12

Tussen een hoge bedaagde Rolls Royce en een lage vinnige Porsche door, reed Vledder de gammele politiewagen van het terrein van Amstelland en zocht zijn weg terug naar de Warmoesstraat.

De Cock zat onderuitgezakt naast hem. Hij had met volle aandacht naar de technische uiteenzetting van de jonge professional geluisterd en zijn hoofd duizelde van de Engelse begrippen. Een golfclub, zo had hij begrepen, was niet zomaar een golfclub. Er waren houten van 1 tot 5 en ijzers van 2 tot 9. Dan waren er nog putterspitching- en sandwedges. En die hadden alle weer een capgriphoselneckheel en een clubface met aiming- en scoringlines. Hij drukte zich wat dizzy omhoog.

‘Dat ze aan een stok met een rondje hout of een klontje ijzer zo veel namen kunnen geven.’

Het klonk heel oneerbiedig.

Vledder keek hem van terzijde aan.

‘Als Bram van Wielingen zijn werk goed doet,’ sprak hij strak, ‘dan hebben we het bewijs tegen Franciscus van der Kraay vrijwel rond.’

De oude rechercheur reageerde niet onmiddellijk. Hij ergerde zich een beetje aan de halsstarrigheid van zijn jonge collega.

‘Vind je het niet merkwaardig,’ vroeg hij na een poosje, ‘dat uit de golftas van dokter Hardinxveld uitgerekend een ijzer 7 is verdwenen?’

Vledder maakte een korte schouderbeweging.

‘Ik heb begrepen,’ sprak hij achteloos, ‘dat ijzer 7 een golfclub is, die tijdens het spel veelvuldig wordt gebruikt. Een of ander lid van Amstelland zal dat ijzer 7 even hebben geleend.’

De Cock grinnikte.

‘Om er een balletje mee te slaan… of om ermee op de schedel van Van Abbenes te tikken?’

Vledder wond zich zichtbaar op. Er kwamen rode plekken in zijn hals en zijn handen klemden zich zo vast om het stuur, dat de knokkels wit werden.

‘Waar is het motief?’ riep hij fel en geëmotioneerd. ‘Had dokter Hardinxveld een reden om naar de dood van de advocaat Van Abbenes te verlangen… of iemand anders van de club?’ De jonge rechercheur knikte heftig voor zich uit. ‘Franciscus van der Kraay had een motief… en een plan. Ook beschikte hij over een door hemzelf met zorg gekozen moordwapen… een ijzer 7.’

De Cock zweeg. Hij begreep dat een verdere discussie geen zin had. Hij keek om zich heen naar het drukke verkeer. De straatverlichting floepte aan. Het begon alweer donker te worden. Hij schoof de mouw van zijn regenjas iets terug en keek op zijn horloge. De excursie naar Amstelland had langer geduurd dan hij had verwacht. Toch voelde hij zich niet ontevreden.

Hij keek naar Vledder. Het gelaat van de jonge rechercheur stond nog steeds strak, gespannen. De grijze speurder toonde zijn beminnelijkste glimlach. ‘Morgen,’ sprak hij vriendelijk, ‘gaan we eerst naar Utrecht om de sportzaak te vinden waar Van der Kraay zijn golfclub heeft gekocht. Dat lijkt mij beter. Dan zijn we niet meer zo afhankelijk van de verklaring van Martha Hooglied.’

Vledder keek hem van terzijde aan.

‘Meen je het?’

In zijn stem trilde enige argwaan.

De Cock knikte. Om zijn lippen danste een zoete grijns.

‘We werken toch samen aan een moord… is het niet?’


Toen De Cock en Vledder de hal van het politiebureau binnenstapten, kwam Jan Kusters vanachter zijn dienstboek omhoog en wenkte de rechercheurs naar de balie.

‘Smalle Lowietje is hier geweest.’

De Cock reageerde verrast.

‘Persoonlijk?’

Jan Kusters trok een grimas.

‘Een iel, mager mannetje met een muizensmoeltje.’

De Cock lachte.

‘Dat is Lowie, ja. Wat wilde hij?’

‘Jou spreken. Het was nogal dringend, zei hij.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Heeft hij verder nog iets gezegd?’

Jan Kusters schudde zijn hoofd.

‘De man deed nogal schichtig en was in luttele seconden weer het bureau uit.’

De Cock gniffelde.

‘Smalle Lowietje is een beetje allergisch voor politieuniformen.’ Hij legde vertrouwelijk zijn hand op de schouder van de wachtcommandant. ‘We gaan straks wel even naar hem toe. Ik wil eerst wat eten.’ Hij draaide zich naar Vledder. ‘Zou… eh, zou jij voor ons weer zo’n… zo’n eigeval willen klaarmaken?’

De jonge rechercheur knipoogde. ‘Een uitsmijter à la Vleddèr.’

‘Dat bedoel ik.’

Vledder beende naar de kantine en De Cock liep de trap op. Het was niet gebruikelijk, overdacht hij, dat Smalle Lowietje in persoon naar de Kit kwam. Dat deed hij niet graag. Hij meed de Warmoesstraat zo veel als doenlijk, bang om door de penoze voor een versliecheraar te worden uitgekreten.

De Cock vroeg zich af wat voor dringende zaken de caféhouder had te melden. Bij Lowietje was dat nooit te voorspellen. De Smalle had relaties in alle lagen van de onderwereld.

Op de tweede etage stapte hij de grote recherchekamer binnen en trok zijn regenjas uit. Traag slenterde hij van de kapstok naar zijn bureau. Tussen de toetsen van zijn schrijfmachine stak een roze enveloppe. In een vloeiend rond handschrift stond Rechercheur De Cock. Een verdere adressering was er niet.

De Cock bracht de enveloppe naar zijn neus en rook. De geur van het parfum kwam hem bekend voor. Met een ballpoint maakte hij de envelop open en nam daaruit een velletje dik roze papier.

‘Geachte rechercheur,’ las hij hardop,

‘U bent telefonisch zo moeilijk te bereiken, dat ik dit briefje maar even aan het bureau laat bezorgen. Ik verzoek u om het hangertje dat mijn man om zijn hals droeg, aan mij terug te bezorgen. Ik wil het als aandenken aan hem bewaren.

mevrouw Van Abbenes

PS, het stiertje is een kalf.’

Vanuit de Warmoesstraat kuierden ze op hun gemak via de Lange Niezel naar de Voorburgwal. Het was er druk. De Amsterdamse seksmachinerie draaide op volle toeren… een machtig miljoenenbedrijf van grote internationale reputatie. De Cock stootte Vledder met een elleboog in zijn zij.

‘Het stiertje is een kalf.’

De jonge rechercheur keek hem onnozel aan.

‘Wat zeg je?’

‘Het stiertje is een kalf.’

‘Welk stiertje?’

‘Dat Van Abbenes om zijn hals droeg.’

‘Hoe kom je daar bij?’

‘Dat schrijft mevrouw Van Abbenes mij. Ze wil het hangertje dolgraag terug hebben… als een aandenken aan haar man. En ze eindigt haar briefje met een PS, het stiertje is een kalf.’

Vledder gebaarde achteloos. ‘Dat maakt toch geen verschil? Een jonge stier is toch een kalf? Of heb ik dat mis?’

De Cock trok zijn schouders op. ‘Dat weet ik niet,’ reageerde hij onzeker. ‘Ik heb geen agrariërs in de familie. Ik vond het alleen vreemd. Zie je, dat PS onder aan dat briefje was volkomen overbodig. Naar mijn gevoel is het een cryptisch zinnetje, waarmee ze iets wil aanduiden.’

Vledder zwaaide geïrriteerd. ‘We zijn er niet voor om cryptogrammen op te lossen. Als mevrouw Van Abbenes ons iets wil laten weten, dan moet ze gewoon duidelijke taal spreken.’

De Cock knikte traag, nadenkend.

‘Ik vind haar gedrag toch opvallend. Toen ik haar die morgen bezocht om haar te condoleren, acteerde ze meer als een Lustige Witwe, dan als een vrouw die treurt om de dood van haar man.’ Hij zweeg even. ‘Bovendien begrijp ik nog steeds niet precies waarom zij juist dat gesprek memoreerde tussen Van Abbenes en Hardinxveld… met als onderwerp een Casper van Hoogwoud, die fraude zou hebben gepleegd.’

Vledder lachte onbezorgd.

‘Als Van der Kraay eenmaal heeft bekend,’ sprak hij luchtig, ‘dan mag je dat allemaal vergeten.’

De grijze speurder reageerde niet. Hij voelde er weinig voor om opnieuw met zijn jonge collega in een twistgesprek te geraken. Op de hoek van de Achterburgwal en de Barndesteeg schoven ze het etablissement van Smalle Lowietje binnen. Toen de tengere caféhouder De Cock in het oog kreeg, kwam hij snel vanachter de tapkast en liep op de grijze speurder toe. Zijn gezicht stond ernstig.

‘Kraaitje,’ fluisterde hij.

De Cock boog zich iets voorover.

‘Wat is er met Kraaitje?’

Smalle Lowietje blikte even om zich heen.

‘Hij zit bij zijn oude moeder op de gracht.’


Franciscus van der Kraay greep de rechercheur met beide handen aan de revers van zijn colbert vast. In zijn donkere ogen lag angst en wanhoop.

‘Ik heb het niet gedaan, De Cock!’ schreeuwde hij. ‘Ik heb het niet gedaan. Geloof me toch… ik heb het niet gedaan. Ik schrok mij het lazarus toen ik het die avond in de krant las.’

De Cock maakte de handen los en duwde Van der Kraay terug op zijn stoel. Kraaitje, vond hij, was zichtbaar ouder geworden. Het leek alsof zijn machtige torso wat dieper op zijn heupen was gezakt. Ook de lijnen in zijn gezicht waren scherper en zijn zwarte haren werden aan de slapen al grijs. Hij wreef demonstratief de kreukels uit zijn revers en ging tegenover hem zitten.

‘Je had herrie met Van Abbenes.’

Van der Kraay grijnsde.

‘Wat heet herrie? Die… eh, die viezerik heeft mij belazerd. Zo simpel ligt dat.’

‘En Kraaitje laat zich niet belazeren.’

Franciscus van der Kraay schudde zijn hoofd. Rustig. Hij had zich weer wat in bedwang. ‘De Kraaitje van nu,’ sprak hij vriendelijk, geduldig, ‘is niet meer de Kraaitje van toen. Ik loop niet meer als een domme stier overal wild achteraan.’

De Cock glimlachte fijntjes.

‘Dat is waar,’ reageerde hij gnuivend. ‘De Kraaitje van nu is veel sluwer. Daarom bedacht hij een geraffineerd plan om die Van Abbenes uit de weg te ruimen. Hij kocht een golfclub.’

Van der Kraay keek hem verbaasd aan.

‘Dat weet je?’

De Cock spreidde zijn armen.

‘Beste kerel,’ sprak hij gemoedelijk, ‘we halen je toch niet bij je oude moeder vandaan, als we niet over de nodige aanwijzingen beschikken?’ Hij laste gewild een kleine pauze in. ‘Waar… eh, waar had je die mooie golfclub voor nodig?’

Van der Kraay wond zich weer op.

‘Om die Van Abbenes zijn hersens in te slaan… dat wil je toch van mij horen?’

De Cock vouwde zijn handen.

‘Ik wil de waarheid horen. Alleen de waarheid. Anders niet.’

‘Ik heb het niet gedaan.’

‘Dat liedje,’ sprak De Cock bedaard, ‘heb je vanavond al een paar maal gezongen.’

Van der Kraay sloeg met zijn handen tegen zijn voorhoofd.

‘Maar het is de waarheid.’

De Cock strekte zijn rechterhand naar hem uit.

‘Oké,’ sprak hij berustend, ‘dat is de waarheid. Dat houden we even vast. Beginnen we heel rustig opnieuw. Jij voelde je door Van Abbenes bedrogen en kocht een golfclub… waarom?’

Het leek alsof Van der Kraay zich gewonnen gaf. Zuchtend liet hij zijn hoofd zakken. Eerst na enige seconden keek hij op.

‘De Cock, wil je naar mij luisteren?’

De grijze speurder spreidde zijn armen.

‘Daar zit ik voor.’

Van der Kraay knikte voor zich uit.

‘Het is waar,’ begon hij zacht, ‘ik heb echt dagenlang met het plan rondgelopen om die vent zijn hersens in te slaan.’ Hij glimlachte wat triest. ‘Het heeft geen zin dat te ontkennen. Ik heb het zo vaak rondgebazuind, dat ik het net zo goed in de Sterreclame had kunnen gooien. Maar als je alles, waarvoor je jaren hebt geploeterd, zomaar van je ziet wegvallen, dan word je opstandig. Vooral wanneer je nergens schuld aan hebt. Dat wijf deugde niet… en ik moet geen wijf dat niet deugt.’ Hij trok zijn schouders iets op. ‘Wat doe je dan? Je zoekt een advocaat, een goeie, en zegt tegen zo’n vent dat je wil scheiden. Dat is toch normaal? Je denkt toch vooruit niet dat je in één klap geruïneerd zal worden? Nou, dat gebeurde wel. Ik was meteen ridder te voet, kon mijn zaak verkopen en…’

De Cock stak afwerend zijn handen op.

‘De golfclub,’ onderbrak hij scherp.

Franciscus van der Kraay wreef met de rug van zijn hand langs zijn droge lippen. ‘Ik wist,’ sprak hij loom, ‘dat Van Abbenes een verwoed golfspeler was. Hij had mij dat zelf verteld. Bovendien, als je hem in zijn kantoor wilde spreken, was hij er nooit. Dan belde Charles, die tanige bediende van hem, naar de golfclub. Daar was hij altijd te vinden.’

De Cock knikte.

‘Dat bracht jou,’ sprak hij begrijpend, ‘op de gedachte om een golfclub als wapen te gebruiken.’

Van der Kraay liet zijn hoofd weer zakken. ‘Ik had op de televisie, tijdens een sportprogramma, een paar mannen eens met zo’n golfclub zien slaan en toen dacht ik…’

De Cock onderbrak hem opnieuw. ‘En op een avond, vrij laat, belde je hem op en zei dat je hem dringend moest spreken. Bij zijn kantoor wachtte je hem op en toen hij…’

Franciscus van der Kraay kwam wild overeind. Zijn gezicht zag rood en zijn ogen bolden.

‘Nee!’ Hij gilde. ‘Nee…’

De telefoon op het bureau van De Cock rinkelde. De interruptie was zo onverwacht en indringend dat zowel Van der Kraay als de beide rechercheurs verstijfd naar het toestel staarden.

Vledder nam de hoorn op en luisterde. Het gezicht van de jonge rechercheur verbleekte. Na enige tijd legde hij de hoorn op het toestel terug.

De Cock boog zich naar hem toe.

‘Wie was dat?’

‘De commissaris.’

‘Buitendam?’

De jonge rechercheur knikte nauwelijks merkbaar.

‘Die vrouw heeft weer gebeld.’

De Cock kneep zijn ogen half dicht.

‘En?’

‘Ze zei… “Daerthuizen is dood… niet wegens uwe gerechtigheid… maar de mijne.”’

Загрузка...