Rechercheur De Cock verliet de IJsselsteinse bank in een pure mineurstemming. Hij had het onbestemde gevoel dat directeur Daerthuizen hem had belogen en hem opzettelijk valse informaties had verstrekt… hij besefte tegelijkertijd dat hij geen mogelijkheden had om die leugens te ontzenuwen. Hij kon moeilijk de hele administratie van de bank overhoop halen. Daar had hij ook de bevoegdheid niet toe. Hij piekerde zich suf over het hoe en waarom en moest pijnlijk bekennen dat al zijn hersenwerk geen vruchten afwierp.
Vledder toonde zich opgewekter. De jonge rechercheur leek van blijdere gevoelens bezield. Het bezoek aan de bank had hem niet gedeprimeerd. Integendeel. Hij wekte de indruk dat de uitspraken van de directeur hem hadden opgelucht.
Ze sloften naar hun Volkswagen. Toen ze waren ingestapt, bleek dat het verkeer op de gracht zo was toegenomen, dat het niet mogelijk was om vanaf de parkeerplaats aan de wallenkant weer op de rijbaan te komen.
Nadat een aantal pogingen van Vledder alleen maar een fel afkeurend getoeter ten gevolge had, maakte De Cock met beide handen een wat vermoeide wegwerpbeweging. ‘Laten we maar blijven staan,’ sprak hij triest.
Vledder reageerde verwonderd. ‘Wil je hier overnachten?’
Het gegroefde gelaat van de grijze speurder kreeg een expressie van intense droefheid.
‘Ik geloof dat we beter niets meer kunnen doen,’ sprak hij somber. ‘Gewoon ophouden… stoppen. Ik heb het gevoel dat elke stap die wij tot nu toe in deze zaak hebben ondernomen, verkeerd heeft uitgepakt.’
Vledder keek hem van terzijde aan.
‘Dat is onzin. En dat weet je zelf ook.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Omdat die directeur Daerthuizen nu zegt dat Casper van Hoogwoud nooit een rekening bij de IJsselsteinse bank heeft gehad?’ Het klonk misprijzend. ‘Dat bewijst alleen dat die jongen liegt. Kijk… Casper van Hoogwoud kan de ware herkomst van die honderdduizend gulden niet prijsgeven zonder zichzelf te belasten. Daarom verzint hij steeds wat nieuws. Eerst had hij die ton met gokken verdiend… daarna had een onbekende weldoener dat vele geld uit pure vriendelijkheid op zijn rekening gestort.’ Hij grinnikte. ‘Leugens… allemaal leugens.’
De Cock trok een bedenkelijk gezicht.
‘Ik weet het niet,’ sprak hij weifelend. ‘Er zit meer aan dat geld vast. Ergens loopt een voor ons nog onzichtbare draad.’ Hij zweeg even, kauwde nadenkend op zijn onderlip. ‘Waarom memoreert mevrouw Van Abbenes, van de ongetwijfeld honderden affaires die haar man in de loop der jaren heeft behandeld, juist de zaak Casper van Hoogwoud? En waarom beweert directeur Daerthuizen zo nadrukkelijk en met volle overtuiging, dat er geen zaak Casper van Hoogwoud bestaat?’
Vledder reageerde niet op de vragen. De jonge rechercheur trok met een droevig gezicht zijn wenkbrauwen op.
‘Heb je moeie voeten?’ vroeg hij plotseling met iets van angst in zijn stem.
De Cock lachte bevrijd. Hij begreep de opmerking van zijn jonge collega deksels goed. Wanneer hij volkomen vast raakte, het niet meer wist, wanneer hij tijdens een onderzoek het verlammende gevoel had steeds verder van de oplossing weg te drijven, gaven zijn voeten pijnlijk acte de présence en leek het of helse duiveltjes met satanisch plezier duizenden spelden in de bollen van zijn kuiten dreven. Nog luid lachend schudde hij zijn hoofd.
‘Voorlopig voel ik nog niets. Geen protesten van beneden. Maar als er niet snel een paar veranderingen komen en ons…’ Hij kreeg geen gelegenheid om zijn zin af te maken. Vledder had een klein gaatje in de verkeersstroom ontdekt en reed wild schokkend achteruit. Toen hij zijn manoeuvre zonder blikschade had voltooid, blikte hij glimlachend opzij. ‘Ik heb een glanzend idee,’ sprak hij juichend.
‘Nou?’
Vledder boog zich iets over zijn stuur.
‘We gaan naar Smalle Lowietje. Ik heb de absolute zekerheid dat in deze misère jouw stroeve keel dorst naar het fluweel van een cognackie.’
Over het gezicht van De Cock gleed een zoete grijns.
‘Dick,’ sprak hij plechtig, ‘er is een profeet aan jou verloren gegaan.’
Met de grijns nog op zijn gezicht liet hij zich onderuitzakken. In zijn hart stroomden weer hoopvolle gedachten.
In het schemerig intiem lokaaltje op de hoek van de Oude Barndesteeg en de Achterburgwal, door eigenaar Lowietje trots zijn etablissement genoemd, hees De Cock zijn zware bovenlijf op een barkruk en keek rond. Vanaf zijn vertrouwde plek aan het uiteinde van de bar had hij een goed zicht over de aanwezigen. Het was nog vrij stil. Ter begroeting zwaaide hij joviaal naar een paar lijvige, bedaagde hoertjes, die aan een tafeltje bij het raam voorzichtig nipten aan een zoet likeurtje.
Hij legde zijn oude hoedje op zijn knie en leunde behaaglijk met zijn rug tegen de muur. Hij zat graag zo aan de bar. Als zijn werk in de misdaad het even toeliet, wipte hij met Vledder het politiebureau uit. Samen slenterden zij dan op hun gemak langs de rode lichtjes en lichte meisjes naar het penozecafeetje aan de Wallen, waar de Cock iedereen kende. De grijze speurder genoot de reputatie in de onderwereld meer vrienden te tellen, dan daarbuiten. Hoewel hij heel goed wist dat zijn superieuren die reputatie uiterst twijfelachtig vonden, sprak De Cock het nooit tegen.
Caféhouder Lowietje, wegens zijn tengere gestalte en geringe borstomvang meestal Smalle Lowietje genoemd, streek met zijn handen langs zijn morsige vest en liep vrolijk op de grijze speurder toe. Zijn vriendelijke muizensmoeltje glom van genegenheid.
‘Het oude recept?’
Zonder op antwoord te wachten dook Lowietje aalglad onder de bar en kwam weer boven met een fles fijne cognac Napoleon, die de tengere caféhouder speciaal voor De Cock in voorraad hield. Klokkend schonk hij in.
‘Was er zo veel werk aan de Kit?’ vroeg hij belangstellend. ‘Ik heb je een paar dagen gemist.’
De Cock grinnikte. ‘En ik mijn cognac.’ Hij nam het bolle glas op, schommelde het zachtjes in de hand en snoof. Op zijn brede gezicht verscheen een uitdrukking van opperste verrukking. Hij nam omzichtig een slokje en liet de drank genietend door zijn keel glijden.
‘Weet je, Lowie,’ sprak hij dromerig, ‘ik wist bijna niet meer hoe het smaakte.’
Smalle Lowietje lachte. ‘Je behoeft je voorlopig geen zorgen te maken. Ik heb pas weer een nieuw voorraadje voor je ingeslagen.’
De Cock knikte dankbaar. Hij zette het glas voor zich neer en boog zich iets voorover. Toen het oor van de caféhouder dichtbij was, fluisterde hij: ‘Weet jij waar Kraaitje tegenwoordig uithangt?’
Het gezicht van Smalle Lowietje betrok, kreeg een haast smartelijke uitdrukking.
‘Zoek je hem?’
De grijze speurder glimlachte.
‘Bezorgd, Lowie?’
De caféhouder haalde wat mistroostig zijn magere schoudertjes op.
‘Ach, weet je,’ sprak hij zorgelijk, ‘ik heb nu eenmaal een zwak voor Kraaitje.’
De Cock knikte instemmend.
‘Ik ook.’
‘Toch zoek je hem?’
De grijze speurder spreidde zijn handen in een verontschuldigend gebaar. ‘Wat moet ik?’ sprak hij met een zweem van wanhoop. ‘Ik kan moeilijk toestaan dat hij een advocaat de schedel inmept.’
‘Die… eh, die meester Van Abbenes… heeft hij dat gedaan?’
De Cock wreef over zijn kin.
‘Wat denk jij, Lowie?’
De caféhouder staarde enige tijd nadenkend voor zich uit. Zijn altoos vriendelijke muizensmoeltje toonde ernstige trekken.
‘Weet je, De Cock,’ begon hij aarzelend, ‘toen ik in de krant las dat ze die advocaat hadden doodgeslagen, dacht ik onmiddellijk: dat heeft Kraaitje geflikt.’ Hij klopte met zijn vuist op zijn smalle borst. ‘Maar hier vanbinnen kan ik het niet geloven.’
‘Waarom niet?’
De caféhouder reageerde wat korzelig.
‘Kraaitje heeft een machtig grote bek…. een muil als de Westerschelde.’ Hij hield zijn rechterhand omhoog, duim en wijsvinger iets uit elkaar. ‘Maar een hart uit een zakkie snoep.’
De Cock schoof zijn onderlip naar voren.
‘Vroeger mepte hij er toch ook lustig op los.’
‘Ach, branie… toen was hij nog jong.’
De Cock glimlachte.
‘Is hij na de dood van die meester Van Abbenes nog bij je in de zaak geweest?’
‘Nee.’
‘Wat van hem gehoord?’
‘Nee.’
‘Op de vlucht?’
Smalle Lowietje schudde zijn hoofd. ‘Zo moet je dat niet zien, geloof ik.’
Hij zweeg even.
‘Kijk,’ sprak hij belerend, ‘Kraaitje heeft zo vaak verkondigd dat hij die advocaat zijn hersens zou inslaan, dat iedere penozejongen denkt dat hij het ook werkelijk heeft gedaan. Snap je? Dat begrijpt Kraaitje drommels goed.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Waarom had hij zo’n pest aan die advocaat?’
De caféhouder antwoordde niet direct. Hij schonk zichzelf en de beide rechercheurs nog eens in en nam een slok van zijn cognac.
‘Kraaitje…’ begon hij toen voorzichtig, ‘Kraaitje heeft het moeilijk. Een jaar of tien geleden is hij hier uit de buurt vertrokken. Hij vond dat hij met zijn reputatie van doldrieste nar, die door eenieder kon worden opgewarmd, hier in Amsterdam geen echte toekomst had. Daarom ging hij weg.’
‘Ik was hem ook totaal uit het oog verloren.’
Smalle Lowietje knikte.
‘Zijn oude moeder woont hier nog in de buurt. Die komt zo af en toe nog wel eens een neut bij mij halen. Zodoende blijf ik op de hoogte. Kraaitje ging naar Utrecht. Met wat geld van een oom begon hij daar een zaak in rijwielen en bromfietsen. Daar had hij wat verstand van. En het liep lekker. Kraaitje kon algauw zijn zaak uitbreiden en verdiende aardig wat kluiten.’ De caféhouder zette zijn glas neer. Zijn gezicht betrok. ‘Twee jaar geleden ontmoette hij dat wijf.’
‘Wat voor een wijf?’
Smalle Lowietje grinnikte. ‘Sophie heet ze.’ Zijn gezicht klaarde op. ‘Een kanjer… echt. Misschien niet helemaal zuiver op de graat, maar om te zien een moordwijf met alles d’r-op en d’ran. En Kraaitje was verkocht. Onmiddellijk. Binnen een maand waren ze getrouwd. Toen begon de ellende.’
De Smalle haalde achteloos zijn schouders op. ‘Niet direct… maar toch al gauw. Ze belazerde Kraaitje bij het leven. In het begin wilde de jongen er niets van horen. Hij noemde het gezwam van mensen die jaloers waren op zijn geluk. Tot hij haar thuis in bed betrapte met een andere kerel. Hij smeet haar de straat op en stapte naar een advocaat.’
‘Meester Van Abbenes.’
‘Ja.’
‘Om echtscheiding aan te vragen?’
Smalle Lowietje knikte traag.
‘Precies… en dat heeft hij geweten.’ Hij spreidde zijn beide handen. ‘Wat dat wijf met die advocaat heeft gedaan, weet ik niet. Het gaat mij in feite ook niet aan, maar ze zal haar fraaie lijf wel in de strijd hebben geworpen. Hoe dan ook… wat er uiteindelijk uit de bus kwam, was voor Kraaitje zo verschrikkelijk, dat hij alles waarvoor hij jaren had geploeterd, in één klap kwijt was.’
‘Zo erg?’
‘Beslist,’ knikte Lowietje overtuigend. ‘Die jongen zit compleet aan de grond. Hij kan zijn zaak in Utrecht wel verkopen.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Van der Kraay hoefde toch niet onmiddellijk met die echtscheidingsvoorwaarden akkoord te gaan? Er waren toch nog wel rechtsmiddelen?’
De caféhouder gebaarde wat triest voor zich uit. ‘Wat weet zo’n jongen van rechtsmiddelen? Ze hadden hem die meester Van Abbenes aangeprezen als een bijzonder handige advocaat… specialist in echtscheidingen.’ Hij zuchtte. ‘Daar komt nog bij dat Kraaitje in zijn onnozelheid meende dat hij volkomen in zijn recht stond. Hem kon niets gebeuren. Zíj had toch overspel gepleegd, hij niet.’
De Cock luisterde en plukte aan zijn neus.
‘Het ellendige is nog dat Fransie van der Kraay zijn stomme bedreigingen ook in het kantoor van die advocaat Van Abbenes heeft uitgesproken. Nog wel in het bijzijn van getuigen.’
Smalle Lowietje kneep zijn ogen even dicht.
‘Kloothommel.’ Het kwam uit de grond van zijn hart.
De Cock pakte zijn glas op en nam een slok. Hij zette het glas direct weer neer. De cognac smaakte hem niet. Hij keek Lowietje wat droevig aan.
‘Zou Kraaitje het echt gedaan hebben?’
De Smalle reageerde verwonderd.
‘Ben ik rechercheur… of jij?’
De grijze speurder liet zich zwijgend van zijn kruk glijden en zette zijn hoedje achter op zijn hoofd.
Smalle Lowietje wees naar het restje cognac dat nog in zijn glas was achtergebleven.
‘Moet je niet meer?’
‘Nee.’
De tengere caféhouder keek De Cock enige ogenblikken onderzoekend aan. ‘Ik begrijp het,’ sprak hij meelevend. Hij pakte het glas weg. ‘Ik vind het ook verschrikkelijk. Vooral voor die Martha.’
‘Wie is Martha?’
Smalle Lowietje glimlachte vertederd.
‘Een lief ding. Een jaar of dertig. Een beetje stijfjes. Kraaitje is een keer met haar bij mij in de zaak geweest. Sinds Sophie bij hem weg is, scharrelt hij er zo’n beetje mee.’ Hij schudde grijnzend zijn hoofd. ‘Je zou zeggen, niets voor Kraaitje, maar hij schijnt gek op haar te zijn. Ze is zo’n zedig typetje… zo’n vrouwtje van de zwarte kousenkerk… praat alleen maar over God, liefde en eeuwige gerechtigheid.’
De Cock keek met grote ogen naar hem op.
‘Gerechtigheid.’ Hij proefde het woord op zijn tong.