De grijze speurder blikte nog even omhoog naar de statige residentie van de Daerthuizens. Daarna holde hij achter Vledder aan. De jonge rechercheur keek lachend om. De Cock in draf was een koddig gezicht.
Toen de dreunende voetstappen van de oude rechercheur waren verklonken, was het weer intens stil op de Keizer Karelweg. Alleen hoog in de lucht bromde een vliegtuig.
Vledder duimde over zijn schouder.
‘Kunnen we haar wel zo achterlaten?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Je weet nooit wat er kan gebeuren. Die arme vrouw heeft net het bericht gekregen dat haar man vrijwel zeker het slachtoffer is geworden van een moordaanslag.’
De Cock keek hem van terzijde aan.
‘Wat wil je dan doen? Teruggaan en bezorgd haar handje vasthouden?’
‘Ik vind dat idee zo gek nog niet,’ gniffelde Vledder handenwrijvend. ‘Ik weet niet hoe jij haar beziet, maar in mijn ogen is die mevrouw Daerthuizen een bijzonder aantrekkelijke vrouw.’
De Cock knikte.
‘Mooi… en jong.’
Vledder maakte het portier voor zijn leermeester open. Om zijn lippen danste een zoete grijns. ‘Te mooi en te jong om de rest van haar leven aan een oudere man te zijn gekluisterd.’
‘Precies.’
‘Vandaar jouw vraag of ze golf speelde?’
De Cock stapte lachend in.
‘Soms, Dick, geloof ik dat je echt iets van het leven gaat begrijpen.’
De jonge rechercheur klapte dreunend het portier dicht.
‘Barst.’ Het kwam uit de grond van zijn hart.
Ze reden uit Amstelveen weg.
Vledder keek op zijn horloge.
‘Het is al bijna halfvier. Wil je nog terug naar de Kit?’
De Cock knikte.
‘Misschien zijn er al berichten binnengekomen.’
‘Over het vinden van het lijk?’
De Cock staarde peinzend voor zich uit.
‘Volgens mij,’ sprak hij voorzichtig, ‘is het lichaam van Daerthuizen niet ergens weggewerkt of verborgen. Zie je, het ligt geenszins in de bedoeling van de moordenaar om zijn daad te verheimelijken. Daar is hij niet op uit. Integendeel. De wereld mag het best weten. Vandaar die vreemde telefoontjes.’
Vledder remde even om voorrang te verlenen aan een grote vrachtauto, die onverhoeds uit een zijstraat dook. ‘Het is toch opvallend,’ sprak hij en schakelde terug, ‘dat in ons onderzoek steeds weer de naam Casper van Hoogwoud valt. Nu spreekt mevrouw Daerthuizen weer over hem.’
De Cock grinnikte.
‘En over fraude… een fraude, waarvan haar man uitdrukkelijk beweerde dat die nooit had plaatsgevonden.’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Ik kan het bijna niet geloven… maar zou dat verhaal van Casper van Hoogwoud over de herkomst van die honderdduizend gulden toch waar zijn?’
‘Je bedoelt, dat iemand dat geld zomaar op zijn rekening bij de IJsselsteinse Bank heeft gestort?’
De jonge rechercheur knikte.
‘Ik ging er beslist van uit dat het was gelogen.’
De Cock wreef over zijn gezicht.
‘Dat geld stinkt… zonder meer. Dat praat niemand mij uit mijn hoofd.’ Hij spreidde zijn beide handen. ‘Maar ik zie daarin nog geen motief voor een moord… een dubbele moord. Het motief is geen geldelijk gewin. De drijfveren van de moordenaar liggen dieper.’
Vledder trok rimpels in zijn voorhoofd.
‘Jij spreekt voortdurend over “moordenaar”. Denk je echt dat het een man is?’
De Cock stak zijn wijsvinger omhoog.
‘Ik houd daar terdege rekening mee,’ sprak hij. ‘Ik besef uiteraard dat ook een vrouw heel goed met een ijzer 7 kan zwaaien. Maar ik wil de mogelijkheid niet uitsluiten dat een man de daad volvoert en dat een vrouw — al dan niet in zijn opdracht — nadien een intrigerende tekst uitspreekt.’
De jonge rechercheur reageerde niet onmiddellijk. De uitleg van De Cock bracht zijn denken op drift.
‘Dat betekent dan wel dat er ten minste twee mensen bij de moorden zijn betrokken.’
‘Inderdaad… ten minste twee mensen, die menen een God welgevallig werk te doen.’
Vledder trok een vies gezicht. ‘God-wel-ge-val-lig?’ herhaalde hij vragend.
De Cock drukte zich wat omhoog. ‘Denk eens goed aan de tekst van die telefoontjes. Er wordt steeds op gezinspeeld dat de moorden uit gerechtigheid zijn begaan.’
Vledder blikte met grote ogen naar hem op.
‘Je bedoelt… het waren executies?’
De grijze speurder zuchtte diep.
‘Zoiets.’
‘Heb je al iets gehoord?’
Jan Kusters schudde zijn hoofd.
‘De centrale post aan het hoofdbureau zou mij onmiddellijk berichten als er een melding binnenkwam. Ik heb mijn eigen jongens gevraagd om een paar maal langs de grachten te rijden.’
‘Waarom de grachten?’
‘Daar is die andere vent toch ook gevonden.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Is de commissaris nog gekomen?’
Jan Kusters trok een grimas.
‘Hij had zwaar de pest in dat jullie niet op hem hadden gewacht. Volgens hem had hij duidelijk gezegd dat hij zou komen.’
‘Waar is hij nu?’
De wachtcommandant wees omhoog.
‘Boven, in zijn kamer… met de officier van justitie.’
‘Meester Schaaps?’
Jan Kusters knikte. ‘Die is hier ruim een halfuur geleden binnen komen stappen.’
De Cock reageerde verwonderd.
‘Wat moet die man hier midden in de nacht?’
De wachtcommandant trok een somber gezicht.
‘Ze zijn samen bezig om Franciscus van der Kraay te verhoren.’
‘Wat?’
Jan Kusters snoof.
‘Ze denken dat Kraaitje wel weet waar hij het lijk van Daerthuizen heeft gelaten.’
Het gezicht van De Cock verstarde. Hij klemde zijn lippen op elkaar. Gewoonlijk was de grijze speurder de beminnelijkheid zelve, maar wanneer zijn superieuren zich in zijn onderzoeken mengden, bruiste de woede in zijn aderen.
Hij liep van de balie weg en stormde de trap op. Vledder rende hem na. De jonge rechercheur wilde voor alles voorkomen dat zijn oude leermeester in moeilijkheden kwam. Half op de trap greep hij hem bij zijn regenjas vast.
De Cock draaide zich om. Zijn brede gezicht was een stalen masker. Langzaam schudde hij zijn hoofd. ‘Kun je niet alleen de trap opkomen… moet ik je omhoogtrekken?’
Vledder keek hem aan en lachte toen bevrijd.
‘Ik… eh, ik dacht even dat je heel erg kwaad was.’
Zwijgend liepen ze zij aan zij de trap op. Op de tweede etage snelde De Cock naar de kamer van de commissaris. Toen hij zonder kloppen binnenstapte, had hij zich weer volkomen in bedwang. Geamuseerd keek hij naar de drie mannen in het stalen zitje bij de hoek.
Commissaris Buitendam kwam verstoord overeind.
‘Ik heb je niet horen kloppen,’ sprak hij streng.
De Cock grijnsde.
‘Dat heb ik ook niet gedaan.’
De officier van justitie schoof zijn stalen fauteuil iets terug en zwaaide in de richting van Van der Kraay.
‘Wij zijn maar vast met het onderzoek begonnen, De Cock. Het leek ons handiger,’ sprak hij fijntjes, ‘dat deze man ons even zegt waar zich het stoffelijk overschot van de heer Daerthuizen bevindt, dan dat wij in het wilde weg ergens gaan zoeken.’
De grijze speurder trok zijn wenkbrauwen op.
‘Weet deze man waar het lijk van Daerthuizen ligt?’ vroeg hij verwonderd.
Meester Schaaps knikte overtuigend.
‘Uiteraard weet deze man dat… een moordenaar weet toch waar hij zijn slachtoffer laat?’ Het klonk uiterst cynisch.
De Cock liep op Franciscus van der Kraay toe en beduidde hem om op te staan.
‘Ken je de IJsselsteinse Bank?’
Van der Kraay kwam overeind.
‘Ik weet dat er een IJsselsteinse Bank bestaat,’ sprak hij ontwijkend.
‘Ik heb er geen rekening… als je dat soms bedoelt.’
De Cock negeerde de opmerking.
‘Je bent nooit in die bank geweest?’
‘Nee.’
‘Zegt de naam Daerthuizen jou iets?’
Franciscus van der Kraay maakte een schouderbeweging. ‘Ik heb begrepen dat de man dood is.’ Hij knikte in de richting van de commissaris en de officier van justitie. ‘Die twee zeggen dat hij is vermoord.’
‘En is dat zo?’
‘Weet ik veel.’
‘Ken je de heer Daerthuizen dan niet?’
‘Welnee.’
‘En je hebt geen man van die naam vermoord?’
Van der Kraay klapte met zijn vlakke hand op zijn borst.
‘Ik?’
‘Ja.’
Van der Kraay bracht een vreugdeloos gehinnik voort. ‘Waarom zou ik een man vermoorden… die ik niet ken? Dat is toch dwaas.’
‘En zo dwaas ben je niet?’
‘Zou ik denken.’
De Cock veinsde verbazing.
‘Waarom vallen deze beide heren jou dan lastig?’
Buitendam slikte. Zijn gelaat werd rood. Nog voor Van der Kraay kon antwoorden, strekte hij zijn rechterhand in de richting van de deur.
‘Eruit.’
De Cock ging.
Toen de grijze speurder de recherchekamer binnenstapte, keek Vledder hem hoofdschuddend aan.
‘Ben je er weer uitgegooid?’
De Cock knikte met een droevig gezicht. ‘Hij kan het gewoon niet laten,’ sprak hij triest.
Vledder lachte. ‘Jij draait de zaak om. Commissaris Buitendam heeft mij nog nooit de kamer uitgestuurd. Het ligt aan jou. Jij maakt hem voortdurend razend. Wat was er nu weer?’
De Cock liet zich in de stoel achter zijn bureau zakken. ‘De officier van justitie maakte een schampere opmerking over de aanpak van een onderzoek en het vinden van lijken. Toen heb ik het verhoor van Franciscus van der Kraay even overgenomen. De manier waarop ik dat deed, stond Buitendam niet aan. Hij stuurde mij weg… terwijl ik niet de bedoeling had om hem te kwetsen.’
De jonge rechercheur schoof een stoel bij.
‘De commissaris en de officier van justitie geloven echt dat Van der Kraay het heeft gedaan?’
‘Die indruk kreeg ik.’
‘Beide moorden?’
‘Inderdaad.’
‘Kan het?’
De Cock trok zijn schouders op.
‘Het zou voor Kraaitje prachtig zijn als uit ons onderzoek zou blijken dat de moord op de heer Daerthuizen werd gepleegd op een moment na het tijdstip waarop wij hem bij zijn moeder thuis arresteerden. Dat verschaft hem voor de tweede moord een onaantastbaar alibi… terwijl dan tevens zijn aandeel in de moord op meester Van Abbenes uiterst twijfelachtig wordt.’
‘Hoezo?’
De Cock gebaarde voor zich uit.
‘Je zult het met mij eens zijn… er is een duidelijk verband tussen beide moorden. Van Abbenes en Daerthuizen kenden elkaar, hadden vermoedelijk ook gezamenlijke belangen. Ze werden beiden ’s nachts, op ongeveer hetzelfde tijdstip, met een telefoontje uit hun huis weggelokt en in beide gevallen ontving onze commissaris na de daad een vreemd telefoontje van een mysterieuze vrouw.’
Vledder knikte begrijpend.
‘We moeten voor beide moorden dezelfde dader vinden. Als Kraaitje de tweede moord niet heeft begaan, dan is hij ook niet verantwoordelijk voor de eerste.’
‘Precies.’
‘En anders?’
‘Dan blijft Van der Kraay, technisch gezien, een redelijke verdachte… voor beide moorden.’
Vledder grijnsde.
‘Met een telefonerende Martha als de geheimzinnige vrouw met een tekst over eigen gerechtigheid.’
De Cock knikte.
‘Het is naar mijn gevoel een ongerijmdheid,’ sprak hij somber, ‘maar het kan… en daar hebben wij als rechercheurs rekening mee te houden.’
Vledder keek naar de grote klok. ‘Zullen we naar huis gaan? Het is bij halfvijf.’
De Cock kwam licht kreunend uit zijn stoel omhoog. Op dat moment stormde Jan Kusters de recherchekamer binnen. In zijn hand een telexbericht.
‘Ze hebben het lijk van een man gevonden,’ sprak hij gehaast.
‘Waar?’
‘Achter de Westerkerk… met een ingeslagen schedel.’