Het bericht had De Cock diep geschokt. Het duurde even voor hij zijn bezinning terug had. Hij besefte dat hij in het bijzijn van Van der Kraay over de mededeling geen discussie kon voeren. Vertrouwelijk legde hij zijn hand op de schouder van de man.
‘Het spijt me, Kraaitje,’ sprak hij vriendelijk, ‘maar ik kan je nog niet laten gaan. Daarvoor weet ik nog te weinig.’ Hij trok zijn gezicht in een ernstige plooi. ‘Maar ik beloof je op mijn woord, dat ik je geen minuut te lang laat zitten.’
Van der Kraay slikte. Er kwamen tranen in zijn ogen.
‘Ik heb het niet gedaan,’ sprak hij hees.
De Cock klemde zijn hand om de schouder van de man. ‘Je hebt jezelf aardig in de nesten gewerkt. Daar pluk je nu de wrange vruchten van.’
Van der Kraay knikte. ‘Weet je wat mijn fout is, De Cock, ik klets te veel.’
De grijze speurder nam zijn hand terug en stond op. ‘Sterkte, Kraaitje,’ sprak hij zacht. Hij wenkte Vledder. ‘Laat Frans beneden aan de balie inschrijven en kom daarna direct naar boven.’
Met diep gebogen hoofd sjokte Van der Kraay de grote recherchekamer uit. Vledder volgde hem op de voet.
De Cock keek het tweetal na. Daarna gleed zijn blik omhoog naar de klok. Het was bijna twee uur in de nacht. Hij overdacht dat het tijdstip overeenkwam met de moord op meester Van Abbenes. Hij pakte een telefoonboek van zijn bureau en zocht nog toen Vledder terugkwam. De jonge rechercheur leek wat aangeslagen. Zijn gezicht stond somber.
‘Ik heb Franciscus van der Kraay beneden toch maar ter zake van moord laten inschrijven,’ sprak hij wat timide. ‘Hoewel… eh, hoewel ik nu toch ernstig begin te twijfelen.’
De Cock keek verbaasd naar hem op.
‘En je was zo overtuigd?’
Vledder zuchtte.
‘Ik vond hem zo’n ideale verdachte.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik niet… en feitelijk heb ik nooit in zijn schuld geloofd.’
Vledder keek naar hem op.
‘Je arresteerde hem… je deed zelfs het verhoor.’
De Cock knikte. ‘De jaren hebben mij voorzichtig gemaakt. Gevoelens en feiten lopen vaak dwars door elkaar heen. Bovendien was een arrestatie de enige mogelijkheid om jou te overtuigen.’
Vledder trok een droevig gezicht.
‘Ik ben vaak te gretig… te impulsief. Ik besefte dat zojuist, toen ik na het inschrijven van Van der Kraay de trap op liep.’
De Cock grijnsde.
‘Verbeter de wereld en begin bij jezelf.’
‘Een kreet van je oude moeder?’
De grijze speurder schudde zijn hoofd.
‘Van BZN… De Bond Zonder Naam.’ De uitdrukking op zijn brede gezicht veranderde, werd strakker. ‘Komt de commissaris hierheen?’
Vledder maakte een vaag gebaartje.
‘Ik denk het wel, maar hij heeft het niet met zoveel woorden gezegd. Buitendam leek wat in de war. Geschrokken. Hij zei alleen dat die vrouw weer had gebeld en wat ze had gezegd.’
‘Daerthuizen is dood,’ herhaalde De Cock, ‘niet wegens uwe gerechtigheid… maar de mijne.’
‘Ja.’
‘Meer niet?’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Meer heeft de commissaris mij niet gezegd. Ik denk ook dat hij niet meer weet.’
De Cock kauwde op zijn onderlip.
‘Er is namelijk een belangrijk verschil met de vorige keer,’ sprak hij nadenkend. ‘Toen hadden we een dode Van Abbenes in een portiek en pas later volgde die vreemde mededeling.’
Vledder fronste zijn wenkbrauwen.
‘Je hebt gelijk… het is nu andersom. We zullen moeten zoeken. Als de mededeling van de vrouw klopt, dan ligt er ergens een vermoorde heer Daerthuizen.’
De Cock knikte.
‘Waar?’
Vledder stak het sleuteltje in het contactslot.
‘Waar wil je heen?’
‘Amstelveen… Keizer Karelweg 1721.’
De jonge rechercheur startte de motor en reed van de steiger achter het bureau weg.
‘Wie woont daar?’
‘Tijdens zijn leven… de heer Daerthuizen. Ik kon zijn naam in het telefoonboek van Amsterdam niet vinden. Gelukkig stond bij IJsselsteinse Bank zijn privéadres in Amstelveen.’
Vledder draaide de Volkswagen het Damrak op.
‘Had je niet beter naar Amstelveen kunnen bellen? Dat kost minder tijd.’
De Cock staarde even voor zich uit.
‘Ik zie de mensen met wie ik spreek graag in de ogen.’ Hij draaide zich half om. ‘En wat zou ik tegen mevrouw Daerthuizen moeten zeggen als ze de telefoon opnam? We hebben gehoord dat uw man is vermoord… kunt u ons even zeggen waar hij ligt?’
Vledder keek hem van terzijde aan.
‘Die moeilijkheid krijg je straks ook.’
De Cock maakte een hulpeloos gebaar.
‘Ik heb geen professionele aanpak, zoals dominees en priesters.
Ik vertrouw op mijn intuïtie.’
Vledder knikte begrijpend.
‘En als het een grap is?’
‘Wat?’
‘De mededeling van die vrouw?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Het is geen grap,’ sprak hij ernstig. ‘Dat was het niet bij de moord op meester Van Abbenes en dat is het ook nu niet. Daarvoor is de tekst te specifiek… te gericht. De vraag, die mij sterk bezighoudt, is: Wat zijn haar maatstaven, waar gaat ze van uit, met andere woorden… welke gerechtigheid bedoelt ze?’
‘Haar eigen gerechtigheid,’ reageerde Vledder fel. ‘Dat zegt ze toch? De vrouw is met het soort gerechtigheid dat wij bedrijven, blijkbaar niet tevreden.’
De Cock krabde zich peinzend achter in zijn nek. ‘Wie wel?’ Het klonk wat somber.
Een tijdlang reden ze zwijgend voort. Er was weinig verkeer op de weg. Slechts enkele snorders en taxi’s kruisten hun pad. Via de Overtoom, links langs het Olympisch Stadion, bereikten ze Amstelveen en de brede, imposante Keizer Karelweg.
Enige huizen voor nummer 1721 zette Vledder de Volkswagen in een parkeerinham. Toen hij de sleutel uit het contact trok, keek hij op. ‘Dat telefoontje aan de commissaris heeft ons in een bijna onmogelijke situatie gebracht.’
‘Hoezo?’
De jonge rechercheur deed het portier aan zijn kant open.
‘We weten dat er een moord is gepleegd, we kennen de naam van het slachtoffer, maar we kunnen niets bewijzen. Het kan lang duren voordat het lijk van de heer Daerthuizen boven water komt.’
‘Bedoel je dat figuurlijk, of denk je dat hij in een gracht is geduwd?’
‘Ze kan hem ook hebben begraven.’
De Cock keek naar hem op.
‘Je zei zé?’
Vledder knikte nadrukkelijk.
‘Natuurlijk een zé.’ Het klonk wat geagiteerd. ‘Het was toch een vrouw, die belde.’
Mevrouw Daerthuizen keek de beide mannen voor haar verwonderd aan en schikte iets aan haar roze peignoir.
‘Recherche… uit Amsterdam… zo laat nog?’
De Cock toonde zijn beminnelijkste glimlach. ‘Ik begrijp uw verbazing. Wij hadden u… op dit onchristelijke uur… ook in bed verwacht.’
Mevrouw Daerthuizen negeerde de opmerking. Ze wees uitnodigend naar een paar zware lederen fauteuils rond een fraai gemetselde schouw. ‘Neemt u plaats,’ sprak ze niet onvriendelijk. ‘Waarmee kan ik de heren van dienst zijn?’
De Cock legde zijn hoedje naast zich op het tapijt.
‘Mijn collega en ik,’ begon hij voorzichtig, ‘zijn belast met het onderzoek naar de moord op meester Van Abbenes. Hoewel wij reeds enige dagen, ik mag zeggen, intensief bezig zijn, tasten wij nog volkomen in het duister. We hebben begrepen dat uw man met de heer Van Abbenes bevriend was. Een gesprek met hem zou mogelijk verhelderend kunnen werken.’
Mevrouw Daerthuizen leunde met haar rug tegen de eiken omlijsting van de schouw. Met haar lichtgroene ogen keek ze de grijze speurder onderzoekend aan.
‘U wilt mijn man spreken?’
‘Inderdaad.’
Haar ogen vernauwden en met een blik van wantrouwen keek ze De Cock aan. ‘U hebt over dit onderwerp met mijn man toch al een gesprek gehad… op de bank?’
De Cock keek naar haar op.
‘Dat heeft uw man u verteld?’
‘Zeker.’
De Cock pauzeerde even en wreef over zijn brede kin. ‘Dat… eh, dat gesprek,’ sprak hij aarzelend, ‘was, zo vonden wij, wat teleurstellend. We hadden de indruk dat uw man die middag erg terughoudend was… niet geheel openhartig.’
Mevrouw Daerthuizen gebaarde achteloos. ‘Daarvoor zal hij zijn reden hebben gehad.’
De Cock knikte met een grijns.
‘Die reden wilden wij graag leren kennen.’
Mevrouw Daerthuizen reageerde niet direct. Vanaf haar plaats aan de schouw schreed ze bevallig naar de fauteuil tegenover De Cock en ging zitten.
De grijze speurder volgde de soepele, lenige bewegingen van haar lichaam. In haar nauwsluitende roze peignoir kwamen haar fraaie lijnen goed tot hun recht. Ze was knap, stelde hij emotieloos vast; van een haast dierlijke schoonheid. Ongetwijfeld was ze tientallen jaren jonger dan haar man, de bankdirecteur.
Ze sloeg haar slanke benen over elkaar.
‘Ik heb het gevoel,’ sprak ze toen bedachtzaam, ‘dat u ook niet geheel openhartig bent.’
‘In welke opzicht?’
Mevrouw Daerthuizen boog zich iets naar voren. Met haar lichtgroene ogen hield ze hem gevangen in haar blik.
‘Rechercheur De Cock… waar is mijn man?’
De oude rechercheur gebaarde verontschuldigend.
‘Wij… eh, wij,’ reageerde hij onzeker, ‘dachten hem hier te vinden.’
De zachte uitdrukking op het gezicht van mevrouw Daerthuizen verhardde. Ze stak haar kin iets omhoog.
‘U weet heel goed dat hij niet hier is.’
De Cock strekte zijn rechterhand langzaam in haar richting.
‘Mevrouw Daerthuizen… waar is hij dan?’
De jonge vrouw liet haar hoofd iets zakken. Het leek alsof ze iets van haar strijdvaardigheid had verloren.
‘Ik weet het niet,’ sprak ze zacht fluisterend. ‘Echt, ik weet het niet. Ik ben alleen bang.’
‘Waarvoor?’
‘Dat hem iets is overkomen.’
De Cock hield zijn hoofd iets schuin.
‘Hebt u een reden voor die angst?’
Mevrouw Daerthuizen keek naar hem op.
‘Zo ongeveer een uur geleden, kreeg mijn man een telefoontje. Ik lag al in bed. Hij kwam de slaapkamer binnen en zei: “Ik moet nog even weg.”’
‘Hij zei niet waarheen?’
Ze schudde haar hoofd. ‘Hij zei alleen: “Blijf maar niet op mij wachten. Ik weet niet hoe lang het duurt.”’
De Cock wreef met zijn vlakke hand over zijn gezicht. Hij voelde dat het gesprek op een cruciaal punt was gekomen. Een verder ontwijken had geen zin.
‘Ik ben bang,’ sprak hij zacht en met omfloerste stem, ‘dat het inderdaad lang gaat duren… te lang… voor hij terugkomt.’
‘Ik… eh, ik begrijp u niet.’
De Cock sloot even zijn ogen.
‘Wij hebben gegronde redenen om aan te nemen, dat uw man het slachtoffer is geworden van een moordaanslag.’
Mevrouw Daerthuizen keek hem geschokt aan. Haar ogen werden groot en angstig.
‘Moordaanslag?’ lispelde ze.
De Cock knikte bevestigend. ‘Iemand… een onbekende… belde vannacht onze commissaris met de mededeling dat uw man was overleden. Wij nemen die mededeling ernstig. Hoogst ernstig. Eenzelfde mededeling ontvingen wij na de dood van meester Van Abbenes… een vriend van uw man.’
Mevrouw Daerthuizen slikte.
‘U denkt dat er een… eh, een verband bestaat?’
De Cock wuifde wat vaag voor zich uit.
‘We sluiten die mogelijkheid niet uit.’
Mevrouw Daerthuizen kwam uit haar fauteuil overeind. Met haar hoofd iets voorover liep ze handenwringend heen en weer. ‘Een verband,’ herhaalde ze, ‘een verband.’ In haar stem trilde wanhoop. ‘Wat voor een verband?’
De Cock trok zijn schouders op.
‘Misschien waren ze beiden bij iets betrokken?’
Plotseling bleef mevrouw Daerthuizen staan. Haar mond zakte open. Verschrikt richtte ze haar blik op De Cock.
‘Die jongen.’
‘Welke jongen?’
‘Die de bank van mijn man had opgelicht.’
De Cock keek haar vragend aan.
‘U… eh, u bedoelt Casper van Hoogwoud?’
Mevrouw Daerthuizen knikte heftig.
‘Casper van Hoogwoud… ja… mijn man was bang dat die jongen opnieuw zou proberen de bank te benadelen… daarom had hij Van Abbenes ingeschakeld.’
De grijze speurder knikte begrijpend. Hij nam zijn hoedje van het tapijt en stond op. ‘Wij houden u uiteraard op de hoogte,’ sprak hij meelevend. ‘Zo gauw we iets weten, krijgt u van ons bericht.’
De beide rechercheurs liepen naar de hal. Voordat De Cock het huis verliet, draaide hij zich om.
‘Mevrouw Daerthuizen… speelt u golf?’