11

Commissaris Buitendam kwam haastig uit zijn stoel overeind. Met een brede cheese-smile om zijn lippen stak hij de grijze speurder een hand toe. ‘Ik heb je maar even laten komen, De Cock,’ sprak hij geaffecteerd. ‘Ik vond het passend om je met je succes te feliciteren.’

De oude rechercheur keek hem verwonderd aan.

‘Welk succes?’

Commissaris Buitendam zwaaide joviaal.

‘De oplossing van de moord op Van Abbenes. Ik heb het telexbericht, waarin de opsporing, aanhouding en voorgeleiding van de moordenaar wordt verzocht, gelezen. Uiteraard heb ik onmiddellijk onze officier van justitie ingelicht. Meester Schaaps toonde zich zeer verheugd.’ Hij ging weer zitten. ‘Ik had persoonlijk al de overtuiging dat wij de dader moesten zoeken onder de uitgebreide clientèle van meester Van Abbenes. En dat heeft zich bewaarheid. Van Vledder heb ik begrepen dat die… eh, Franciscus van der Kraay niet gelukkig was met het optreden van de advocaat en uit wraak of vergelding tot zijn daad is gekomen.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘U hebt Vledder al gesproken?’

Commissaris Buitendam knikte.

‘Ik kwam hem tegen op de gang. Ik heb hem ook gecomplimenteerd met jullie succes. Ik moet zeggen, een opmerkelijke prestatie.’

De Cock veinsde onbegrip.

‘U bedoelt die moord?’

Buitendam schudde lachend zijn hoofd.

‘Het vinden van de dader.’

‘We hebben hem nog niet.’

‘Een kwestie van tijd. In ons dichtbevolkte landje komt hij vandaag of morgen wel boven water.’

De Cock knikte traag voor zich uit. ‘Ik hoop… morgen.’

Commissaris Buitendam keek hem met enige argwaan aan. Hij had in de stem van de oude rechercheur een toon beluisterd die hem niet beviel. ‘Hoezo… morgen?’

De Cock grijnsde.

‘Dan heb ik nog een dag de tijd om de ware moordenaar te vinden.’

Commissaris Buitendam verbleekte. ‘Die… eh, die Franciscus van der Kraay is de moordenaar niet?’

De Cock wreef over zijn kin.

‘Het spijt me,’ sprak hij somber, ‘maar naar mijn gevoel heeft Kraaitje die moord niet gepleegd.’

Buitendam grinnikte vreugdeloos.

‘En dat telexbericht?’

De grijze speurder wuifde nonchalant. ‘Juridisch gezien… best verantwoord.’ Hij hield zijn hoofd iets scheef en spreidde zijn beide handen in een verontschuldigend gebaar. ‘En soms… soms moet je als oude rechercheur wel eens iets toelaten om een enthousiaste jonge collega en zijn permanent popelende commissaris een poosje gelukkig te maken.’

Buitendam kwam overeind. Op zijn magere wangen lagen rode blosjes. Zijn neusvleugels trilden. Wild strekte hij zijn rechterhand naar de deur.

‘Eruit.’

De Cock ging.


Toen De Cock in de recherchekamer terugkwam, keek Vledder hem peilend aan.

‘Heb je het weer te bont gemaakt?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Heeft de commissaris jou weer van zijn kamer gestuurd?’

De Cock knikte met een droevig gezicht.

‘Dat doet hij steeds,’ sprak hij timide. ‘Die man moet zich wat meer beheersen.’

In de ogen van Vledder lag een verwijtende blik.

‘En hij wilde je nog wel feliciteren met het oplossen van de moord op meester Van Abbenes.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Dat is een misvatting. Die moord is helemaal niet opgelost.’

Het gezicht van Vledder betrok.

‘Begin je nu weer?’ riep hij in zijn wiek geschoten. ‘Ik dacht dat wij er vanmorgen in de auto uitgebreid over hadden gesproken!’ Hij stak vertwijfeld zijn beide handen omhoog. ‘Je hebt er toch ook in toegestemd dat ik dat telexbericht verzond?’

De Cock schoof zijn onderlip vooruit.

‘Dat is ook goed,’ reageerde hij bedaard. ‘We moeten toch nog eens een babbel met onze Kraaitje maken… bijvoorbeeld… of het niet voordeliger was geweest om zijn wulpse Sophie de hersenen in te slaan.’

‘Zijn ex-vrouw?’

‘Precies. Als Kraaitje inderdaad geen primitief en impulsief reagerend krachtmens was… zoals Martha, Lowietje en ook ik veronderstellen… maar een sluwe, gewetenloze en tot alles in staat zijnde moordenaar, zoals jij aanneemt, waarom vermoordt hij dan de advocaat?’

‘Dat is toch duidelijk… uit wraak.’

De Cock grijnsde breed.

‘Wat levert wraak op, financieel gezien? Niets. Een sluwe Van der Kraay had zijn moordlust veel effectiever kunnen bekoelen op zijn veeleisende ex-vrouw. Dan was hij in één slag van zijn zware alimentatieplichten af geweest en had hij zijn bloeiende zaak in Utrecht kunnen voortzetten.’

De ogen van Vledder werden plotseling groot.

‘We moeten haar waarschuwen.’

‘Wie?’

‘Die Sophie… zijn ex-vrouw.’

‘Waarom?’

De jonge rechercheur gebaarde heftig.

‘Begrijp je dat dan niet?’ riep hij wanhopig. ‘Zij is vrijwel zeker zijn volgende slachtoffer.’

De Cock keek hem secondenlang peinzend aan. Toen draaide hij zich abrupt om en slenterde naar de kapstok.

Vledder liep hem na.

‘Waar ga je heen?’

De grijze speurder wurmde zich in zijn vale regenjas. Onderwijl gebaarde hij naar zijn bureau. ‘Neem de foto’s van die hoofdwond mee en bel het hoofdbureau en vraag of Bram van Wielingen met zijn kiekapparaat naar het terrein van de golfclub Amstelland wil komen.’

‘Amstelland?’

De Cock knikte. ‘Ik wil wel eens zien met wat voor dingen men daar tegen zo’n balletje slaat.’


De Cock liet bewonderend zijn blik door het clubhuis dwalen. De ruimte was gezellig ingericht met centraal, dominerend, een prachtige bar van glanzend teakhout, omgeven door groepjes comfortabele fauteuils in zitkuilen op diverse niveaus.

Aan de wanden hingen schitterende actieschilderijen van de beroemde Amerikaanse sportschilder René Broné.

Grote ramen gaven een panoramisch uitzicht over een zacht glooiend landschap, waarin, gestrooid met een kunstzinnige hand, donkere bosschages en boomgroepjes met wuivende kruinen tegen een strakblauwe hemel.

De Cock knoopte zijn regenjas los en liet zich in een fauteuil zakken. Vledder volgde zijn voorbeeld.

De heer De Oude, secretaris van Amstelland, een uiterst sympathieke vijftiger met een licht Fries accent, had de rechercheurs in zijn riante kantoor ontvangen. Hij ontpopte zich als een aangenaam causeur. Smakelijk, vaak overgoten met een sausje van zoete understatement, had hij hen de gebruikelijke gang van zaken bij een gerenommeerde golfclub geserveerd. Daarna had hij de rechercheurs hoffelijk naar de bar geleid, in afwachting van de komst van vader Van Hoogwoud.

Vledder frunnikte wat nerveus aan zijn stropdas. ‘Die Van Hoogwoud interesseert mij niet,’ sprak hij ongeduldig. ‘Ik wil zo’n golfclub zien.’

De Cock maakte een afwerend gebaartje. ‘Dat komt nog,’ sprak hij sussend. ‘Straks laten we ons wel bij de professionals brengen. Bram van Wielingen is er toch nog niet.’ De grijze speurder kwam overeind. In de bar, langs een imposante schouw, strompelde een oudere man op hen toe. Hij liep traag, moeizaam, met een slepend rechterbeen. Toen hij dichterbij was, gleed een glimlach van herkenning om zijn lippen.

‘De beschrijving klopt. U bent rechercheur De Cock van de Warmoesstraat. Ik heb veel over u gehoord. Het is jammer dat u op zo’n… eh, minder prettige wijze met mijn familie in aanraking bent gekomen.’

De grijze speurder drukte de hem toegestoken hand. Daarna wuifde hij naar de fauteuil tegenover hem. ‘Neemt u plaats. Ik heb het de secretaris gevraagd… nu ik toch op de club ben, wilde ik wel eens kennis met u maken.’

Met stramme bewegingen en een van pijn vertrokken gezicht liet vader Van Hoogwoud zich in de fauteuil zakken.

‘Ik bied u mijn verontschuldigingen aan,’ begon hij onderdanig, ‘voor het gedrag van mijn zoon Casper. Ik heb begrepen dat hij zich ten opzichte van u nogal onhebbelijk heeft opgesteld… hooghartig, zonder de minste bereidheid tot medewerking.’ Hij glimlachte opnieuw. Wat triest nu. ‘Als vader hoop je vurig dat je kinderen later steunpilaren van de maatschappij worden… deugdzaam en gerespecteerd.’

De Cock keek naar hem op. Van Hoogwoud, vond hij, zag er slecht uit, mager en grauw, met ingevallen wangen. Alleen de lichtblauwe ogen onder stoppelige wenkbrauwen glansden helder en waakzaam.

‘U… eh, u denkt dat u als vader niet in uw opzet bent geslaagd?’

De oude heer Van Hoogwoud trok zijn schouders op. ‘Je kunt ze in het goede voorgaan. Veel verder reiken je mogelijkheden niet.’

Hij staarde even voor zich uit en glimlachte vertederd. ‘Marianne is tot een lieve, zorgzame jonge vrouw opgegroeid. Ik heb veel steun aan haar. Met de jongens was ik minder gelukkig.’ De expressie op zijn gelaat vergleed in somberheid. ‘Marcel wilde al vroeg het huis uit en Casper… u hebt hem zelf ontmoet… een ingebeelde blaag.’

De Cock trok zijn gezicht strak.

‘Hij verwijt u een despotisch regime.’

De oude Van Hoogwoud schudde triest zijn hoofd.

‘Het is een loze kreet… een kreet van de moderne jeugd.’ Het klonk bijzonder bitter. ‘Ze verliezen de realiteit uit het oog en draaien de zaak om. Ik was nooit “despotisch” geworden, zoals Casper het noemt, wanneer de jongens mij als vader hadden geëerbiedigd.’ Hij spreidde zijn beide handen. ‘Eert uwen vader en uwe moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de Heere uw God geeft. Het is het twaalfde gebod. Aan dat gebod hebben de jongens zich nooit gehouden. Ze hebben hun vader niet geëerd.’ Er kwamen tranen in zijn ogen. ‘En de dagen van Marcel waren kort.’

‘Gods hand?’

Van Hoogwoud pakte een zakdoek.

‘De wegen des Heeren zijn ondoorgrondelijk,’ sprak hij ontwijkend.

De Cock wreef met zijn vlakke hand over zijn gezicht. Hij realiseerde zich dat dit nu al de tweede maal was, dat hij in dit onderzoek verward dreigde te raken in een godsdienstige discussie. Het werd tijd dat hij van onderwerp veranderde.

‘U hebt de heer Van Abbenes goed gekend?’

Van Hoogwoud knikte overtuigend.

‘Hij kwam hier vaak… bijna iedere dag… ontmoette hier zijn vrienden.’

De grijze speurder stak zijn rechterhand met gespreide vingers omhoog en telde. ‘Dokter Hardinxveld… de heer Daerthuizen…’ Hij stokte. ‘…en de heer Van Leemhorst.’

De Cock toonde verbazing.

‘Van Leemhorst… Van Leemhorst? Die naam heb ik nog nooit horen noemen.’

Over het grauwe gelaat van de oude man gleed een glimlach. ‘Zeker,’ sprak hij knikkend. ‘De heer Van Leemhorst is een illuster voorganger van een grote kerkelijke gemeente hier in de stad. Hij is al vele jaren lid. Ik heb zijn vader nog gekend. Ook de heer Van Leemhorst behoorde tot het klaverblad van vier. Of, zoals wij hen wel spottend noemden, het sekskwartet.’

De Cock reageerde ontspannen.

‘Sekskwartet,’ herhaalde hij lachend. ‘Mengden de heren zoveel seks in hun golf?’

Vader Van Hoogwoud gebaarde voor zich uit.

‘Och,’ sprak hij vergoelijkend, ‘u weet hoe dat gaat onder leden van een club. Een beetje roddel hoort erbij. Er wordt gefluisterd dat de heren onder elkaar nog wel eens een feestje bouwden.’

De Cock gniffelde. ‘Waarop dames niet ontbraken.’

In de lichtblauwe ogen van vader Van Hoogwoud verscheen een ondeugende twinkeling. ‘Dat neem ik stellig aan. Met uiteraard één stringente uitzondering… hun eigen dames.’

De Cock knikte gelaten. ‘Moeder de vrouw bleef thuis.’ Het klonk weinig prozaïsch.

Vader Van Hoogwoud spreidde zijn handen. Er kwam een ernstige trek op zijn gezicht. ‘U moet als rechercheur uit mijn woorden geen valse conclusies trekken. Ik weet niet of het echt waar is… van die feestjes, bedoel ik.’ Er kwam weer een twinkeling in zijn ogen. ‘Ik ben er nooit bij uitgenodigd.’

De Cock wuifde om zich heen.

‘Die feestjes werden niet hier gehouden?’

Vader Van Hoogwoud schudde heftig zijn hoofd.

‘Absoluut niet.’ In zijn stem trilde verontwaardiging. ‘Het bestuur van Amstelland zou dat nooit toestaan. Onmogelijk.’

De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.

‘Wat hield de heren zo bij elkaar, dat men hen het klaverblad van vier noemde?’

Vader Van Hoogwoud wuifde achteloos.

‘Ze waren vrienden van elkaar. Al vele jaren. Hier op de club “sloegen” zij een balletje, maar ik ben ervan overtuigd dat zij in het maatschappelijk verkeer elkaar ook wel het balletje “toewierpen”.’

De grijze speurder glimlachte om de woordspeling. Hij keek de oude man in het magere gezicht. Vader Van Hoogwoud was hem niet onsympathiek. Hij peilde de onderzoekende blik in de lichtblauwe ogen en besefte dat er in het broze lichaam van de oude man meer geestkracht schuilging, dan men oppervlakkig zou vermoeden. De omschrijving van Casper drong zich aan hem op… een ouderwetse patriarch met orthodoxe ideeën. Klopte dat?

De Cock stond op en reikte vader Van Hoogwoud een helpende hand. ‘Zullen we nu naar de professionals gaan?’ Hij blikte opzij. ‘Ik heb de indruk dat mijn jonge collega zich mateloos ergert aan ons gebabbel.’

Ze schuifelden gedrieën de bar uit. Een tiental meters van de bar verwijderd, in een kleine shop, volgepropt met golfattributen, stelde Van Hoogwoud de rechercheurs voor aan een knappe, slanke jongeman van voor in de twintig.

‘Dat is Ruud… een van onze jonge professionals. Wat hij niet van golf weet, is gewoon de moeite van het weten niet waard.’

De jongeman lachte.

‘Meneer Van Hoogwoud overdrijft.’

Vedder nam uit de binnenzak van zijn colbert een map met foto’s en legde die aan de jongeman voor. ‘Dit zijn opnamen,’ verduidelijkte hij, ‘van een wond, veroorzaakt door een dodelijke klap op de schedel van meester Van Abbenes. Wij nemen aan dat de klap met een golfclub werd toegebracht.’

De jongeman bekeek de foto’s aandachtig. Zijn wijsvinger gleed over de contouren van de wond. ‘Dat,’ sprak hij na enig nadenken, ‘is een ijzer 7.’

‘Een ijzer 7,’ herhaalde Van Hoogwoud geschokt. De jongeman knikte bedaard. ‘Vrijwel zeker.’

Van Hoogwoud ademde zwaar. ‘Dokter Hardinxveld,’ sprak hij.

‘Wat is er met dokter Hardinxveld?’

De oude greenkeeper keek naar De Cock op.

‘IJzer 7… dat is de golfclub die uit zijn tas is verdwenen.’

Загрузка...