gevonden… doorzeefd met kogels.’
De Cock keek hem verrast aan.
‘Dat wist ik niet. Het stond bij ons nog niet op de telex.’
Smalle Lowietje trok zijn schouders op.
‘Zijn ze in Lelystad door de drukte zeker vergeten.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Hoe weet jij het dan?’
‘Ik hoorde het vanmiddag van zijn neef Jopie uit de Monnikenstraat… Jopie de Waard, die komt hier regelmatig in mijn etablissement. De politie in Lelystad had hem opgeroepen om het lijk van Blaffer Henkie te identificeren.’
De Cock kneep zijn ogen half dicht.
‘Blaffer Henkie?’ vroeg hij peinzend.
De tengere caféhouder knikte.
‘Je zult hem vroeger wel eens onder je hoede hebben gehad. Hij heeft hier op de Wallen gewoond… Henkie Spaargaren. Zijn moeder is Dikke Hennie… zat vroeger bij Zwarte Loes achter het raam.’
De Cock blikte nadenkend voor zich uit. Op de zolderkamer van zijn herinnering zocht hij naar een passend gezicht.
‘Sinds wanneer wordt Henkie Spaargaren Blaffer Henkie genoemd?’
Smalle Lowietje grinnikte.
‘Sinds Henkie overal rondbazuinde dat je bij hem een moord kon bestellen. Hij en zijn blaffer waren voor iedereen te huur.’
De Cock keek hem ongelovig aan.
‘Was Henkie Spaargaren huurmoordenaar geworden?’
De tengere caféhouder schudde meewarig zijn hoofd.
‘Huurmoordenaar is een groot woord. Zo was Henkie niet. Geen echte moordenaar, bedoel ik. Geen killer. Geen man die zonder enig gevoel iemand met een paar kogels naar de andere wereld hielp.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Wat was hij dan wel?’
Smalle Lowietje maakte een weifelend gebaartje.
‘Een gladde slimme jongen… een oplichtertje… een chanteur. Als je bij hem een moord bestelde, dan was je de klos.’
‘Hoe?’
De tengere caféhouder glimlachte.
‘Hij voerde zo’n moord nooit uit, maar chanteerde je met de opdracht die hij van je had gekregen. Begrijp je, hij dreigde het toekomstige slachtoffer in te lichten als je niet met poen over de brug kwam.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Een leuk spelletje… totdat je de verkeerde tegen het lijf loopt.’
‘Dat is vermoedelijk ook gebeurd,’ antwoordde Smalle Lowietje vermoeid. ‘Henkie is het laatst gezien in gezelschap van een man met een snor. De politie in Lelystad is naar zo’n man op zoek.’
‘Een man met snor?’
De tengere caféhouder gleed met de toppen van zijn vingers over zijn bovenlip.
‘Zo’n volle snor, weet je, zoals Turkse mannen die wel dragen.’
De beide rechercheurs verlieten het etablissement van Smalle Lowietje en slenterden over de Achterburgwal. Het was er beduidend drukker dan een uur tevoren. De regen was opgehouden, het druppelde nog van de bomen aan de wallenkant en de seksbusiness was weer in vol bedrijf.
Hoertjes in velerlei fatsoen lonkten in het barmhartige rode licht van hun etalages naar het leger van behoeftigen dat sjokkend aan hen voorbijtrok.
De Cock bezag het wereldje om zich heen. De oude rechercheur had in de loop der jaren het gedoe op de Walletjes zien veranderen van een vriendelijk ogend hoerenbedrijf voor boeren, burgers en buitenlui tot het keiharde redlight-district, waarmee Amsterdam zich nu aan de buitenwereld presenteerde.
Vledder keek bezorgd opzij.
‘Je gaat toch geen verbanden leggen?’
De Cock, in zijn diepste overpeinzingen gestoord, reageerde verward.
‘Wat voor ver-ban-den?’
Vledder gebaarde voor zich uit.
‘Tussen mannen met snorren.’
De Cock lachte vrijuit.
‘Mannen met snorren… daar zijn er te veel van. Bovendien plak je zo’n ding makkelijk op.’
Vledder maakte een verontschuldigend gebaar.
‘Bij jou weet je het nooit. Jij ziet dingen die een normaal mens niet ziet.’
De Cock lachte opnieuw.
‘Ik ben niet abnormaal,’ sprak hij hoofdschuddend. ‘Ik zie echt geen verband tussen het bezoek aan een doodzieke vrouw in het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis in Amsterdam en de liquidatie van Blaffer Henkie in de Oostvaardersplassen bij Lelystad. Wanneer Henkie Spaargaren zich van chantagemethoden bediende op een manier zoals Smalle Lowietje ons schetste, dan heeft hij het onheil over zichzelf afgeroepen.’
‘Geen medelijden?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Geen medelijden met een chanteur.’ De oude rechercheur zweeg even. ‘Maar,’ ging hij verder, ‘dat is geen vrijbrief voor de dader. Je moet straks maar eens bellen met de politie in Lelystad om te horen hoe hun onderzoek ervoor staat.’
‘Heb jij Henkie Spaargaren goed gekend?’
De Cock tuitte zijn lippen.
‘Goed? Ik heb een keer een zaak tegen hem behandeld. Meer niet. Ik herinner mij hem als een flierefluiter… een grenzeloze opportunist… een man die meende dat hij van niemand iets te vrezen had.’
‘Hij leed aan overschatting?’
De Cock knikte.
‘Nogal. Henkie Spaargaren leefde al op jonge leeftijd in de stellige overtuiging, dat hij altijd slimmer was dan een ander.’
‘Het werd zijn dood.’
‘Daar lijkt het op.’
Toen ze via het Oudekerksplein en de Enge Kerksteeg de Warmoesstraat hadden bereikt, keek Vledder op zijn horloge.
‘Het is al over tienen. Gaan we naar huis?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Je zou nog bellen met Lelystad.’
De rechercheurs stapten het politiebureau binnen. In de hal heerste een Babylonische spraakverwarring. Met brede armgebaren trachtte de wachtcommandant achter de balie enige rust te brengen in een groep opgewonden en luid schreeuwende mannen, die met herkenbare manualen hun ongenoegen over een bordeelbezoek kenbaar maakten.
De Cock bleef naar het tafereel kijken. Hij had bewondering voor Jan Kusters, die dergelijke situaties altijd elegant tot een oplossing bracht.
Toen het stel mokkend het bureau had verlaten, liep hij op hem toe.
‘Wat was het probleem?’
De wachtcommandant zuchtte.
‘Condooms.’
De Cock grinnikte.
‘Meer niet?’
Jan Kusters schudde zijn hoofd.
‘Ze zeggen,’ sprak hij somber, ‘dat het onze taak is om culturen samen te brengen.’ Hij draaide zich half om en griste een notitie van zijn bureau. ‘Een paar minuten geleden heeft een man gebeld… was nogal nerveus. Toen ik zei dat je er niet was, gaf hij dit telefoonnummer.
Of je hem bellen wilt… zo gauw mogelijk.’
De Cock nam de notitie aan en gaf die door aan Vledder.
‘Bel jij maar.’
De jonge rechercheur liep achter de balie om en greep een telefoon. De Cock keek van een afstandje toe en zag hoe het gezicht van zijn collega betrok. Toen Vledder de hoorn had neergelegd, keek hij hem vragend aan.
‘Wie was dat?’
‘Peter van der Horst.’
‘En?’
‘Hij zit op de Prinsengracht in de woning van Sabrine Achterbroek op ons te wachten.’
‘Waarom?’
Vledder slikte.
‘Ze heeft zich opgehangen.’