6

‘Franciscus van der Kraay?’

Charles van Dungen knikte weer. ‘Een wilde, wat primitieve man. Explosief. Gewelddadig.’

‘En die Van der Kraay heeft meester Van Abbenes vermoord?’

‘Daarvan ben ik overtuigd.’

‘Waarop berust die overtuiging?’

Charles van Dungen verschoof iets op zijn stoel.

‘Meester Van Abbenes heeft in het begin van dit jaar een echtscheidingsprocedure voor hem gevoerd. Van der Kraay was het met de uiteindelijke voorwaarden van de scheiding niet eens, of beter gezegd totaal oneens. Vooral de alimentatie was naar zijn mening veel te hoog uitgevallen. Hij achtte Van Abbenes daarvoor aansprakelijk, stelde dat hij zich door zijn… eh, ongetwijfeld knappe vrouw, had laten inpalmen.’

De Cock glimlachte.

‘Ik neem aan,’ sprak hij bedaard, ‘dat bij echtscheidingsperikelen, waarbij de emoties vaak hoog oplaaien, dergelijke beschuldigingen wel meer voorkomen.’

‘Zeker. In ons kantoor ontstaan soms wilde tonelen. Dat is niet altijd te vermijden. Maar tot echte handtastelijkheden komt het vrijwel nooit.’

‘Bij Van der Kraay wel?’

Charles van Dungen gebaarde heftig. ‘Ik zei het u toch al, die man is gewelddadig, reageert uiterst primitief. En hij is sterk als een beer. Hij heeft mij eens met een enkele armbeweging tegen de grond geslagen, toen ik hem niet direct tot meester Van Abbenes wilde toelaten. Dat was ook de eerste keer dat hij zijn dodelijke bedreigingen uitte.’

De Cock hield zijn hoofd iets schuin. ‘Dodelijke bedreigingen?’ herhaalde hij. Zijn stem had ongewild een wat cynische klank.

Het ontging Charles van Dungen niet. Hij keek even op. Daarna raadpleegde hij zijn agenda.

‘Van der Kraay heeft letterlijk gezegd: Geloof me, beste man, ik sla je je hersenen in. Hij heeft die bedreiging in totaal wel driemaal herhaald, op verschillende momenten. Ik heb de tijdstippen waarop hij die woorden uitsprak, genoteerd, precies met datum en uur.’

‘Waarom?’

‘Wat bedoelt u?’

De Cock spreidde zijn armen.

‘Waarom hebt u daarvan zo exact boekgehouden?’

Charles van Dungen keek de oude rechercheur hoofdschuddend aan. ‘Ik heb het gevoel,’ zei hij verwijtend, ‘dat u weinig waarde aan mijn woorden hecht… dat u onvoldoende beseft wat voor een man die Van der Kraay is.’ Hij bracht zijn beide handen trillend omhoog. ‘Het waren geen loze bedreigingen van een machteloze man, die woedend zijn emoties ontlaadde. Integendeel. Van der Kraay meende wat hij zei. Hij sprak zijn woorden kalm en duidelijk uit. Zonder pathos. Ik… en ook de heer Van Abbenes, wij hebben zijn uitlatingen per se ernstig genomen. Gezien onze ervaringen met Van der Kraay sloten wij geenszins de mogelijkheid uit dat hij zijn bedreigingen eens zou uitvoeren. Daar hielden we terdege rekening mee.’ Hij zweeg even en liet zijn hoofd iets zakken. ‘Toen ik vanmorgen vernam,’ ging hij op sombere toon verder, ‘dat de heer Van Abbenes voor de deur van zijn kantoor met een slag op het achterhoofd was vermoord, stond het voor mij vast dat Van der Kraay de dader was… ook al omdat de termijn afliep.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Termijn… wat voor een termijn?’

Charles van Dungen zuchtte en legde uit: ‘Gisteren… middernacht… tot zolang had hij meester Van Abbenes de tijd gegeven. Als hij voor dat tijdstip niet voor andere voorwaarden inzake zijn huwelijksontbinding had gezorgd, zou hij, Van der Kraay, onverbiddelijk toeslaan.’


‘Gaan we hem arresteren?’

‘Wie?’

Vledder deed wat geprikkeld. ‘Die Franciscus van der Kraay.’

De Cock trok gelaten zijn schouders op.

‘Ik wil eerst wat meer weten.’

‘Nog meer?’ vroeg Vledder spottend. ‘Het lijkt mij nogal duidelijk. Die man heeft gedreigd om meester Van Abbenes zijn hersens in te slaan…’

De Cock onderbrak hem. ‘En er zit een deuk in zijn hersenpan.’

‘Precies,’ zei Vledder heftig knikkend. ‘En denk aan de termijn… gisteren… middernacht. Het kan toch geen toeval zijn dat Van Abbenes enkele uren na het verstrijken van de termijn werd vermoord.’

‘Dat is inderdaad opvallend,’ sprak De Cock bedaard.

Vledder keek zijn oude collega onderzoekend aan. Zijn jonge gezicht stond ernstig. ‘Ik… eh, ik vond toch,’ sprak hij licht verwijtend, ‘dat je die brave Charles van Dungen met weinig respect behandelde. Die man wil ons oprecht behulpzaam zijn. Maar soms leek het alsof je hem in het geheel niet serieus nam.’

De Cock leunde achterover in zijn stoel. Het verwijt van zijn jonge collega trof hem. ‘Ik moet je iets bekennen,’ sprak hij wat timide. ‘Ik… eh, ik ken Fransie van der Kraay… of Kraaitje, zoals hij vroeger werd genoemd. Heel lang geleden heb ik wel eens iets met hem te maken gehad.’

‘Hoelang?’

‘Een jaar of vijftien. Misschien nog langer. Hij woonde toen op het stille stukje van de Geldersekade. Kraaitje kwam altijd in het geweer, wanneer naar zijn mening ergens onrecht was geschied.’

‘Gewelddadig?’

‘In de regel.’

‘Primitief?’

‘Meestal.’

Vledder boog zich naar hem toe. ‘De Cock… wat wil je nog meer?’ Hij kon de ergernis in zijn stem niet weren. ‘Alles sluit als een bus. Ditmaal was, naar zijn mening, hem persoonlijk onrecht aangedaan.’ Hij zweeg even peinzend. ‘En denk eens aan dat telefoontje achteraf: “niet wegens uwe gerechtigheid, maar de mijne.” Dat duidt toch volkomen op het karakter van die Franciscus van der Kraay.’

De grijze speurder reageerde plotseling scherp.

‘Dat telefoontje, Dick… kwam van een vrouw.’


De Cock bemerkte ineens dat ze al geruime tijd stil stonden. Hij drukte zich wat omhoog en bezag de file op het Damrak voor de verkeerslichten van de Dam. ‘Ik dacht dat we al veel verder waren,’ mijmerde hij hardop. Met een zorgelijk gezicht schoof hij de mouw van zijn colbert terug en keek op zijn horloge. Het was al bijna kwart over vier. Als het verkeer hen nog langer ophield, kwamen ze beslist te laat.

Vledder keek hem van terzijde aan. ‘Het spitsuur begint. Straks wordt het nog erger.’ Hij zweeg even. ‘Moet het per se vandaag?’

‘Wat ge vandaag nog kunt verrichten… stel dat nooit tot morgen uit,’ declameerde De Cock met stemverheffing.

Vledder grinnikte.

‘Dat is zeker weer zo’n uitspraak van je oude moeder?’

De Cock lachte ontspannen.

‘Je begint mijn familie al aardig te kennen.’

Er kwam weer wat beweging in de file en de jonge rechercheur trok de wagen langzaam op. ‘Wat dacht je bij die IJsselsteinse bank te bereiken?’

De Cock gebaarde wat vaag in de ruimte.

‘Meester Daerthuizen, de algemeen directeur van de bank, was zo vriendelijk en bereidwillig om ons te ontvangen. En dat, geloof me, is al heel wat.’

Vledder gniffelde.

‘Maar geen antwoord op mijn vraag.’

De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.

‘Die vermaledijde honderd bankbiljetten van duizend gulden, die Casper van Hoogwoud rond zijn buik had geplakt, zitten mij nog steeds behoorlijk dwars. Misschien dat wij de bankrekening van die jongeman eens onder ogen kunnen krijgen.’

‘Wat wil je ermee?’

De Cock grijnsde. ‘Ambtelijke nieuwsgierigheid, het intrigeert mij gewoon wie er zo losjes met een ton omgaat.’

‘Je bedoelt… wie die honderdduizend gulden op die jongen zijn rekening heeft gestort?’

De Cock knikte. ‘En waarom? Ik ben nogal kritisch bij het beschouwen van liefdadige motieven.’

Ze reden zwijgend verder. Het verkeer werd in korte tijd nog intensiever en ze kwamen maar langzaam vooruit. De Cock keek weer op zijn horloge. De heer Daerthuizen had hem beloofd dat hij tot halfvijf op hem zou blijven wachten. Het was al bijna vijfentwintig minuten over vieren. De tijd begon te dringen.

Vledder vloekte hartgrondig op de chauffeur van de auto voor hen, die bij een kruising treuzelde. ‘Heb je aan directeur Daerthuizen verteld waarover je hem wilde spreken?’ vroeg hij, nadat hij weer vrij baan had.

‘Dat moest ik wel. Daerthuizen wilde zich op het gesprek voorbereiden en voordien wat informaties inwinnen. Ik heb daar wel begrip voor. Ik ben zo vaag mogelijk gebleven, maar kon er toch niet aan ontkomen de naam van Casper van Hoogwoud te noemen. Uiteraard was ik hem het liefst rauw op zijn dak gevallen.’

Vledder draaide vanaf de Vijzelstraat de Keizersgracht op.

‘Weet je wat ik niet begrijp, De Cock?’

‘Nou?’

‘Waarom jij op het bureau, tijdens jouw onderhoud met Charles van Dungen, niet over de affaire Casper van Hoogwoud hebt gesproken. Ik had dat verwacht. Hij had je wellicht enige opheldering kunnen geven.’

De Cock draaide zich half naar hem toe.

‘Ik heb er echt aan gedacht, Dick. Maar al in het begin van het gesprek heb ik dat plan laten varen. Zie je, die Charles van Dungen is óf bijzonder naïef… óf hij toont ons opzettelijk een vals beeld van een uiterst integere meester Van Abbenes. In beide gevallen leek het mij niet raadzaam om Casper van Hoogwoud en zijn — in mijn ogen — kwade honderdduizend gulden ter sprake te brengen. Ik denk dat elk antwoord leugenachtig zou zijn geweest.’ Hij wuifde wat nonchalant. ‘Maar Charles van Dungen is de wereld nog niet uit.’

Vledder vond bij de bank op de gracht aan de wallenkant voor de Volkswagen nog een plekje tussen de bomen. De beide rechercheurs stapten uit. De Cock raadpleegde opnieuw zijn horloge. ‘Ik ben bang,’ zei hij somber, ‘dat hij er niet meer is. Wij zijn ruim twaalf minuten te laat.’

Vledder trok een ernstig gezicht.

‘Laten we hopen,’ sprak hij plechtig, ‘dat de gerechtigheid de heer Daerthuizen ruim twaalf minuten waard is.’

De Cock keek bewonderend naar Vledder op. ‘Dat is een mooie kreet,’ sprak hij lovend.


Na het beklimmen van een brede, monumentale trap, liepen ze in de hal op een man af, die in een wit marmeren carré stond. Hij droeg een onberispelijk donkerblauw uniform met op beide revers, in zilver, het embleem van de bank.

De Cock nam zijn hoedje in de hand.

‘Wij… eh, wij zijn rechercheurs van politie… Vledder en De Cock… van het bureau Warmoesstraat. We hebben een afspraak met de heer Daerthuizen.’

De man keek omhoog naar een enorme klok. Daarna keek hij weer hooghartig naar de rechercheurs. ‘Op dit tijdstip,’ sprak hij wat verveeld, ‘is onze heer Daerthuizen in de regel niet meer in het gebouw aanwezig.’

De Cock maakte een verontschuldigend gebaar.

‘Het spijt ons. Wij zijn wat opgehouden in het verkeer. Maar de heer Daerthuizen heeft beloofd op ons te zullen wachten.’

De man in uniform verliet met duidelijke tegenzin zijn carré en verdween een tiental meters verderop achter een hoge deur. Na een paar minuten kwam hij terug en leidde de rechercheurs naar de lift.

‘De eerste etage,’ sprak hij mat. ‘De secretaresse van meneer zal u daar opwachten.’ De Cock boog tot dank. Toen de liftdeuren op de eerste etage voor hen opengingen, stond daar een knappe, uiterst degelijk geklede jonge vrouw met een beroepsmatige glimlach om de lippen. ‘Willen de heren mij volgen?’

De Cock en Vledder sjokten achter haar aan door een ruime, met roze marmer beklede gang. Aan het eind pakte zij de klink van een fraai bewerkte houten deur, hield die uitnodigend open en verdween geruisloos.

Meester Daerthuizen bleek een lange, statige man met een gebruind gelaat en strak donkerblond haar, iets grijzend aan de slapen. Hij troonde in een zetel met een opvallend hoge rugleuning achter een imposant bureau van donker eiken. Zonder op te staan wuifde hij de beide rechercheurs naderbij en bood hen een stoel aan.

‘Waarmee kan ik de heren van dienst zijn?’

Het klonk niet onvriendelijk.

De Cock legde, zoals gebruikelijk, zijn oude hoedje naast zich op het tapijt. Daarna blikte hij omhoog, met zijn markante gezicht in een ernstige plooi.

‘Wij hebben de droeve taak,’ sprak hij somber, ‘om een onderzoek in te stellen naar het gewelddadig verscheiden van de heer Van Abbenes… advocaat-procureur… kantoorhoudend hier op dezelfde gracht.’

Daerthuizen knikte. ‘Ik heb het vernomen en ik moet u zeggen dat ik door het gebeurde diep ben geschokt. Ik heb de heer Van Abbenes heel goed gekend. Wij waren… eh, hoe zal ik dat zeggen… vrienden.’ Hij zweeg even en staarde de beide rechercheurs aan. ‘Ik ben dan ook bereid om aan uw onderzoek mijn volledige medewerking te verlenen.’

De Cock knikte dankbaar.

‘Onze naspeuringen hebben nog weinig resultaten opgeleverd. Dat was ook niet te verwachten in zo’n korte spanne tijds. We hebben inmiddels wel begrepen dat de heer Van Abbenes een omvangrijke praktijk had.’

De heer Daerthuizen glimlachte. ‘Dat is algemeen bekend. Meester Van Abbenes was een uiterst kundig man.’

‘Wij achten het niet uitgesloten,’ vervolgde De Cock, ‘dat het motief voor de moord schuilt in een van de zaken die de heer Van Abbenes als rechtskundige in behandeling had.’

Daerthuizen knikte instemmend.

‘Inderdaad… een redelijke mogelijkheid.’

De Cock wreef met zijn pink over de rug van zijn neus.

‘Ons is ter ore gekomen,’ sprak hij voorzichtig, ‘dat meester Van Abbenes een affaire in behandeling had, waarbij een jongeman zou zijn betrokken… Casper van Hoogwoud… ik heb u die naam door de telefoon reeds genoemd… die uw bank voor een bedrag van honderdduizend gulden zou hebben benadeeld.’

Daerthuizen bracht in trage bewegingen zijn beide handen naar voren en drukte de vingertoppen tegen elkaar. ‘Ik weet niet,’ sprak hij ijzig, ‘uit welke bronnen uw informaties afkomstig zijn, maar Van Abbenes kan een dergelijke zaak nooit in behandeling hebben gehad. Wij zijn namelijk niet benadeeld.’

De Cock trok zijn wenkbrauwen samen.

‘En… eh, en Casper van Hoogwoud?’

‘Die kennen wij niet.’

De grijze speurder drukte zijn teleurstelling weg. ‘Hij… hij had hier een rekening.’

Meester Daerthuizen schudde bedaard zijn hoofd.

‘Een man van die naam heeft bij onze bank nooit een rekening gehad.’

Загрузка...