4

‘Heb je het adres?’

Vledder knikte. Hij klemde het stuur van de Golf met beide handen vast en trapte het gaspedaal diep in.

De motor brulde een protest.

‘Prinsengracht 110,’ riep hij luid, ‘op de zesde etage. Ik heb het nagekeken. Het is precies op de hoek van de Egelantiersgracht.’

Aan het einde van het Damrak stuurde de jonge rechercheur de wagen met gierende banden door de bocht.

De Cock zette zijn voeten schrap, drukte zijn rug stevig tegen de leuning van zijn stoel en keek met een benauwd gezicht naar de snelheidsmeter van de Golf. Daarna keek hij naar Vledder naast zich.

‘Doe kalm aan,’ schreeuwde hij boven het motorgeronk uit. ‘Dood is dood… onomkeerbaar. Je kunt haar niet uit de hel terughalen.’

De jonge rechercheur grijnsde.

‘Zit ze daar?’

De Cock reageerde niet.

Vledder nam gas terug.

‘Zelfmoord?’ sprak hij verward. ‘Het is nauwelijks te geloven. Leek jou die Sabrine Achterbroek een vrouw die zelfmoord pleegt?’

De Cock trok zijn schouders op.

‘Men weet nooit door welke zielenroerselen zo’n vrouw wordt gedreven. Je kijkt ze wel voor de kop, maar niet in de krop.’

Vledder glimlachte.

‘Kreet van je oude moeder?’

De Cock knikte met een ernstig gezicht.

‘Inderdaad. Een kreet van mijn oude moeder. Ze was haar hele leven vriendelijk achterdochtig.’

Vledder gniffelde.

‘Je kon een zoon van haar zijn.’

De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.

‘Dat ben ik. Volledig.’

Ze reden een tijdje zwijgend voort. Het verkeer eiste alle aandacht van Vledder. Toen het iets rustiger werd op de weg, keek de jonge rechercheur opzij.

‘Wat doet die Peter van der Horst,’ vroeg hij met hoorbare argwaan, ‘in het huis van Sabrine Achterbroek aan de Prinsengracht?’

De Cock grinnikte.

‘Dat zul je hem moeten vragen.’

Vledder klemde zijn lippen opeen.

‘Dat zal ik zeker doen,’ reageerde hij bars. ‘Ik vind het vreemd dat juist hij die zelfmoord ontdekt.’

‘Hij zal wel een redelijke verklaring voor zijn aanwezigheid hebben,’ reageerde de Cock kalm, ‘anders had hij ons niet gebeld.’

‘Je bedoelt dat Peter van der Horst anders de ontdekking van die zelfmoord voor ons had verzwegen?’

‘Dat lijkt mij een redelijke gedachte.’

Vledder snoof.

‘Hij bezocht ook zijn tante kort voor haar dood.’

‘Yolanda van Zelhem pleegde geen zelfmoord,’ antwoordde De Cock. ‘Ze stierf een natuurlijke dood.’ Hij boog zich iets naar hem toe. ‘Die overtuiging had je toch? Of ben je inmiddels van gedachten veranderd?’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Die zaak Yolanda van Zelhem zouden we laten rusten,’ antwoordde hij geïrriteerd. ‘Als absoluut beëindigd beschouwen.’

De jonge rechercheur vond op de Prinsengracht nog een parkeerplaatsje. Ze stapten uit. De Cock keek langs de fraaie gevel van nummer 110 omhoog. Zijn gezicht stond strak.

‘Beëindigd,’ sprak hij somber. ‘Ik ben bang dat hij nu eerst begint.’


De smalle houten trappen waren stijl en de leuningen voelden klam aan. Hijgend drukte De Cock zijn negentig kilo omhoog. De treden kraakten onder zijn voeten.

Op het portaal van de zesde etage stond Peter van der Horst. Zijn krullend blonde haar glansde in de schaarse portaalverlichting. Hij duimde over zijn schouder naar de toegangsdeur van de woning van Sabrine Achterbroek.

‘Ik hield het binnen niet langer uit,’ sprak hij beverig. ‘Het is voor het eerst in mijn leven dat ik iemand zie die zich heeft opgehangen.’

De Cock knikte begrijpend. Hij pakte zijn zaklantaarn en liet een ovaal van licht langs de toegangsdeur glijden. Er waren geen sporen van braak.

‘Bezit u,’ vroeg hij met enige achterdocht, ‘een sleutel van de woning van mevrouw Achterbroek?’

‘Nee.’

‘Hoe kwam u binnen?’

‘De deur stond op een kier.’

‘Toen bent u naar binnen gestapt?’

Peter van der Horst schudde zijn hoofd.

‘Niet direct. Ik heb eerst geklopt, daarna geroepen. Pas toen niemand reageerde, heb ik de deur verder opengeduwd en ben naar binnen gegaan.’

De Cock keek Peter van der Horst even schattend aan. Het blozende rood was uit zijn gezicht verdwenen. De jongeman zag bleek en zijn onderlip trilde. ‘U mag nog niet weggaan,’ sprak hij streng. ‘Ik wil u straks nog een paar vragen stellen.’

Peter van der Horst knikte vaag.

‘Ik blijf.’

De oude rechercheur liep hem voorbij. Met zijn elleboog drukte hij de kruk naar beneden en duwde de woningdeur open. Na een korte aarzeling stapte hij een kleine hal in. Vledder volgde.

Vanuit de kleine hal kwamen ze in een pijnlijk schone, bijna steriele keuken met veel inbouwapparatuur. Van daar leidde een gemetselde toog naar de woonkamer. Er brandde volop licht en er was geen spoor van ravage. Fragiele antieke stoelen stonden keurig in het gelid om een glanzende ovale tafel.

De Cock liet zijn blik door het vertrek dwalen en huiverde. De inrichting was kil, miste de intieme behaaglijkheid van een woonplek.

Links van twee hoge ramen, die uitzicht boden op de gracht, stond een deur half open.

Aan de kruk van die deur ontdekte hij een strakgespannen draad, die schuin omhoog liep.

De oude rechercheur wist wat dat betekende. Hij had in zijn lange loopbaan tal van ophangingen behandeld. Langzaam slofte hij naderbij. Met zijn voet schoof hij de deur verder open. Aan de andere zijde hing het levenloze lichaam van Sabrine Achterbroek.

De dode vrouw was slechts gekleed in een lang roodzijden nachthemd, dat tot aan haar enkels reikte. Het zware elektriciteitsdraad waaraan haar lichaam hing, was diep in haar vlezige hals gesneden.

De Cock deed een paar stappen terug. De grijze speurder zocht naar dissonanten, valse tonen in het requiem van een zelfmoord. Het omgevallen krukje aan haar voeten trok geen argwaan. Toch had de oude rechercheur het gevoel dat er iets niet klopte. Hij liep op de dode toe. Op zoek naar lijkvlekken tilde hij haar hemd iets op. De zachte zijden stof gleed strelend langs de toppen van zijn vingers. De lijkvlekken die hij zocht, vond hij niet op de plekken waar hij ze verwachtte.

Als in een soort trance greep hij een van de fragiele stoelen uit het gelid en liep daarmee naar de deur, waaraan de dode hing. Nadat hij voorzichtig had geprobeerd of de zitting zijn negentig kilo kon dragen, klom hij op de stoel en keek boven op de deur naar de insnoering die de elektriciteitsdraad in het hout had gemaakt.

Toen hij van de stoel afkwam, stond zijn gezicht somber. Hij gebaarde naar Vledder.

‘Waarschuw de meute.[3]

De jonge rechercheur keek hem verbaasd aan.

‘De meute… voor een zelfmoord?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Het is geen zelfmoord. Het is moord.’


Bram van Wielingen zette zijn aluminium koffertje op de vloer, bukte zich en klapte het deksel open. De fotograaf pakte zijn fraaie Hasselblad en monteerde een flitslicht.

Hij kwam uit gebukte houding omhoog en wees naar de dode aan de deur.

‘Waarom is dat moord?’

De Cock zuchtte.

‘Ze heeft geen lijkvlekken aan haar voeten.’

‘Moet dat?’

De Cock knikte.

‘Die vlekken behoren al na een halfuur of een kwartier op het laagst gelegen deel van het lichaam zichtbaar te zijn.’

Bram van Wielingen keek hem vragend aan.

‘En als ze er niet zijn?’

De Cock gebaarde voor zich uit.

‘Dan is dat een indicatie dat de dode in een andere houding is gestorven.’

‘Niet hangend aan een strop.’

‘Precies.’

Bram van Wielingen wees naar de dode vrouw.

‘Zij heeft zich niet zelf opgehangen?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Bij de insnoering wijzen de houtvezels de verkeerde kant op.’

Bram van Wielingen fronste zijn wenkbrauwen.

‘Welke houtvezels?’

‘Boven op de deur. Touw of draad maakt een insnoering in het hout. Als iemand zelfmoord pleegt door ophanging, dan wijzen de houtvezels in de richting van de dode. Wil men een moord op een zelfmoord doen lijken en men hijst de vermoorde langs een deur of een balk omhoog, dan wijzen de houtvezels van de dode af. Moordenaars denken daar meestal niet bij na.’

Bram van Wielingen beet op zijn onderlip.

‘Dus ook de houtvezels wijzen op moord.’

De Cock knikte.

‘Ik vermoed dat de moordenaar haar eerst heeft gewurgd en daarna opgehangen.’

Bram van Wielingen richtte zijn Hasselblad op het gezicht van de dode. Voor hij afdrukte keek hij nog even opzij naar De Cock. ‘Ik hoop,’ sprak hij ernstig, ‘dat je hem vindt.’

Het klonk bemoedigend.

De oude rechercheur schonk hem een wrange glimlach. Daarna draaide hij zich om. Onder de gemetselde toog naar de keuken stond dokter Den Koninghe met in zijn kielzog twee geüniformeerde broeders van de Geneeskundige Dienst met hun onafscheidelijke brancard.

De grijze speurder liep op de oude lijkschouwer toe en begroette hem hartelijk. De Cock had een zwak voor de excentrieke dokter met zijn ouderwetse grijze slobkousen onder een deftige streepjesbroek, zijn stemmig zwart jacquet en zijn verfomfaaide groen uitgeslagen garibaldihoed.

‘Hoe maakt u het?’ vroeg hij uitbundig.

‘Best.’

De oude rechercheur leidde dokter Den Koninghe naar de dode vrouw aan de deur.

‘Het is moord.’

De lijkschouwer keek omhoog.

‘Ik kan haar zo niet bekijken.’

De Cock knikte begrijpend. Hij wenkte Vledder naderbij.

Met zijn zakmes sneed hij de elektriciteitsdraad door. Zachtjes lieten ze de dode op de vloer glijden.

De dokter nam zijn garibaldihoed af, trok de pijpen van zijn streepjesbroek iets omhoog en knielde bij de dode neer. Hij bekeek de insnoeringen aan de hals. Daarna schoof hij het zachtzijden hemd zo ver mogelijk terug.

Al na luttele seconden kwam hij overeind. Zijn oude knieën kraakten.

Met precieze bewegingen nam hij zijn bril af, pakte zijn witzijden pochet uit het borstzakje van zijn jacquet en poetste de glazen. De Cock kende de bewegingen. Het was een reeks gebaren om tijdwinst te boeken.

‘Ze is dood,’ sprak hij laconiek.

De oude rechercheur knikte met een strak gezicht.

‘Dat begreep ik,’ reageerde hij simpel.

Dokter Den Koninghe wees naar de dode.

‘Langer dan acht uur. Haar lichaam is sterk afgekoeld en de lijkstijfheid is algemeen.’ Hij zette zijn bril weer op en plooide zijn pochet terug in het borstzakje van zijn jacquet. ‘Verwurging met vermoedelijk hetzelfde stuk elektriciteitssnoer.’ Hij zweeg even en keek naar De Cock op. ‘Lijkvlekken op haar billen en op haar rug.’

De Cock ademde diep.

‘Ik vermoedde al dat ze daar te vinden waren.’

De kleine lijkschouwer wuifde ten afscheid en liep de kamer uit.

De Cock keek hem na. Daarna wendde hij zich tot de fotograaf, die zijn fraaie Hasselblad behoedzaam in zijn koffertje teruglegde.

‘Ben je klaar?’

Bram van Wielingen knikte.

‘Ik heb alles… de knopen in de draad… de insnoeringen boven aan de deur.’

‘Haar voeten?’

‘Ook.’

De Cock glimlachte.

‘Maak morgen voordat dokter Rusteloos met de sectie begint, foto’s van de lijkvlekken op haar billen en op haar rug.’

Bram van Wielingen pakte zijn aluminiumkoffertje van de vloer en hield het omhoog.’ Deze plaatjes heb je morgenochtend op je bureau.’

‘Komt er nog een dactyloscoop?’

Bram van Wielingen knikte.

‘Ben Kreuger had nog een klusje. Je kunt hem elk moment verwachten.’

De fotograaf zwaaide met zijn vrije hand ten afscheid en verdween door de toog.

De Cock wenkte de twee broeders van de Geneeskundige Dienst naderbij. Ze tilden de dode op de brancard en drapeerden een laken over haar heen. Daarna sloegen zij de canvasflappen dicht en sjorden de riemen aan.

De Cock keek toe.

‘Het zijn zes smalle trappen naar beneden,’ sprak hij bezorgd.

De oudste broeder keek naar hem op en glimlachte.

‘Geen nood. We halen ze van de gekste plekken.’

Ze tilden de brancard op. Zacht wiegend droegen ze de dode Sabrine Achterbroek de kamer uit. De Cock liep hen na. Op het portaal pakte hij Peter van der Horst bij de arm en nam hem mee naar binnen. De oude rechercheur liet hem op een van de fragiele stoelen plaatsnemen en ging aan tafel tegenover hem zitten.

‘U had uw bezoek aan mevrouw Achterbroek aangekondigd?’ opende hij.

Peter van der Horst knikte.

‘Gistermiddag heb ik telefonisch een afspraak met haar gemaakt. Ze had aanvankelijk wel een reeks bezwaren… wilde uitstel, maar uiteindelijk kwamen we overeen dat ik haar vanavond om tien uur zou bezoeken.’

De Cock keek hem schuins aan.

‘U hebt mij verteld dat u mevrouw Achterbroek kende via uw tante.’

‘Dat klopt.’

‘Onderhield u na de dood van uw tante nog contact met haar?’

Peter van der Horst schudde zijn hoofd.

‘Daar had ik geen behoefte aan. Over de doden niets dan goeds… maar ik vond mevrouw Achterbroek geen prettig mens.’

‘In welk opzicht?’

‘Ze was zo dominant, zo bedilzuchtig. Ze probeerde het beleid van tante Yolanda inzake Avondzon in richtingen te dwingen die tante niet wilde. Er waren dikwijls kleine kibbelarijen, onenigheden, strubbelingen.’

De Cock glimlachte.

‘U zei: ze waren min of meer bevriend?’

Peter van der Horst knikte.

‘Ik heb dat nooit goed begrepen. Er was een soort vreemde, geheimzinnige relatie, waardoort tante Yolanda afhankelijk van haar leek… haar irritant gedrag accepteerde.’

‘Had dat iets te maken met Avondzon?’

Peter van der Horst zuchtte.

‘Ik heb er tante Yolanda wel eens naar gevraagd, maar van haar heb ik nooit een oprecht antwoord gekregen.’

De Cock knikte. Hij boog zich naar hem toe.

‘Waarom… waarom die bedongen afspraak… vanavond om tien uur?’

Peter van der Horst liet zijn hoofd iets zakken.

‘Ik wilde haar om opheldering vragen.’

‘Waarover?’

‘Een geldkwestie.’

‘Kon dat niet per telefoon?’

Peter van der Horst schudde zijn hoofd.

‘Ik wilde de reactie van mevrouw Achterbroek niet alleen horen, maar ook zien.’

‘Daar had u een reden voor?’

‘Absoluut.’

De Cock toonde verbazing.

‘Was de kwestie zo delicaat?’

Peter van der Horst verschoof iets op zijn stoel.

‘Ik heb altijd gedacht,’ verzuchtte hij, ‘dat tante Yolanda wel over een klein kapitaal beschikte. Ze leefde heel sober en had als directrice van Avondzon toch een redelijk salaris.’

‘En?’

Peter van der Horst schudde zijn hoofd.

‘Er was niet veel. Ik ben toen uit nieuwsgierigheid haar bankafschriften nagegaan. Plotseling kwam ik een overschrijving tegen van vijfentwintigduizend gulden… aan Sabrine Achterbroek.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Vijfentwintigduizend gulden?’ reageerde hij verrast.

Peter van der Horst knikte.

‘Uit haar privévermogen.’

‘En er stond niets bij… geen verklaring over het hoe en waarom van die storting?’

Peter van der Horst schudde zijn hoofd.

‘Niets… een kaal bedrag.’ De jongeman streek langzaam met zijn beide handen over zijn krullend haar. ‘Begrijpt u, rechercheur… ik wilde opheldering.’

De Cock grijnsde.

‘Zover heeft iemand het niet laten komen.’

Загрузка...