De volgende morgen om elf uur stapte De Cock opmerkelijk fris en monter het politiebureau aan de Warmoesstraat binnen. Hij had zich een paar uur slaap gegund. Een verkwikkend bad had daarna alle loomheid uit zijn botten gebannen. Joviaal wuifde hij in de richting van de balie, maar Meindert Post, de Urker wachtcommandant, was zo bedrijvig in de weer, dat hij niet reageerde. Het verdroot De Cock niet.
In de grote recherchekamer vond hij Vledder al achter zijn nieuwe schrijfmachine. De jonge rechercheur zag er belabberd uit… bleek, met blauwe wallen onder zijn ogen. Toen hij De Cock in het oog kreeg, produceerde hij een matte glimlach.
‘Nog een paar van die dagen en nachten met jou en ik klap volkomen in elkaar. Dan kun je de rest alleen opknappen.’
De Cock bekeek hem met een bezorgde blik.
‘Ga dan terug naar je bed.’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Dat kan niet,’ verzuchtte hij. ‘Ik heb al een afspraak gemaakt met dokter Rusteloos. Over een halfuurtje moet ik naar Westgaarde voor de sectie op het lijk van Daerthuizen.’ Hij keek omhoog naar De Cock. Zijn jong gezicht stond zorgelijk. ‘Bovendien is Kraaitje ontvlucht.’
‘Wat?’
Vledder knikte traag.
‘Het is vannacht gebeurd,’ sprak hij somber. ‘Kort nadat wij naar de Westermarkt waren vertrokken.’
‘Hoe?’
De jonge rechercheur schoof de schrijfmachine van zich af. ‘Ik heb het nog van Jan Kusters gehoord. Toen de officier van justitie en de commissaris klaar waren met hun verhoor, had Buitendam de wachtcommandant gebeld en gevraagd om Van der Kraay bij hen weg te laten halen. Dat duurde blijkbaar wat te lang naar de zin van de beide heren. Ze besloten om zelf Van der Kraay naar zijn cel terug te brengen.’ Vledder grinnikte uit leedvermaak. ‘Boven, op de gang, gaf Kraaitje meester Schaaps een fikse zwieper, duwde de lange Buitendam opzij en stormde de trap af. Voordat de beide heren alarm konden slaan, was de vogel gevlogen.’
‘Heeft dat verhoor nog iets opgeleverd?’
‘Ik geloof het niet. Ik heb er niets van gehoord of gelezen.’
De Cock schudde afkeurend zijn hoofd.
‘Ze hebben Kraaitje met hun vragen vermoedelijk zo dol gemaakt dat de man geen uitweg zag en voor de vrijheid koos.’
‘Wat nu?’
De Cock wreef zich peinzend achter in zijn nek. De vlucht van Franciscus van der Kraay was een ontwikkeling die hij niet had voorzien. ‘Het is jammer,’ sprak hij droevig, ‘dat de lijkschouwer ons vannacht zo weinig kon zeggen omtrent het tijdstip waarop de heer Daerthuizen uit ons aardse tranendal werd gemept.’ De Cock spreidde zijn handen in een hulpeloos gebaar. ‘Maar dokter Den Koninghe had natuurlijk gelijk. Wat kon hij in alle redelijkheid over het tijdstip van overlijden zeggen? Het was nogal koud vannacht… hoe snel koelt zo’n lijk af?’
Vledder keek zijn collega bedroefd aan.
‘Het loopt allemaal niet lekker.’
Het klonk nogal ontmoedigend. De Cock snoof.
‘Wat had je dan gewild? Dat men ons de dader op een zilveren schaaltje presenteerde… compleet met een fraai motief en een deugdelijke bewijsvoering?’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Maar het mag ons toch wel eens…’ Verder kwam hij niet. De Cock glimlachte. Hij blikte nog eens in het bleke gezicht, bezag de donkere wallen onder de ogen en strekte toen zijn wijsvinger gebiedend naar de jonge rechercheur uit. ‘Jij gaat na afloop van de sectie onmiddellijk naar huis en je bed in. Het verhaal van dokter Rusteloos hoor ik morgen wel.’
Vledder protesteerde.
‘En als het wat bijzonders is?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Morgen,’ sprak hij nadrukkelijk en slenterde naar de kapstok.
Vledder kwam achter zijn bureau vandaan en liep hem na.
‘Wat ga je doen?’
De Cock draaide zich om. Zijn gezicht stond strak. ‘Ik heb mijzelf,’ sprak hij grimmig, ‘een onderhoud met dokter Hardinxveld beloofd.’
Een statige grijze oude dame, in een stijve, hooggesloten zwarte japon zonder de minste franje, schuifelde op platte schoenen door de gang voor hem uit. Ze opende de deur van een soort herenkamer, hield de koperen kruk in haar hand en sprak plechtig: ‘Meneer komt zo bij u.’ Daarna deed ze de deur achter hem dicht en verdween.
De Cock keek rond. Het ruime vertrek ademde een sfeer van negentiende-eeuwse deftigheid. Er waren fraaie gobelins, donkere landschappen in gouden lijsten, een indrukwekkende boekenwand en wulpse engeltjes aan het plafond. In de ruimte tussen de beide hoge ramen hingen vergeelde silhouetportretten in een ovaal.
Na enkele minuten kwam een lange slanke man de kamer binnen. De Cock schatte hem op voor in de vijftig. Hij droeg een lichtgrijs flanellen kostuum met een rode stropdas. Met een uitgestoken rechterhand liep hij op de grijze speurder toe. ‘Hardinxveld,’ zei hij vrolijk. ‘Het spijt me dat ik u even moest laten wachten. Ik was nog aan het ontbijt.’ Hij glimlachte beminnelijk, ‘Ik ben, wat men noemt, een nachtmens. Dat betekent laat in bed en laat aan het ontbijt.’ Met een weids gebaar wees hij op een paar fragiele Biedermeier fauteuils. ‘Laten we erbij gaan zitten.’ Hij nam plaats en sloeg zijn lange benen over elkaar.
‘Re-cher-cheur-De-Cock,’ sprak hij mijmerend, ‘een bekende klank. Ik heb veel over u gehoord. U geniet, meen ik, de faam, de meest ingewikkelde misdaadaffaires tot een oplossing te brengen.’
De grijze speurder knikte.
‘Een faam die verplichtingen schept.’
‘Dat vat ik.’
De Cock keek de man voor hem peilend aan. Dokter Hardinxveld had een scherp gesneden gezicht met een hoog voorhoofd, een smalle neus, eindigend in brede neusvleugels, waaronder een paar volle, sensuele lippen.
‘We hebben vannacht,’ begon de oude rechercheur, ‘op een stille plek in de binnenstad, het lijk aangetroffen van een man, die ik kort tevoren als directeur van de IJsselsteinse Bank had ontmoet.’
Dokter Hardinxveld maakte een verschrikt gebaar.
‘O gut, Daerthuizen ook al?’
Het klonk laconiek, bijna komisch. De Cock keek naar hem op.
‘Verbaast het u niet?’
Hardinxveld vouwde zijn handen voor zijn borst.
‘Ach nee… niet helemaal. Na hetgeen er met Van Abbenes was gebeurd, lag een moordaanslag op de heer Daerthuizen min of meer in de lijn der verwachtingen.’
De grijze speurder keek hem verrast aan.
‘Dat begrijp ik niet.’
Hardinxveld zwaaide wat vaag in de ruimte.
‘Kijk, beste man,’ sprak hij zuchtend, ‘ik feitelijk ook niet. Maar het heeft er alle schijn van dat een of andere stupide idioot eropuit is om alle leden van de golfclub Amstelland uit te roeien. Hoogst merkwaardig… en heel vervelend.’
De Cock trok rimpels in zijn voorhoofd. De reacties en het taalgebruik van Hardinxveld verwarden hem. Het kostte hem moeite om de chirurg te doorgronden.
‘U… eh, u bent toch zelf ook lid van Amstelland… bent u niet bang om in de toekomst een van de slachtoffers te worden?’
Hardinxveld knikte nadrukkelijk.
‘O ja… zeker wel. En ik was er vermoedelijk al niet meer geweest als ik op dat vreemde telefoontje was ingegaan.’
‘Wat voor een telefoontje?’
‘Van een vrouw… een onbekende vrouw met een sexy stemgeluid, die mij vroeg om haar op de Westermarkt achter de Westerkerk te ontmoeten.’
De Cock slikte. De vindplaats van het lijk van Daerthuizen spookte door zijn gedachten. Hij boog zich iets naar voren.
‘Dat telefoontje kreeg u?’ vroeg hij ongelovig.
‘Ja, eergisteren.’
‘Waarom bent u niet gegaan?’
Om de volle lippen van dokter Hardinxveld danste een glimlach.
‘Ik wist wat er met Van Abbenes was gebeurd. Hij had ook zo’n telefoontje gekregen.’
De Cock kneep zijn ogen half dicht.
‘Hoe weet u dat?’
Hardinxveld spreidde zijn beide handen.
‘Van Abbenes heeft mij dat zelf verteld.’
‘Wanneer?’
‘Die bewuste avond.’
‘Toen was hij nog bij u?’
Hardinxveld knikte bevestigend.
‘Ik zei u al… ik ben een nachtmens. Ik ga meestal laat naar bed. Een onhebbelijkheid die mijn vrienden kennen. Die avond… of beter gezegd, het begin van de nacht… het was zo rond de klok van twee uur, belde Van Abbenes bij mij aan. Hij zei dat hij plotseling wat moeilijkheden had met de benzinetoevoer, waardoor zijn wagen niet prettig liep en vroeg of hij even mijn Mercedes mocht lenen om een afspraak na te komen.’
‘Een afspraak met de dood.’
Hardinxveld wuifde afwerend.
‘Dat wist Van Abbenes uiteraard nog niet… hij verheugde zich op een romantisch avontuur.’
‘Met de vrouw die hem had gebeld?’
‘Precies.’
De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.
‘Had Van Abbenes,’ vroeg hij voorzichtig, ‘geen enkel idee omtrent de identiteit van de vrouw met wie hij een ontmoeting zou hebben?’
Hardinxveld trok zijn schouders op.
‘Misschien wel… dat weet ik niet. Hij zei mij alleen, dat een vrouw op dat late uur een ontmoeting met hem had gearrangeerd. De naam van die vrouw heeft hij mij niet geopenbaard.’ Hij gebaarde verontschuldigend. ‘Ik heb er ook niet naar gevraagd.’
De Cock knikte.
‘Als… eh, als de heer Van Abbenes de naam van de mysterieuze vrouw had gekend, zou hij dan zo openhartig zijn geweest u dat te vertellen?’
Hardinxveld grinnikte.
‘Dat is hypothetisch. Hij heeft mij de naam van de vrouw niet genoemd. Of Van Abbenes haar kende… blijft een open vraag.’ De Cock wreef met zijn vlakke hand over zijn brede gezicht. Het was een gebaar om tijd te winnen. Hij begreep dat hij zijn verhoor een andere wending moest geven.
‘Toen u de volgende dag vernam dat Van Abbenes was vermoord, zal u dat diep hebben geschokt.’
‘Inderdaad.’
De Cock keek hem bewonderend aan.
‘Ik vind het heel verstandig van u, dat u niet op… eh, op dat lokkende telefoontje bent ingegaan.’
Hardinxveld glimlachte fijntjes.
‘De gewelddadige dood van Van Abbenes leek mij een geduchte waarschuwing.’
De Cock keek hem strak aan.
‘Waarom hebt u de heer Daerthuizen niet gewaarschuwd? Een moordaanslag op hem — hoe zei u dat ook weer? — lag toch in de lijn der verwachtingen?’
Hardinxveld toonde voor het eerst enige onzekerheid. Hij frunnikte nerveus aan zijn stropdas.
‘Het… eh, het leek mij niet zo verstandig om dat te doen,’ sprak hij aarzelend.
De Cock reageerde met verwondering. ‘Waarom niet?’
Hardinxveld streek enige malen met de toppen van zijn slanke vingers over zijn hals.
‘Dat telefoontje, dat ik ontving… die sexy stem… had ik herkend.’
‘Wat?’
Dokter Hardinxveld knikte traag.
‘Sybille… de vrouw van Daerthuizen.’