2

De Cock drukte zijn oude hoedje tot diep op zijn oren. Het was hevig gaan stormen. Een felle wind gierde over een verlaten Weteringschans. Spookachtig joegen donkere wolken aan een bleke maan voorbij. De slanke lantaarnpalen zwiepten. Verderop kletterden een paar pannen van een dak. Met gebogen rug liepen de rechercheurs naar de Volkswagen en stapten in.

Vledder reed niet direct weg. Hij blikte opzij naar De Cock, die wat somber voor zich uit staarde. De oude rechercheur worstelde in zijn gedachten met een achttienjarige jongen, honderdduizend gulden, een Porsche van rond de tachtig mille, een weelderig ingerichte woning en een dode broer. De combinatie zinde hem niet.

‘Die Marcel leek mij niet het type van een homofiel.’

De Cock keek verstoord op.

‘Waarom homofiel?’

Vledder reageerde verrast.

‘Aids komt toch alleen onder homofielen voor?’

‘Hoe kom je daarbij?’

‘Dat meen ik ergens te hebben gelezen.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Niet alleen onder homofielen… al schijnen die in het algemeen een groter risico te lopen. De besmetting met aids geschiedt via het bloed. En dat kan op vele manieren gebeuren. Denk maar eens aan een infuus met besmet bloed. Vrijwel eenieder kan slachtoffer van aids worden. Het schijnt ook dat aidsvirussen zich maar langzaam delen, zodat iemand al geruime tijd besmet kan zijn voordat hij of zij dat bemerkt.’

‘Verschrikkelijk.’

‘Dat is het.’

Een tijdlang zwegen beiden. Het beeld van de dode Marcel domineerde hun gedachten. Vledder startte de motor en reed wat wild van het trottoir weg.

‘Wil je nog terug naar de Kit?’

De Cock knikte. ‘Zeker.’ Hij gebaarde voor zich uit. ‘Ik zou met die storm maar voorzichtig rijden en de grachten vermijden. Ik had niet graag een omgewaaide boom in mijn nek.’

Vledder lachte. Aan het eind van de Weteringschans reed hij linksaf de Utrechtsestraat in naar het Rembrandtsplein. Het lag er verlaten bij. De storm had zelfs de hoertjes weggevaagd. Via de Halvemaansteeg bereikten ze de Amstel.

‘Doen we nog wat aan deze zaak?’

De Cock trok zijn schouders op.

‘Casper van Hoogwoud krijgt een proces-verbaal voor zijn twee wikkels met cocaïne en broer Marcel stierf een natuurlijke dood.’

‘Dat is alles?’

De Cock maakte een korzelig gebaar.

‘Ik zit nog met die akelige duizendjes in vier plastic zakjes. Eerlijk gezegd voel ik er weinig voor om ze aan Casper van Hoogwoud terug te geven.’ Hij zweeg even. ‘Maar als er geen indicatie is dat het geld door middel van misdrijf is verkregen, zal de officier van justitie zeker tot teruggave beslissen.’

Vledder grinnikte.

‘De officier kan ook de FIOD inlichten. Dan hebben we morgen een deurwaarder van Rijksbelastingen op de stoep.’

‘Die kans is niet gering.’

De jonge rechercheur trok rimpels in zijn voorhoofd.

‘Het lijkt mij toch niet onmogelijk,’ sprak hij na enig nadenken, ‘dat het geld afkomstig is van een of andere drugsdeal, die Casper kort voor zijn arrestatie op de Zeedijk had afgewikkeld.’

De Cock knikte traag.

‘We kunnen dat niet bewijzen. Dat is de ellende. Maar je hebt gelijk, het ligt voor de hand. In die business werkt men niet met cheques.’

Hij plooide zijn gezicht in een droevige grijns. ‘Tenzij je een groot vermogen erft… in Nederland kun je niet op een eerlijke manier rijk worden… dat lukt je gewoon niet… zeker niet op je achttiende jaar. Bovendien, eerlijk geld plak je niet op je buik. Dat beleg je heel netjes bij een degelijke bank.’

Vledder reed het Muntplein over.

‘Misschien heeft hij het wel geërfd,’ grinnikte hij.

De Cock snoof. ‘Zijn vader is greenkeeper op een golfbaan. Ik weet niet precies wat dat inhoudt, maar dat lijkt mij toch ook geen job om rijkdommen te vergaren.’

Vledder hield de lach op zijn gezicht.

‘Wat dacht je van een suikeroom?’

De Cock negeerde de vraag. Geërgerd drukte hij zich wat omhoog. ‘Casper van Hoogwoud presenteert zich aan ons als een aardige, charmante, intelligente jongeman.’ Zijn toon werd ineens fel. ‘Dat beeld is vals. Volgens mij is hij een verduiveld gevaarlijk kereltje, dat op zijn jeugdige leeftijd al de harde mentaliteit heeft van iemand die het aandurft om hoog spel te spelen. Ik zal morgen eens met de collega’s van de narcoticabrigade praten. Het feit dat Casper van Hoogwoud in ons antecedentensysteem niet voorkomt, zegt mij niets.’

Vledder keek opzij.

‘Je bedoelt dat hij best een paar maal in the picture kan zijn geweest, maar dat men nooit iets heeft kunnen bewijzen.’

‘Precies.’

Via het Rokin, de Dam en het Damrak reed de jonge rechercheur rechts de Oudebrugsteeg in. Op de steiger achter het bureau stapten ze uit. Het anders zo rustige water van het Damrak golfde met witte schuimkoppen.

Een felle wind joeg de rechercheurs voort naar de luwte van de Warmoesstraat. Toen ze de hal van het bureau binnenstapten, wenkte Jan Kusters hen vanachter de balie. De wachtcommandant leek wat opgewonden.

‘Ik ben blij dat jullie er zijn. Ik heb er net een wagentje heen gestuurd.’

De Cock keek hem onderzoekend aan. ‘Waarheen?’

‘Naar de Keizersgracht bij de Hartenstraat. In een portiek voor de deur van een advocatenkantoor ligt een man.’

‘Dood?’

Kuster knikte.

‘Met een ingeslagen schedel.’

Toen Vledder op de steiger weer in de Volkswagen stapte, vloekte hij hartgrondig. Zijn gezicht zag rood. Met veel kracht trok hij het portier dicht.

‘Twee doden op één avond is mij feitelijk wat te veel,’ knorde hij. ‘Een mens krijgt niet eens de tijd om alles op een rijtje te zetten.’

De Cock, naast hem, grijnsde.

‘Ik dacht dat je het recherchevak het mooiste vak van de wereld vond?’

De jonge rechercheur knikte heftig. ‘Dat is het ook.’ Hij startte de motor. ‘Het begint bij mij altijd te kriebelen als er zo veel ineens op mij afkomt.’

De Cock plooide zijn gezicht tot een effen masker. ‘Neem eens contact op met je toekomstige moordenaars.’ Het klonk spottend. ‘Misschien, dat ze hun activiteiten een beetje kunnen doseren.’

Vledder keek nijdig opzij.

‘Barst.’

Te snel trok hij van de steiger weg.

De Cock liet zich behaaglijk onderuitzakken.

‘Doe maar gewoon kalmpjes aan,’ sommeerde hij gemoedelijk.

‘Dood is dood. Daar kunnen wij beiden toch niets aan veranderen.’

De jonge rechercheur hield echter het gas op de plank.

‘Ik wil vannacht nog wel een paar uur naar mijn bed,’ gromde hij.

De Cock schoof zijn oude hoedje wat naar voren. ‘Jeugd,’ zei hij. Het klonk berustend.

Vanuit de Raadhuisstraat draaiden ze met gierende banden de Keizersgracht op. Midden op de brug naar de Hartenstraat stond een politiesurveillancewagen. Vledder reed er voorbij en parkeerde op de Keizersgracht aan de wallenkant tussen de bomen. Ze stapten uit. Het stormde nog steeds.

Een jonge diender liep op De Cock toe. Hij had de klep van zijn pet tot op zijn ogen getrokken. Hij brulde boven de storm uit: ‘Volgens mij is hij het zelf!’

‘Wie?’

‘Die dode man.’

De Cock schonk hem een milde glimlach.

‘Vind je het erg als ik zeg dat ik je niet begrijp?’ vroeg hij minzaam.

De jongeman begon wat verlegen te grinniken.

‘Ik denk,’ sprak hij kalmer, ‘dat die dode man in het portiek de advocaat is die hier zijn kantoor heeft. Vermoedelijk werd hij neergeslagen op het moment dat hij de deur van zijn kantoor wilde openen. Hij heeft de sleutelbos nog in zijn rechterhand.’

De grijze speurder legde vertrouwelijk zijn hand op de schouder van de jonge diender en knikte. ‘Dat is een stuk duidelijker,’ prees hij. ‘Heb je de meute al gewaarschuwd?’

‘Ja, via de wachtcommandant.’

Met de diender enkele meters voor zich uit, liep De Cock verder de gracht op naar een portiek, waaruit een paar voeten staken. Met een zaklantaarn in zijn hand knielde hij naast de dode. Op het wat kalende achterhoofd ontdekte hij een diepe, gapende wond. Klonters donkerrood bloed kleefden aan de nekharen.

Vledder boog zich over hem heen. ‘Van achteren neergeslagen?’

De Cock knikte traag.

Naast het hoofd van de dode man lag een bril met een fraai gouden montuur. Een van de glazen was gebroken. Uit de dichtgeknepen rechterhand puilde een bruin lederen etui, waaruit een ring met sleutels stak.

De knieën van De Cock kraakten toen hij overeind kwam. Met de zaklantaarn bescheen hij de binnenmuren van het portiek.

‘Een enkele slag,’ mompelde hij. Vledder keek hem van terzijde aan. ‘Hoe bedoel je?’

‘De eerste slag was direct raak. Als men voor een tweede keer in die wond had gemept, dan had je hier bloedspatten moeten vinden.’ Hij gaf de zaklantaarn aan Vledder over. ‘Maar bekijk het zelf nog eens. Zo best zijn mijn ogen ook niet meer.’

Vanuit de hoogte keek De Cock peinzend op de dode neer. Hij schatte de man op rond de vijftig. Hij was keurig gekleed in een stemmig donkerblauw kostuum met vest en een parelgrijze stropdas, waarop iets boven het midden een fonkelende briljant in een witgouden zetting. Een overjas ontbrak.

De oude rechercheur draaide zich om naar de jonge diender en maakte een brede armzwaai. ‘Probeer eens de motorkappen van de hier in de directe omgeving geparkeerde wagens. Misschien vind je er een bij die nog warm aanvoelt.’

‘De wagen van het slachtoffer?’

De Cock knikte.

‘Het lijkt mij het beste dat je de merken en kentekens noteert van alle wagens waarvan de motorkap nog niet geheel is afgekoeld.’

De diender verdween.

Vledder tikte De Cock achter op de schouder.

‘Je hebt gelijk, er zijn geen bloedspatten. En de toegangsdeur is gaaf. Geen sporen van braak.’ Hij liet het ovaal van de zaklantaarn rusten op een indrukwekkende koperen plaat aan de muur. In zwarte, verzonken letters stond er: Mr. J.O.B. van Abbenes, advocaat-procureur. Vledder liet het schijnsel van de zaklantaarn op het slachtoffer zakken. ‘Zou hij het echt zijn?’

‘Het lijkt erop. We moeten even wachten tot Van Wielingen straks foto’s heeft gemaakt, dan kunnen we eens kijken of hij papieren bij zich heeft.’

‘Van Abbenes… wel eens iets van gehoord?’

De Cock trok zijn schouders op.

‘Het zegt mij niets.’

Vledder gniffelde.

‘Jee-Oo-Bee. Welke vader geeft zijn kind als voornamen Job mee?’

De Cock keek hem bestraffend aan.

‘De Bijbelse Job was een godvruchtig man.’

‘Maar hij zat wel op een mesthoop.’

De Cock negeerde de opmerking. De uitrukwagen van de Dactyloscopische Dienst draaide de gracht op en in de verte klonk de sirene van een naderende ambulance.

Vledder wees naar de dode. ‘Waarom ging die man met dit noodweer midden in de nacht nog naar zijn kantoor?’

De Cock keek bewonderend naar hem op.

‘Dat, Dick, is de eerste verstandige opmerking die ik vandaag van je hoor.’


Toen de meute was vertrokken, bukte De Cock opnieuw bij de dode. Snel doorzocht hij de zakken van diens colbert en nam daaruit een portefeuille en een in leer gebonden agenda. Hij reikte ze aan Vledder. Ook duwde hij de vingers van de rechterhand terug en pakte het etui met sleutels. Daarna kwam hij overeind en wenkte de broeders van de Geneeskundige Dienst, die in de cabine van hun wagen zaten te wachten.

De Cock wurmde zijn hoedje vaster op zijn hoofd. De storm scheen nog in hevigheid toe te nemen. De speurder keek omhoog naar de buigende iepen aan de wallenkant.

De onaangedane broeders schoven hun brancard naast de dode en legden hem voorzichtig op het canvas. Een poging om het laken over hem heen te draperen mislukte door de felle wind. Haastig sloegen ze de kleppen toe en trokken de riemen vast. Met gebogen hoofd droegen ze de dode zacht wiegend naar de ambulancewagen. De storm sjorde venijnig aan hun witte jassen.

De Cock keek toe hoe ze de deuren dichtklapten en met hun wagen wegreden. Toen het rode achterlicht was verdwenen, draaide hij zich wat bruusk om en liep naar Vledder. ‘Laten we gauw maken dat we hier wegkomen.’ Hij keek weer omhoog. ‘Met zo’n storm heb ik het niet begrepen op die oude bomen.’


In de Warmoesstraat, achter de balie, was Jan Kusters inmiddels afgelost door de oude Meindert Post. Toen Vledder en De Cock de hal in stapten, keek de Urker wachtcommandant omhoog naar de klok. ‘Jullie zijn knap laat.’

De Cock trok zijn schouders op.

‘Het zat een beetje tegen.’ Hij wees voor zich uit. ‘Heeft Jan Kusters die vorige zaak nog in het mutatierapport gezet?’

Meindert Post boog zich over zijn machine.

‘Van die twee wikkels cocaïne?’

‘Verdachte Casper van Hoogwoud.’

De wachtcommandant keek op. ‘Dat klopt. Er staat alleen niet bij wat er met hem is gebeurd.’

De Cock wuifde naar de deur. ‘Heengezonden… dat is… thuisgelaten. Zijn broer bleek te zijn overleden.’ Hij strekte zijn hand uit. ‘Geef het mutatierapport maar even mee, dan tikken wij er boven wel een stukje in.’

‘Over die moord op de Keizersgracht.’

‘Precies. Dat scheelt jou weer.’

Meindert Post trok het rapport uit zijn machine. Vledder pakte het aan, onderwijl duimde hij in de richting van De Cock. ‘Hij bedoelt… dan tikt Vledder er wel even een stukje in.’

Zoet grijnzend liep de grijze speurder van de balie naar de trap. Vledder volgde met het rapport in zijn hand.

In de recherchekamer plofte De Cock zichtbaar vermoeid op de stoel achter zijn bureau. Met een loom gebaar wierp hij zijn oude hoedje naar de kapstok, en miste. Vledder schoof hem de portefeuille en de agenda van de dode toe en pakte de elektrische schrijfmachine.

‘Is de naam goed?’

De Cock knikte.

‘Ik heb hier zijn rijbewijs. Het is voluit: Jacob Otto Bernard van Abbenes. Zijn privéadres luidt: Minervalaan 783, Amsterdam.’ De telefoon op het bureau van De Cock rinkelde. Vledder reikte iets naar voren, nam de hoorn op en luisterde. Zonder een woord te zeggen, legde hij na enkele seconden de hoorn op het toestel terug.

De Cock keek hem gespannen aan. ‘Wie was dat?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Je had toch iemand aan de lijn?’

Vledder knikte. ‘Een vrouw.’

‘En?’ De jonge rechercheur slikte. ‘Ze zei… ze zei… Marcel werd vermoord.’

Загрузка...