De Cock wierp zijn oude hoedje feilloos naar een uitstekende pen van de kapstok. Daarna trok hij zijn regenjas uit en slenterde traag naar zijn bureau.
Vledder keek naar de grote klok in de recherchekamer. Het was al bijna kwart over acht. Hij ging tegenover De Cock zitten en boog zich iets naar voren. ‘Mag ik je er even aan helpen herinneren dat we nog niet gegeten hebben.’ In zijn stem klonk een licht verwijt. De Cock knikte wat afwezig.
‘Kijk beneden in de kantine of een van de jongens bereid is om een uitsmijter voor ons te bakken. Anders doe je het zelf.’
‘Wil je nog niet naar huis?’
‘Nee.’
Vledder schudde vertwijfeld zijn hoofd.
‘Het was gisteren ook al laat in de nacht. Ik verlang naar mijn bed.’
De Cock negeerde de opmerking.
‘Bel eens met de recherche in Utrecht,’ sprak hij kalm. ‘Misschien dat zij erachter kunnen komen waar Franciscus van der Kraay uithangt. Ik denk dat hij zich daar in Utrecht veiliger zal voelen dan hier in Amsterdam.’ Hij zweeg even en wreef zich achter in zijn nek. ‘En ik heb ook belangstelling voor die Martha. Maar dat zal wel moeilijker worden.’
Vledder leunde achterover in zijn stoel.
‘Het begint er voor Kraaitje toch wel bedenkelijk uit te zien. Het kan best zijn,’ sprak hij wat spottend, ‘dat jij en Lowietje wat sentimentele gevoelens voor die man koesteren… voor mij is hij een ideale verdachte.’ Hij maakte een breed armgebaar. ‘Denk eens aan zijn bedreigingen. Je hebt het van Lowietje gehoord, zelfs de jongens van de penoze denken dat hij het heeft geflikt.’
‘Als alle uitgesproken bedreigingen ook daadwerkelijk in moorden werden omgezet, dan kwam jij zelfs niet meer aan een uitsmijter toe,’ sprak De Cock.
Vledder reageerde fel: ‘Meester Van Abbenes is dood… begrijp je… vermoord… het is niet bij een simpele bedreiging gebleven.’ Hij keek op en veranderde van toon. ‘Bovendien houd jij er ook ernstig rekening mee dat die Van der Kraay het heeft gedaan.’
De grijze speurder keek verrast op. ‘Hoe kom je daar bij?’
De jonge rechercheur snoof.
‘Ik ken je toch, De Cock. Hoelang trek ik al met je op? Ik heb toch gezien hoe je reageerde op het moment dat Smalle Lowietje het woord gerechtigheid uitsprak.’
De oude rechercheur liet zijn hoofd wat zakken.
‘Je hebt gelijk, Dick,’ sprak hij timide. ‘Toen Lowietje over die Martha sprak, dacht ik onmiddellijk aan de vrouw die kort na de moord op meester Van Abbenes onze commissaris Buitendam belde.’
Vledder citeerde met een strak gezicht.
‘Niet wegens uwe gerechtigheid… maar de mijne.’
De Cock legde zijn mes en vork neer en keek bewonderend op.
‘Heb jij die uitsmijter zelf gebakken?’
Vledder knikte.
‘Er was niemand in de kantine.’
‘Prima.’
De jonge rechercheur stond op, schoof de bordjes op elkaar en veegde met de rug van zijn hand langs zijn mond. ‘Dat is ook het enige gerecht,’ lachte hij, ‘dat bij mij nooit mislukt.’
Er werd geklopt. Zacht, bedeesd. Vledder zette de vuile bordjes en het bestek haastig achter een stapel mappen en riep: ‘Binnen!’ Er gebeurde niets. De beide rechercheurs staarden naar de deur van de recherchekamer. Het licht in de lange gang brandde. Op het geribde glas van de deur bewoog het silhouet van een figuur in een cape met capuchon. Het was een beminnelijk beeld. Het herinnerde De Cock aan zijn jeugd… een afbeelding van Roodkapje uit een prentenboek.
Vledder riep opnieuw: ‘Binnen!’ Luider nu.
De deur ging langzaam open en in de deuropening verscheen een jonge vrouw. De Cock keek haar onderzoekend aan. Hij schatte haar op achter in de twintig. Mogelijk iets ouder. Ze was mooi, stelde hij vast, heel mooi. Niet iel, broos, fragiel, maar lang, slank en weerbaar. Een vrouwentype dat hem bekoorde. Ze wierp de capuchon naar achteren. Lang blond haar viel golvend op haar blauw-paarse wollen cape. Ze haakte hem los en zwaaide het kledingstuk zwierig van haar schouders. Een tapijt van kleine regendruppels kleurde de vloer.
Vledder schoot toe en nam de cape van haar over. Ze keek hem even aan, schonk hem als dank een flauwe, wat matte glimlach en wiegde daarna in de richting van De Cock. De grijze speurder kwam opmerkelijk lenig overeind. Hij maakte voor haar een lichte buiging en bood haar hoffelijk een stoel naast zijn bureau.
‘Gaat u zitten,’ sprak hij vriendelijk.
‘Dank u zeer.’
Haar stem had een zacht, donker timbre. Ze nam plaats, legde haar handtasje op de rand van het bureau en sloeg haar fraaigevormde benen over elkaar. De registrerende blik van De Cock gleed over haar knieën naar beneden. Haar maillot was dik, zwart en wollig. Ook de schoenen die ze droeg, waren niet modieus, maar sportief en stevig.
De grijze speurder liet zich in zijn stoel achter zijn bureau zakken. ‘Mijn naam is De Cock,’ sprak hij beminnelijk. ‘De Cock, met ceeooceekaa.’ Hij wuifde naar zijn jonge collega, die de cape had weggehangen en naderbij kwam. ‘En dat is rechercheur Vledder.’ Rond zijn mond dartelde een milde glimlach. ‘Waarmee zouden wij u van dienst kunnen zijn?’
Haar gezicht kreeg een peinzende uitdrukking. Ze zocht kennelijk naar een opening voor het gesprek. ‘Misschien is het beter,’ sprak ze zacht, terughoudend, ‘dat ik mij eerst even aan u voorstel. Ik ben Marianne… Marianne van Hoogwoud… de zuster van Casper en Marcel.’
De Cock kwam weer overeind. ‘Dan condoleer ik u met het smartelijk verlies van uw broer,’ sprak hij plechtig.
Marianne van Hoogwoud drukte de haar toegestoken hand.
‘Dank u.’
De grijze speurder ging zuchtend zitten.
‘Aids,’ sprak hij droevig, ‘is een verschrikkelijke ziekte.’
Marianne van Hoogwoud knikte voor zich uit.
‘En men weet er nog zo weinig van,’ sprak ze wat opstandig. ‘Men neemt aan dat het virussen zijn… virussen, die in het lichaam juist die organen aantasten, die afweerstoffen produceren, zoals de lever en de lymfeklieren. Daardoor gaat de immuniteit verloren. Ordinaire virussen en bacteriën, die normaal direct door afweerstoffen in het lichaam worden aangevallen en vernietigd, krijgen nu de kans zich te vermenigvuldigen. Aids-patiënten sterven aan ziekten waartegen andere mensen voldoende weerstand bezitten om die te bestrijden.’ Haar gezicht vergleed in een wrange grijns. ‘Het heeft wel iets weg van varkenspest.’
De Cock keek haar getroffen aan.
‘Varkenspest?’ herhaalde hij.
Marianne van Hoogwoud knikte heftig. Het was alsof iets haar opwond. Er kwamen rode vlekken in haar hals. Na een kort zwijgen zei ze: ‘Ik… eh, ik moet u een bekentenis doen.’ Haar lippen trilden en haar stem klonk onvast.
‘Ik heb ook spijt.’
‘Waarvan?’
Ze frunnikte nerveus aan de kraag van haar blouse.
‘Toen Casper mij die nacht opbelde en zei dat Marcel aan zijn aids was gestorven, gaf… eh, gaf mij dat niet alleen verdriet, maar het maakte mij ook woedend en opstandig. Ik had er moeite mee. Ik… eh, ik kon Marcels dood gevoelsmatig niet goed verwerken. Ik vond dat iedereen… de gehele medische wereld… schuld had aan zijn dood.’ Ze keek naar De Cock. ‘In deze moderne tijd zou toch geen plaats meer moeten zijn voor een dergelijke ziekte?’
De grijze speurder antwoordde niet. Hij liet zijn blik secondenlang op haar rusten. Zijn brede gezicht had geen expressie.
‘Uw bekentenis?’ Het klonk zacht, dringend.
Marianne van Hoogwoud liet haar hoofd iets zakken.
‘Ik heb u die nacht gebeld en gezegd dat Marcel was vermoord.’
‘Dat was u?’
‘Ja.’
De Cock wuifde in haar richting.
‘Maar u meende dat niet werkelijk… ik bedoel, geen moord in juridische zin?’
Marianne van Hoogwoud schudde haar hoofd.
‘Het was een opwelling… een daad van pure machteloosheid. Ik vond op dat moment echt dat Marcel was vermoord.’ Ze stak haar beide handen omhoog. ‘Maar niet door een enkel individu, die men daarvoor in persoon aansprakelijk kan stellen… maar door een falende maatschappij, die de gezondheid van de mens nog steeds niet centraal stelt.’
De Cock beluisterde de zinsbouw, de toon waarop ze haar woorden uitsprak. ‘Noemde u daarom uw naam niet?’ Hij liet zijn pink over de rug van zijn neus glijden. ‘Als individu?’
Marianne van Hoogwoud zuchtte diep.
‘U moet mij dat niet kwalijk nemen. Op het moment dat ik met een van u aansluiting kreeg, besefte ik dat ik met de verkeerde instantie sprak. De politie had met de dood van Marcel niets van doen. Ik realiseerde mij dat mijn reactie kinderlijk was… ondoordacht. Ik kreeg ook spijt. Om u niet op dwaalwegen te brengen, besloot ik naar u toe te komen en mij bekend te maken.’
‘Moedig.’
Om haar lippen gleed een trieste glimlach.
‘Een mens moet de consequenties van zijn daden durven aanvaarden.’
De Cock knikte instemmend.
‘Heeft uw… eh, uw autoritaire vader bij uw besluitvorming meegeholpen?’
‘Vader vond ook dat ik het doen moest. Vader is door de dood van Marcel diep getroffen. Marcel was zijn oogappel. Hij heeft altijd gehoopt dat Marcel het verder zou brengen dan greenkeeper bij een golfclub.’
De Cock maakte een onzeker gebaar.
‘Casper vertelde mij dat uw vader een greenkeeper was. Omdat ik niet wist wat dat inhield, heb ik mij daarover laten voorlichten. Als ik het goed heb begrepen, dan is een greenkeeper de man die voor een club de golfbanen verzorgt… in het bijzonder de putting-greens… stukjes uiterst fraai grasland met een holletje.’
Marianne van Hoogwoud glimlachte.
‘Een wat simpele uiteenzetting. Vader heeft daarbij nog tal van andere bezigheden.’
‘Al met al toch een eerzaam beroep.’
Marianne van Hoogwoud knikte instemmend. ‘We hebben ook altijd heel plezierig op het terrein van Amstelland gewoond. Vader staat bij het bestuur en de leden van de club hoog in aanzien. Terecht, naar ik meen.’ Ze pauzeerde even. ‘Maar van Marcel…’ ging ze verder, ‘van Marcel had vader meer verwacht. Marcel had een goed verstand… was intelligent… maar weigerde die intelligentie op een gepaste manier te gebruiken. Hij voelde niets voor een normale baan. Hij zei altijd dat hij snel rijk wilde worden en ging tot groot verdriet van mijn vader al jong het huis uit.’
‘Hoe?’
‘Wat bedoelt u?’
‘Hoe wilde Marcel snel rijk worden?’
‘Vrouwen hebben dat niet zo… naar mijn idee…’ sprak Marianne van Hoogwoud met een trieste glimlach. ‘Maar mannen zijn vrijwel altijd op zoek naar een soort blauwdruk voor rijkdom en succes.’
De Cock wreef over zijn kin en voelde dat de stoppels er al aardig doorkwamen.
‘Bestaat er zo’n blauwdruk?’ vroeg hij onnozel.
Marianne van Hoogwoud antwoordde niet direct. Ze legde haar beide handen in haar schoot en zocht naar een passend antwoord. ‘Als ik… eh,’ begon ze voorzichtig, ‘de welstand zag… de manier waarop Marcel leefde… dan bekroop mij wel eens het gevoel dat Marcel de juiste blauwdruk had gevonden.’
‘Wist u wat Marcel deed?’
Marianne van Hoogwoud schudde haar hoofd. ‘Ik denk,’ sprak ze bedachtzaam, ‘dat niemand wist wat Marcel deed.’
‘Ook geen vermoeden?’
‘Nee.’
‘Hoe reageerde uw vader op de welstand van Marcel?’
De jonge vrouw maakte een lichte schouderbeweging. ‘Soms leek het alsof hij er zelfs trots op was. Maar vader is de laatste jaren de oude niet meer. Zijn geest is nog sterk, maar lichamelijk gaat hij hard achteruit. We hebben zijn bed al in de kamer gezet. Hij kan geen trap meer op. Ik ben bang dat door de vroege dood van Marcel zijn toestand nog zal verslechteren.’
De grijze speurder knikte begrijpend. Daarna keek hij haar scherp observerend aan.
‘Zou Casper… tijdens de ziekte van Marcel… de blauwdruk hebben overgenomen?’
Marianne van Hoogwoud blikte onbevreesd terug.
‘Casper,’ reageerde ze vinnig, ‘is een kind.’
De Cock grijnsde.
‘Maar voor zijn achttien jaren uiterst volwassen.’
Ze trok haar mond strak en schudde haar hoofd.
‘Het is allemaal slechts spel van Casper… een pose. Zijn gedrag heeft met echte volwassenheid niets te maken. Als een oude, ervaren rechercheur zou u daar doorheen moeten zien.’ Het klonk bestraffend.
De Cock negeerde de opmerking.
‘Op het moment dat wij Casper arresteerden,’ sprak hij geduldig, ‘had hij honderd bankbiljetten van duizend gulden met tape op zijn buik geplakt. Van dat geld kennen wij nog steeds de herkomst niet.’
Marianne van Hoogwoud trok haar schouders op. ‘Ik ken dat verhaal,’ reageerde ze nukkig. ‘Ik weet niet hoe hij aan dat geld komt.’ Ze keek fel op. ‘En het interesseert mij ook niet.’
De Cock liet zich in zijn stoel terugzakken. Hij begreep dat verder aandringen geen zin had. Marianne van Hoogwoud leek hem geen vrouw die onder een golf van vragen zou bezwijken. Hij keek haar nog eens aan, monsterde haar profiel. Zijn blik gleed van haar kin naar een fraaie broche, die ze rechts op haar blouse droeg… een brede, glimmende ronde rand, kunstig opgevuld met ragfijn filigreinwerk in zilver. Hij plukte aan zijn onderlip.
‘We hadden aanvankelijk aan onze dokter Rusteloos wat bijzonderheden over aids willen vragen. Dat is niet meer nodig. U hebt ons al volledig ingelicht.’ Hij keek haar bewonderend aan.
‘Ik moet zeggen… u weet er echt veel van.’
Marianne van Hoogwoud gebaarde achteloos.
‘Niet zo verwonderlijk als men een broer heeft die aan die ziekte lijdt. Bovendien ontmoet ik aids dagelijks in mijn werk.’
‘Uw werk?’
‘Ik ben verpleegster in het Mattheus Ziekenhuis.’
De Cock kneep zijn wenkbrauwen iets samen.
‘Bij dokter Hardinxveld?’
Er kwam een waakzame blik in haar ogen.
‘Kent u hem?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Nee… ik ken hem niet. Maar ik heb zijn naam wel eens horen noemen.’