Vledder reed te fel van de trottoirrand weg. De motor van de oude Volkswagen kreunde onder luid protest.
De Cock keek om naar de deur van nummer 876. Hij was er stellig van overtuigd dat hij die deur aan de Weteringschans nog eens zou terugzien en dat dit niet het laatste bezoek was dat hij aan het pand bracht.
Het onderhoud met de jonge Casper van Hoogwoud had hem niet bevredigd. Integendeel, het bezorgde hem een katterig gevoel van teleurstelling en onbehagen. Er was duidelijk iets mis met die jongen. Iemand stort niet zomaar een bedrag van honderdduizend gulden op een bankrekening van een achttienjarige knaap. Dat stonk. Hij schoof zijn oude vilten hoedje naar voren en zakte wat onderuit. Casper was sterk, toonde een grote geestelijke weerbaarheid. Zelfs een rechtstreekse beschuldiging van de moord op meester Van Abbenes had hij glansrijk doorstaan. Opmerkelijk voor een jongen van zijn leeftijd.
De grijze speurder krabde zich achter in zijn nek. Er moest toch een mogelijkheid zijn om door dat pantser heen te breken en een bres te slaan in dat bastion van…
Vledder onderbrak zijn overpeinzingen. ‘Ik heb dokter Rusteloos toch maar niets over aids gevraagd,’ sprak hij verontschuldigend.
‘Waarom niet?’
De jonge rechercheur schudde zijn hoofd.
‘Het was gewoon niet te doen. De man is zo doof… er is bijna geen conversatie met hem te voeren.’
De Cock knikte begrijpend. ‘Wat zei hij over de wond?’
‘Absoluut dodelijk.’
‘En het wapen?’
Vledder zuchtte.
‘Dat was nogal moeilijk. De dokter zei mij dat hij een wond van die vorm en afmeting in zijn lange praktijk van gerechtskundig patholoog-anatoom nog nooit had gezien. De wond had niet, zoals bij dergelijke schedelletsels gebruikelijk, de vorm van een hamer, een bijl, een knuppel of een steel van een breekijzer.’
De oude rechercheur kwam geïnteresseerd omhoog en schoof zijn hoedje terug.
‘Van wat dan wel?’
Vledder strekte zijn rechterhand en tekende met zijn wijsvinger op de voorruit. ‘Het is een soort delta met een afgeplatte punt. Misschien kun je de vorm van de wond het beste vergelijken met een walvis zonder staart. De rugkromming, bedoel ik.’
‘Vreemd.’
‘Dat vond dokter Rusteloos ook. Ik heb er voor alle zekerheid maar een paar foto’s van laten maken. Bram van Wielingen heeft mij beloofd dat hij ze vandaag nog zou opsturen.’
De Cock knikte goedkeurend.
‘Had Van Abbenes een gewone schedel?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Geen bijzonder dunne… een zogenaamde eierschedel?’
Vledder schudde zijn hoofd. ‘Het bot was van normale dikte, wel enkele millimeters. De klap achter op het hoofd — met wat voor wapen dan ook — moet met flinke kracht zijn toegebracht.’
De Cock kauwde nadenkend op zijn onderlip.
‘Verder nog bijzonderheden?’
De jonge rechercheur tastte in de rechter buitenzak van zijn colbert en nam daaruit een in vloeipapier verpakte gouden ketting met hanger. Hij reikte hem De Cock aan. ‘Toen we hem uitkleedden, vonden we dit nog om zijn hals.’
De grijze speurder vouwde het vloeipapier open en bekeek het sieraad aandachtig.
‘Het lijkt wel een stiertje.’
‘Dat is het ook… een symbool van een sterrenbeeld. Van Abbenes is niet de enige. Er zijn meer mensen die een dergelijk hangertje om hun hals dragen,’ antwoordde Vledder.
De Cock nam het sieraad uit het vloeipapier en hield het in de palm van zijn hand. Het stiertje was fraai gemodelleerd, met aandacht voor elk detail. Hij woog het in zijn hand. Het was vrij zwaar en beslist kostbaar.
De oude rechercheur keek naar Vledder. ‘Iedereen draagt toch zijn eigen sterrenbeeld?’
Vledder glimlachte.
‘Dat is wel gebruikelijk.’
De Cock deed de ketting met het beeldje terug in het vloeipapier en legde het Vledder in de hand.
‘Het klopt niet.’
‘Wat niet?’
‘Dat sterrenbeeld. Van Abbenes werd op 3 januari geboren. Hij was geen Stier… maar een Steenbok.’
Vledder parkeerde de oude Volkswagen op de steiger achter het politiebureau. De beide rechercheurs stapten uit en wandelden via de Oudebrugsteeg naar de Warmoesstraat. Het werd alweer druk in de Lange Niezel. De Cock groette in het passeren een fleurig hoertje. Vledder haalde het propje vloeipapier uit zijn zak.
‘Wat doen we met dat sterrenbeeld?’
‘Bewaren. We hebben nog meer sieraden van de advocaat… een mooie aanleiding om mevrouw Van Abbenes nog eens met een bezoek te vereren.’
Toen ze de hal van het bureau binnenstapten, riep Jan Kusters hen vanachter de balie. Hij pakte een vel papier uit zijn dienstboek en gaf het aan De Cock.
‘Het rapport van Brandsma.’
De Cock keek hem niet-begrijpend aan.
‘Wie is Brandsma?’
‘De jonge diender aan wie jij vannacht vroeg om in de omgeving van de peedee[1] te zoeken naar auto’s waarvan de motorkap nog warm aanvoelde.’
De blik van De Cock verhelderde.
‘En?’
Jan Kusters gebaarde naar het rapport.
‘Lees maar. Er was in de buurt maar één wagen met een warme motorkap… een lichtgrijze Mercedes. Brandsma heeft het kenteken voor je opgevraagd. De Mercedes staat op naam van dokter D.E.L. Hardinxveld.’
De Cock was verrast en trok zijn neus iets op. ‘Hardinxveld?’ herhaalde hij.
Jan Kusters knikte.
‘Chirurg in het Mattheus Ziekenhuis.’
De Cock liet zich in zijn stoel achter zijn bureau zakken. Zijn gezicht stond ernstig. Hij trok een lade open en legde het rapport van agent Brandsma op een stapel oude processen-verbaal. ‘Een keurig rapport,’ mompelde hij goedkeurend.
Vledder schoof een stoel bij en ging er achterstevoren op zitten. ‘Dat kan toch?’
De Cock keek verstoord op. ‘Wat?’
‘Dat meester Van Abbenes vannacht in de Mercedes van Hardinxveld reed. Je hebt het zelf van zijn vrouw gehoord… de chirurg was zijn vriend.’
‘Ik mag aannemen,’ knorde De Cock, ‘dat Van Abbenes zelf ook een wagen heeft.’
Vledder grinnikte.
‘Die staat ergens defect in een garage.’
De Cock schudde geprikkeld zijn hoofd.
‘Dergelijke mensen krijgen van hun garage dan onmiddellijk een reservewagen mee. In de regel zijn ze daarvoor zelfs verzekerd.’
Vledder keek hem schuins aan.
‘Je hecht er wel enige betekenis aan?’ vroeg hij licht verwonderd. De Cock knikte traag.
‘Van Hardinxveld,’ sprak hij grimmig, ‘zal met een redelijke verklaring moeten komen.’
Er werd op de deur van de recherchekamer geklopt. Nadat Vledder luid ‘Binnen!’ had geroepen, verscheen er in de deuropening een man. De Cock schatte hem op voor in de vijftig. Hij droeg een slobberig grijs kostuum, waarvan de beide ellebogen glommen van slijtage.
De man stapte naar de oude rechercheur.
‘U bent De Cock?’
De grijze speurder keek omhoog en knikte. ‘Met ceeooceekaa,’ reageerde hij.
De man trok zijn mond strak. ‘Ik had u al op kantoor verwacht.’ Het klonk als een terechtwijzing.
De Cock kneep zijn wenkbrauwen samen. ‘Welk kantoor?’
De man wees achter zich.
‘Ons kantoor, natuurlijk. Mijn naam is Van Dungen… Charles van Dungen. Ik ben bediende, of beter gezegd, de rechterhand van de heer Van Abbenes.’ Hij keek De Cock droevig aan. ‘Na het verschrikkelijke gebeuren van vannacht… heb ik de gehele morgen op uw komst zitten wachten.’
Vledder stond van zijn stoel op, draaide die om en bood hem de man beleefd aan. Charles van Dungen schoof de stoel iets dichter naar De Cock en ging zitten. Zijn gezicht, met een gele, bijna zeemleren huid, stond gespannen.
‘Ik… eh, ik kan u wellicht waardevolle aanwijzingen geven,’ ging hij nerveus verder. ‘Ik genoot al vele jaren het volle vertrouwen van de heer Van Abbenes en was op de hoogte van alle zaken die hij in behandeling had.’
De Cock boog zich naar hem toe. ‘Ook die zaken,’ vroeg hij met een lichte grijns, ‘die het daglicht niet kunnen verdragen?’
Charles van Dungen toonde pure verontwaardiging.
‘Een dergelijke opmerking bevalt mij niet, rechercheur,’ sprak hij streng en bestraffend. ‘In het geheel niet. U moet één ding duidelijk voor ogen houden… de heer Van Abbenes was geen advocaat van kwade zaken. Met affaires die het daglicht niet kunnen verdragen, zou hij zich nooit hebben ingelaten. De heer Van Abbenes was een integer mens.’
De Cock schonk de man een beminnelijke glimlach.
‘Ik waardeer het dat u zo reageert,’ sprak hij zoet vleiend. ‘Ik proef uit uw woorden dat u zeer aan uw werkgever was gehecht.’
Charles van Dungen knikte instemmend.
‘Absoluut. En daar had ik alle reden toe. Ik heb bijna twintig jaar uiterst plezierig bij hem gewerkt.’ Hij zweeg even en staarde nadenkend voor zich uit. ‘Zijn plotseling verscheiden maakt mijn toekomst wat onzeker. Hoewel ik aanneem dat zijn opvolger mij wel in dienst zal houden.’ Hij tikte met zijn wijsvinger tegen de zijkant van zijn hoofd. ‘Daar zit veel praktische kennis.’
‘Is zijn opvolger al bekend?’
‘Nee.’
‘Had de heer Van Abbenes geen compagnon?’
Charles van Dungen schudde zijn hoofd.
‘De heer Van Abbenes was een pure individualist… een man die heel moeilijk kon delegeren.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Had u daar persoonlijk moeite mee?’
‘Soms. Ik wilde hem graag zo veel mogelijk werk uit handen nemen, maar dat liet hij niet altijd toe.’
‘Kent u mevrouw Van Abbenes?’
Het gezicht van Charles van Dungen betrok.
‘Het huwelijksleven van de heer Van Abbenes was niet bijster gelukkig,’ sprak hij droevig. ‘Ik bedoel, het huwelijk heeft hem niet het geluk gebracht, dat men van een dergelijke verbintenis mag verwachten.’
De Cock glimlachte om de formulering.
‘Zocht hij nooit naar een compensatie?’
Charles van Dungen keek hem wat verward aan.
‘Voor… eh, voor dat… eh, minder gelukkige huwelijk?’ vroeg hij onzeker.
‘Precies… vrienden, andere vrouwen?’
Charles van Dungen tastte aarzelend naar zijn voorhoofd. De vraag bracht hem zichtbaar in verlegenheid. ‘De heer Van Abbenes,’ zei hij voorzichtig, ‘vertoefde veel in het clubhuis.’
‘Clubhuis… welk clubhuis?’
‘Van de golfclub… Amstelland. Als ik hem dringend nodig had, kon ik hem daar veelal bereiken. Daar trof hij ook zijn vrienden.’
‘Dokter Hardinxveld?’
Charles van Dungen knikte bedaard.
‘Die heb ik wel eens op kantoor ontmoet… Douwe Hardinxveld… chirurg aan het Mattheus Ziekenhuis.’
‘Kent u nog andere vrienden… vriendinnen?’
Charles van Dungen trok zijn schouders op.
‘Van vriendinnen weet ik niets,’ zei hij knorrig. ‘Op de golfclub ontmoette hij buiten dokter Hardinxveld ook wel andere vrienden. Die ken ik echter niet. De heer Van Abbenes hield zijn privéleven zo veel als doenlijk buiten zijn werksfeer.’
De Cock plooide rimpels in zijn voorhoofd.
‘Hebt u echt nooit iets gemerkt van relaties met vrouwen?’ vroeg hij met een zweem van ongeloof. ‘De heer Van Abbenes was een niet onknappe, uiterst gefortuneerde man, die van zijn wettige echtgenote weinig tederheid ontving. Ik dacht toch een gewillige prooi voor…’ Hij maakte zijn zin niet af maar keek de man naast hem doordringend aan. ‘U zult op kantoor toch wel eens gesprekken met dames hebben beluisterd?’
Charles van Dungen trok zijn gezicht strak.
‘Die waren altijd van zakelijke aard.’
De Cock krabde zich achter in zijn nek en zuchtte diep. Een gevoel van medelijden bekroop hem… medelijden met zichzelf… moeizaam ploeterend aan alweer een moordzaak. Hij dreef dat verlammende gevoel uit zijn gedachten en produceerde een moede glimlach. ‘U… eh, u zei dat u mij mogelijk waardevolle aanwijzingen kon geven.’
Charles van Dungen knikte nadrukkelijk.
‘Ik weet wie de heer Van Abbenes heeft vermoord.’
De Cock schoof van schrik naar het puntje van zijn stoel.
‘Wie?’
Charles van Dungen nam met precieze bewegingen zijn agenda uit de binnenzak van zijn colbert en sloeg hem open.
‘Franciscus,’ sprak hij plechtig, ‘Franciscus van der Kraay… dossier PLX 84.’