Vledder zette de oude politiewagen op de parkeerplaats. De Cock en hij kwamen wat loom uit hun zittingen en keken omhoog. Het kolossale Mattheus doemde voor hen op.
De grauw-grijze aanblik, de strakke architectuur van het ultramoderne ziekenhuis, beviel De Cock niet. Het was hem te eenvormig, te kil, te onpersoonlijk. De intiemere, lieflijk tussen het groen verspreid liggende paviljoens van het oude Wilhelmina Gasthuis, waren hem beter vertrouwd.
In de enorme hal, waar gedempte gesprekken samenzweefden tot een angstig gezoem, stapte een oudere verpleegster op hen toe. Ze keek vragend naar de grijze speurder op.
‘U bent De Cock?’
De oude rechercheur knikte.
‘Met ceeooceekaa… om u te dienen.’ Hij duimde opzij. ‘En dat is collega Vledder, mijn vertrouwde, maar helaas… nu wat vermoeide hulp en toeverlaat.’
De scherpe blik van de verpleegster gleed schattend over de gezichten van de mannen. Het duurde maar even. ‘Ik ben hoofdzuster Westerveld,’ sprak ze kort. ‘Willen de heren mij maar volgen?’
De beide rechercheurs sjokten door de hal achter haar aan naar een ruimte met dichte liftdeuren en flitsende lampjes.
De hoofdzuster drukte op een knop.
‘We kunnen er niet helemaal met de lift komen,’ legde ze uit.
‘Zo ver gaat hij niet. Het laatste stukje moeten we met een trap.’
Een paar deuren schoven uiteen en ze stapten in. Zuster Westerveld drukte kordaat op de bovenste knop en de lift schoot misselijkmakend snel omhoog.
De Cock boog zich naar haar toe. ‘Hebt ú hem gevonden?’
De hoofdzuster schudde haar hoofd.
‘Thérèse… een meisje van onze administratie. Het kind was er zo van in de war… in overleg met haar chef heb ik haar naar huis gestuurd.’ Ze sprak op een toon die geen tegenspraak duldde.
De Cock keek haar vorsend aan.
‘Een… eh, een meisje van de administratie?’ vroeg hij niet-begrijpend.
Zuster Westerveld wees omhoog.
‘In die ruimte boven komt vrijwel nooit iemand. Er staan daar alleen wat rekken met mappen. De administratie heeft het in gebruik als archief.’
‘En daar lag hij?’
Ze antwoordde wat snibbig. ‘Daar ligt hij nog. Ze hebben ons op het hart gedrukt om aan de situatie vooral niets te veranderen voordat u kwam. Bovendien… een kind kon zien dat er toch niets meer aan te doen was.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Hoe kwam dokter Hardinxveld in die ruimte?’
De hoofdzuster trok haar schouders op.
‘Joost mag het weten. Het is voor ons een raadsel. Hardinxveld hoort thuis op de chirurgie. Hij heeft daar niets te zoeken.’
De lift stopte. De deuren schoven weer uiteen en voor hen lag een lange, brede, verlaten gang.
De hoofdzuster stapte opnieuw voor hen uit. Aan het einde van de gang opende ze een deur. Er was een klein portaal, gevolgd door een vrij steile trap omhoog. De Cock wees naar de klink van de deur.
‘Is die nooit op slot?’
Zuster Westerveld schudde haar hoofd.
‘Nee… waarom?’
De Cock antwoordde niet. Hij stapte het portaaltje binnen en hees zich langs de steile trap omhoog. Vledder en de hoofdzuster volgden.
Er waren geen ramen. Aan de zoldering, tussen de balken, hing een enkele tl-buis. Het gaf een spookachtig licht met langgerekte schaduwen van hoge, voornamelijk lege stellages, haaks op de muren.
Ongeveer in het midden van de ruimte lag, op zijn rug, een man in een witte jas. De Cock keek op hem neer. Hij herkende hem onmiddellijk. De ogen, die hem die morgen nog olijk, soms geamuseerd, hadden opgenomen, waren nu verstard in de dood. Om het hoofd lag een plas donkerrood geronnen bloed. Het kleefde in klonters aan de haren in zijn nek.
De Cock bukte bij het slachtoffer en blikte in het dode gezicht. Hij voelde plotseling een sterke behoefte om hem toe te spreken, vermanend, over een noodlottig gebrek aan openhartigheid. Maar hij besefte dat het zinloos was.
Plotseling zag hij, gedeeltelijk onder de rechterschouder van het slachtoffer, een glimmend rond voorwerp. Hij pakte het schielijk op en stopte het in een zijzak van zijn colbert.
Vledder zag zijn bewegingen.
‘Wat is het?’
De grijze speurder keek schuin omhoog.
‘Een rijksdaalder… iemand moet hem hier hebben verloren.’
Hij kwam omhoog. Zijn knieën kraakten. ‘Je hebt de meute gewaarschuwd?’
De jonge rechercheur knikte.
‘Op het bureau al. Volgens mij kunnen ze hier elk ogenblik zijn.’
Over de schouder van Vledder heen zag De Cock dokter Den Koninghe aankomen. In zijn kielzog liepen twee broeders met hun brancard. De Cock liep op de oude lijkschouwer toe en drukte hem hartelijk de hand. Daarna stapte hij voor hem uit naar het lijk van dokter Hardinxveld op de vloer.
‘Het is alweer een zeer gewaardeerd lid van onze samenleving.’
Dokter Den Koninghe keek naar hem op.
‘Gelukkig houdt onze geduldige magere maaier daar geen rekening mee.’
De Cock grijnsde.
‘Mijn moordenaar ook niet.’
De oude lijkschouwer trok zijn streepjespantalon iets op en knielde bij de dode neer. Zijn onderzoek duurde niet lang. Al na enige seconden kwam hij weer omhoog. Met precieze bewegingen nam hij zijn bril af, wipte de pochet uit de borstzak van zijn deftige jacquet, en begon de glazen zorgvuldig schoon te vegen.
‘Al die zware schedelfracturen,’ sprak hij krakerig. ‘Het lijkt wel een epidemie. Je mag al jouw toekomstige slachtoffers wel aanraden om een helm te gaan dragen.’ Het klonk spottend.
Dokter Den Koninghe propte de pochet terug in het borstzakje van zijn jacquet en schoof zijn bril weer op zijn neus. Met een nonchalant gebaar wuifde hij naar het slachtoffer op de vloer.
‘Hij… hij is dood.’
De Cock knikte traag.
‘Ik weet het… een ijzer 7.’
De volgende morgen was De Cock al vroeg weer op het bureau. De moord op dokter Hardinxveld had hem niet dieper in het moeras der onwetendheid gedrukt. Integendeel, hij had het gevoel niet langer in het duister rond te tasten. De contouren begonnen zich af te tekenen. De weg naar de oplossing lag open. Hij pakte uit de lade van zijn bureau een vel papier en begon de lijnen voor zich uit te zetten. Koel, zakelijk, zonder de geringste emotie. Van één ding was hij overtuigd: hij moest de moordenaar ontmaskeren voor hij opnieuw kon toeslaan.
Zijn oude vriend, de adjudant Kamphuis, kwam de recherchekamer binnen en liep naar hem toe.
‘Ik heb een slechte mededeling voor je.’
De Cock grinnikte.
‘Ga ik vervroegd met pensioen?’
Adjudant Kamphuis lachte.
‘Dat kun je voorlopig wel vergeten. Ze hebben je te hard nodig.’
Hij trok zijn gezicht in een ernstige plooi. ‘Vledder heeft zich vanmorgen bij mij ziekgemeld. Hij vond het verschrikkelijk. Ik moest je zeggen dat het hem erg speet, maar dat hij echt niet meer vooruit kon.’
De Cock reageerde somber.
‘Ik was er al bang voor. Die jongen heeft al een paar dagen achter elkaar niet kunnen slapen. Dat wreekt zich.’ Hij schoof het vel papier iets van zich af en keek op. ‘Ik had de komende tijd mijn handen graag vrij. Heb jij iemand die voor mij naar de sectie kan gaan? Dokter Rusteloos is al om tien uur op Westgaarde.’
Adjudant Kamphuis knikte.
‘Ik zal Fred Prins sturen. Die is goed. Is er nog iets waar hij op moet letten?’
De Cock knikte traag voor zich uit.
‘Laat hem Van Wielingen vast opdracht geven… ik wil duidelijke detailfoto’s van de schedelwond… en ik wil het stiertje.’
Kamphuis keek hem vragend aan.
‘Een stiertje?’
De Cock schonk hem een matte glimlach.
‘Ik ben ervan overtuigd dat dokter Hardinxveld een gouden stiertje om zijn hals draagt.’
‘Is die man een Stier?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Hardinxveld was een Leeuw.’
De Cock parkeerde de Volkswagen in de stille Den Texstraat en wandelde via de Nicolaas Witsenstraat naar de Weteringschans. Bij nummer 876 bleef hij staan en belde luid en doordringend.
Het duurde enkele minuten voordat Casper van Hoogwoud de deur opende. De jongeman zag er onverzorgd uit. Hij had een baard van zeker drie dagen en zijn haar hing in slierten om zijn hoofd. Nijdig trok hij het koord van zijn ochtendjas strak en keek de grijze speurder uitdagend aan.
Zonder een woord te zeggen drukte De Cock de jongeman opzij en stapte langs hem heen naar binnen. Via de gang liep hij onmiddellijk door naar de woonkamer. Toen Casper van Hoogwoud achter hem aankwam, greep hij de jongeman wild bij de schouders en drukte hem met kracht in een fauteuil. Dreigend bleef hij voor hem staan.
‘Ik wil nu de waarheid over dat geld.’
‘Welk geld?’
‘Die honderdduizend gulden, die je op de avond van Marcels dood op je buik droeg.’
Casper van Hoogwoud verweerde zich zwakjes.
‘Dat heb ik toch al gezegd: van mijn rekening bij de IJsselsteinse Bank.’
De Cock kneep zijn lippen op elkaar en schudde zijn hoofd.
‘Jij hebt nooit een rekening bij de IJsselsteinse Bank gehad.’
‘Wie zegt dat?’
‘De heer Daerthuizen, directeur van die bank.’
Casper van Hoogwoud maakte een moedeloos gebaartje.
‘Het was ook niet mijn rekening… geen rekening op de naam van Casper van Hoogwoud. De rekening stond op naam van mijn broer, Marcel.’
‘En op die rekening stond honderdduizend gulden?’
Casper van Hoogwoud grijnsde.
‘Daar stond vaak nog veel meer geld op. Soms wel een half miljoen. Marcel werd op het laatst zo ziek dat hij zelf het geld niet meer van de bank kon halen.’
‘Daarom deed jij het?’
‘Ja.’
‘Met een machtiging van Marcel?’
Casper van Hoogwoud schudde zijn hoofd.
‘Marcel wilde mij geen machtiging geven.’
‘Waarom niet?’
‘Hij wilde voor niemand weten dat hij ziek was.’
De Cock keek hem verbaasd aan.
‘Hoe deed je het dan?’
‘Ik leek op Marcel. Als ik zijn kleren aandeed en mijn haar op dezelfde wijze kamde… zag je bijna het verschil niet.’
‘Jij presenteerde je dus bij de IJsselsteinse Bank als Marcel van Hoogwoud?’
‘Precies.’
‘Wist Marcel dat?’
Casper van Hoogwoud knikte heftig.
‘Natuurlijk wist Marcel dat,’ reageerde hij fel.
‘Dacht u dat ik die hele verkleedpartij op mijn eigen houtje deed? Ik moest dat doen van Marcel. Het gebeurde in zijn opdracht.’
‘En het geld dat je op die manier van de bank haalde, droeg je ook weer aan Marcel af?’
‘Ja.’
‘Behalve dan die honderdduizend gulden.’
Casper van Hoogwoud zuchtte.
‘Dat was het laatste geld van de rekening. Ik mocht dat van Marcel houden… voor het geval er iets met hem gebeurde. Dan had ik, zo zei hij, een steuntje in mijn rug. Hij raadde mij ook aan om het geld niet op een bank te zetten.’
‘Waarom niet?’
‘Dan konden ze er ook geen beslag op leggen, zei hij.’
De Cock werd het staan moe. Hij achtte het ook niet meer noodzakelijk om de dreiging voort te zetten. Ontspannen liet hij zich in de fauteuil tegenover de jongeman zakken.
‘Hoe kon Van Abbenes jou van fraude betichten?’
Casper van Hoogwoud glimlachte met een scheve mond.
‘Ze waren er op een of andere manier achtergekomen dat ik geld van Marcels rekening had gehaald. Dat geld wilden ze terug hebben.’
‘Wie is ze?’
Casper van Hoogwoud gebaarde breed.
‘Die luitjes van de bank… de IJsselsteinse Bank… en die hadden meester Van Abbenes ingeschakeld om mij onder druk te zetten. Als ik de bank het geld niet terugbezorgde, dan zouden ze mij voor de rechter brengen. Ik had, zo beweerde die Van Abbenes, fraude gepleegd, valsheid in geschrifte, oplichting. Ik had mij valselijk voorgedaan als mijn broer Marcel van Hoogwoud en ik had zijn handtekening nagemaakt.’
De Cock wuifde in de richting van de jongeman.
‘Was je niet bang dat Van Abbenes werkelijk de rechter zou inschakelen?’
Casper van Hoogwoud grinnikte met een glinstering in zijn ogen. ‘Toen ik later aan Marcel vertelde wat die Van Abbenes allemaal tegen mij had gezegd, begon hij hardop te lachen. Casper, zei hij, maak je geen zorgen. Laat ze maar dreigen. Ze hebben toch niet het lef om je iets te doen.’
De Cock plukte peinzend aan zijn onderlip. ‘Daarvan was Marcel overtuigd?’ vroeg hij ongelovig.
‘Absoluut.’
De Cock hield zijn hoofd een beetje schuin. ‘Hoe… hoe kwam Marcel aan dat vele geld… wel een half miljoen, zei je?’
Casper van Hoogwoud trok achteloos zijn schouders op. ‘Marcel ging veel op reis… alleen… naar het buitenland… voor zaken.’
‘Wat voor zaken?’
De jongeman hief zijn beide armen omhoog. ‘Dat weet ik niet. Echt niet. Marcel heeft er nooit iets over losgelaten.’
‘Wie weet dat wel?’
‘Ik denk… mijn vader.’
‘Hoezo, je vader?’
De blik van Casper dwaalde weg, terwijl hij vertelde. ‘Toen ik eens met hem alleen was… op Amstelland, zei hij tegen mij: “Marcel, je broer, is een handige jongen. Een verdomd handige jongen. Die pakt ze wel.”’
De Cock keek Casper onderzoekend aan.
‘Begreep je wat je vader daarmee bedoelde?’
De jongeman schudde zijn hoofd. ‘Daarom vroeg ik ook waarom Marcel zo handig was… waarin?’
‘En?’
‘Mijn vader negeerde de vraag en ging over op een ander onderwerp.’
De Cock knikte traag voor zich uit.
‘En nu is Marcel dood.’
Casper liet zijn hoofd iets zakken.
‘Gisteren hebben we hem begraven.’