Peter van Opperdoes bleef staan op de brug over de Brouwersgracht en keek over het water in de richting van de Marnixstraat. Slierten dikke mist rolden, net als gisteravond, langzaam de binnenstad in. Het leek een voorbode van nog meer naderend onheil, alsof de dood zich in de donkere nevel had verscholen, om van daaruit meedogenloos toe te slaan.’
De oude rechercheur voelde hoe de koude, donkere sluiers hem omhulden en de stad langzaam tot zwijgen brachten. Langzaam trok hij de kraag van zijn warme montycoat omhoog. Even was het, net als de vorige avond bij het Stenen Hoofd, of hij helemaal alleen was.
Eenzelfde innerlijke rust als gisteren kwam over hem. De koude mist ging door merg en been, maar Van Opperdoes voelde zich of hij hier uren zou kunnen staan, ondanks die kou, ondanks zijn vermoeidheid. De wereld om hem heen was er even niet meer. Zou het einde zo voelen? Een simpele stap voorwaarts die je in een heel andere wereld bracht? Was het maar zo, dacht de oude rechercheur. Was het maar zo simpel en vredig.
Het was stil en eenzaam om hem heen, maar nog nooit had hij zijn overleden vrouw zo dicht bij zich gevoeld als nu. Alsof ze hand in hand op de brug stonden, of arm in arm.
Toen Van Opperdoes weer bewoog, had hij geen idee hoelang hij op de brug had gestaan. Hij glimlachte en liep naar zijn huis. Binnen sloot hij de gordijnen, na een laatste blik op de gracht. Hij schoof zijn favoriete stoel iets dichter naar de kachel, die behaaglijk loeide, en zette zijn geluidsinstallatie aan.
Hij zocht een cd uit een stapeltje dat op de kast naast de versterker stond. Door de kamer stonden diverse boxen, en zelfs aan het plafond had Van Opperdoes luidsprekers opgehangen. Muziek was eigenlijk zijn enige hobby, maar hij genoot er volop van.
Onlangs had Jacob nog een cd van Frank Sinatra voor hem meegenomen, met een oude radio-cd-speler, die nu op de recherchekamer stond.
De cd schoof traag in de speler, en de stem van een van de oude crooners klonk zacht door de kamer: ‘Everybody loves somebody sometimes.’
Hij liet zich in de comfortabele stoel zakken en genoot van de omfloerst romantische stem van Dean Martin. Zijn vrouw vond deze muziek prachtig. Maar niet te veel en te vaak, zei ze er dan snel achteraan.
Gek genoeg hield hij zich daar nog steeds aan, ondanks het feit dat hij nu alleen was. Hij leunde achterover en sloot zijn ogen. De tijd op de brug had hem goedgedaan, maar nu liet hij de vermoeidheid toe, die zijn lichaam en geest overnam. Het gevoel dat zijn vrouw toch nog zo dicht bij hem was, had hem genoeg warmte gegeven en hem gerustgesteld — of hij het zich nou inbeeldde of niet. Na vijf minuten viel hij in een weldadige slaap, met een zachte glimlach op zijn gezicht.
Toen hij wakker werd, krakend opstond uit zijn stoel en de gordijnen een stukje openschoof, was de wereld nog kleiner geworden dan toen hij op de brug stond. Hij kon de geparkeerde auto’s voor de deur amper zien. Hij schoof de gordijnen weer dicht. Zo midden in de nacht voelde het goed om die wereld nog even buiten te sluiten. Hij bleef staan, het gordijn in zijn handen, en probeerde zich te herinneren wat hij had gedroomd.
De auto op de Westerdoksdijk, daar had hij over gedroomd.
En hij was terug op het Stenen Hoofd, waarvandaan hij naar de verlichte flat van mevrouw Van Lier keek. De auto en de flat, daar had hij over gedroomd. Hij fronste nadenkend en liet zich terug in zijn stoel zakken. Niets gebeurde ooit zonder reden, zelfs niet in je dromen, wist hij. Waarom droomde hij hierover? Had hij iets over het hoofd gezien?
Zijn vrouw had al eerder zijn aandacht op de auto gevestigd: ‘Weet je trouwens al iets over die auto?’ Dat was letterlijk wat ze gevraagd had — en dat vroeg ze precies op het moment dat het lichaam van mevrouw Van Lier uit het water werd gehaald.
Vreemd, vond Van Opperdoes, want de ontdekking van dat derde lijk was op dat moment natuurlijk belangrijker dan die auto. En toch vroeg zijn vrouw naar die auto.
Dat deed ze niet voor niets.
De oude rechercheur dacht na. Die auto… wat kon hij daar nou nog meer mee? Het spoor liep vooralsnog dood, in ieder geval kwamen ze nu niet veel verder. De wagen was gehuurd door een man met een vals rijbewijs, wiens foto zo algemeen was dat het dagen zou duren voordat ze de foto vergeleken hadden met de politieregisters. Misschien moesten ze wat meer met die foto, bedacht hij.
Van Opperdoes liep naar zijn slaapkamer, waar zijn bed keurig opgemaakt klaarstond. Vanaf het kaptafeltje, dat nog steeds in de slaapkamer stond, keek zijn vrouw hem in een fotolijstje glimlachend aan.
Even later viel hij in een diepe, droomloze slaap.
Toen Jacob de volgende ochtend de recherchekamer betrad, zag hij tot zijn verwondering zijn collega al voor het raam staan, met een kop dampende koffie in de hand. Van Opperdoes wees energiek naar zijn bureau.
‘Daar staat hete thee voor je. Net gezet. Ik zag je aan komen lopen.’
‘Had je geen zin om even uit te slapen?’
‘Ik heb geslapen als de spreekwoordelijke roos. Helemaal uitgerust!’ Van Opperdoes wees naar het witte bord aan de muur. ‘Ik heb zelfs in mijn slaap nog huiswerk gemaakt. Ik moet toegeven, het is eigenlijk best een handig ding, dat witte bord.’
Nieuwsgierig draaide Jacob zich om. Op het bord stond, onder elkaar in pietepeuterig net handschrift, een aantal vragen. Jacob deed een stapje dichterbij en las ze hardop voor. Erboven stond ‘Onderzoeksvragen’.
Waar woont Willem van Kampen (kofferbak)?
Wie is de man op het rijbewijs die de auto heeft gehuurd?
Wat staat er op het stikje uit de kleding van Willem van Kampen?
Waarom is Hempie (Stenen Hoofd) doodgeschoten?
En mevrouw Van Lier?
En Willem van Kampen?
Door wie zijn ze vermoord?
Jacob hield zijn hoofd schuin en liet de vragen even door zijn hoofd dwalen. ‘Ja, veel meer kan ik er ook niet van maken. Dat zijn precies de goede vragen, daar kunnen we wel even mee door. Er zijn nog wel duizend andere vragen, maar dit zijn de zeven belangrijkste om verder mee te komen in het onderzoek. Vooral vraag zes en zeven.’
Van Opperdoes glimlachte. ‘Hopelijk krijgen we daar het antwoord op als we de vragen één tot en met vijf eerst beantwoorden.’
Jacob tikte tegen het bord. ‘Stikje is trouwens met een c. Het is namelijk Engels. Een stick.’
Van Opperdoes keek hem licht geamuseerd aan. ‘Je begrijpt toch wat er staat?’
‘Dat wel, ja.’
‘Nou dan.’
Jacob schonk zichzelf een kop thee in en ging op de rand van zijn bureau zitten. ‘Vraag vijf kan ik trouwens wel beantwoorden. Ze is vermoord omdat ze de moordenaar op het Stenen Hoofd gezien heeft.’
Het duurde heel even voordat Van Opperdoes aarzelend antwoordde. ‘Daar hebben we het over gehad, ik weet het. Maar ik heb hem er toch maar bij gezet. Het is aannemelijk, misschien zelfs logisch, dat de moordenaar van Hempie ook haar heeft vermoord. Maar ja, straks zit het allemaal heel anders in elkaar dan wij denken.’
‘Hoe groot is die kans?’
Van Opperdoes maakte een weifelend gebaar. ‘Niet groot, dat geef ik toe. Maar je mag nooit iets uitsluiten.’
De oude rechercheur liet zich in zijn stoel zakken, opende de onderste lade van zijn bureau en zette zijn voeten op de rand. Hij maakte een breed gebaar in de richting van de vragen. ‘Waar wil je mee beginnen?’
‘Met datgene wat het snelst resultaat kan opleveren.’
Van Opperdoes wierp een blik op het bord. ‘Lijkt me een uiterst logische denkwijze. Maar welke is dat?’
Jacob maakte een weifelend gebaar. ‘Van Willem van Kampen hebben we geen adres, zelfs geen huissleutel.’
Van Opperdoes knikte instemmend. ‘Klopt.’
‘En we hebben van degene die de auto gehuurd heeft wel een foto, maar geen naam,’ vervolgde Jacob. ‘Dus kies maar waar we mee beginnen. Uitzoeken wie er op de foto staat, of uitzoeken waar Willem van Kampen woont.’
Van Opperdoes zuchtte. ‘Dat wordt een hele klus. Maar het is wel belangrijk, dus ik wil weten waar Willem van Kampen woont.’
‘Mooi gezegd: wie weet waar Willem woont…’
De oude rechercheur keek hem lachend aan. ‘Dat was niet zo bedoeld.’
‘Maar het blijft grappig. Het klopt trouwens dat het een hele klus is. We kunnen moeilijk alle deuren in Amsterdam aflopen. Trouwens, wie zegt dat hij in Amsterdam woonde? Voor hetzelfde geld woonde hij in Utrecht of Den Haag of weet ik veel waar…’
Een peinzende trek gleed over het gezicht van de oude rechercheur. ‘Laat me je een verhaal vertellen.’
Hij leunde ontspannen achterover en schonk zichzelf een nieuwe kop koffie in.
‘Er was eens een echte Amsterdamse jongen. Hart op de tong, lekker ruw, je kent ze wel. Opgegroeid in de binnenstad, op het slechte pad geraakt, en uiteindelijk uitgegroeid tot een grote crimineel. Van kwaad tot erger. Er werd uiteindelijk, jaren later, door allerlei instanties… de Amsterdamse politie, Nationale Recherche, noem maar op… op hem gejaagd. Het was een grote vis, zeiden ze allemaal. Hij werd verantwoordelijk gehouden voor… och…’ Van Opperdoes maakte een achteloos gebaar ‘… wel vijf of zes moorden. Handel in verdovende middelen, witwassen, noem maar op. Sommige mensen noemden hem een van de grootste leiders van de Amsterdamse onderwereld. Maar niemand kon hem vinden. Wat ze ook deden, waar ze ook zochten, ze hadden geen idee waar hij was. Er werd een beloning uitgeloofd, er kwamen veel verschillende tips binnen. Van burgers, maar ook uit de onderwereld. Hij zou in Thailand zitten, hij zou in Zuid-Afrika zitten, hij woonde in Colombia, of op een eiland voor de kust van Zuid-Amerika.’
Van Opperdoes pauzeerde even, roerde in zijn koffie en nam een slok voordat hij zijn verhaal vervolgde.
‘Er werd heel lang en intensief samengewerkt met allerlei buitenlandse instanties, en op verschillende plekken in het buitenland werden huiszoekingen verricht. En wat denk je?’
‘Ze vonden hem niet.’
Van Opperdoes glimlachte. ‘Ze vonden hem wel. En waar denk je dat ze hem vonden?’
Jacob haalde zijn schouders op. ‘Geen idee.’
De pretoogjes van Van Opperdoes glinsterden. ‘Doe eens een gok.’
Jacob keek naar het plafond en dacht diep na. ‘Als ik nou een grote crimineel was… wat zou ik dan doen? Had hij geld?’
Van Opperdoes maakte een breed armgebaar. ‘Ach, zoveel geld… hij zou het niet op kunnen maken, zelfs al zou hij willen.’
Jacob grijnsde. ‘Dat maakt het allemaal wel heel aantrekkelijk. Ik zou ergens een mooi warm land uitkiezen, met witte stranden en mooie vrouwen. En dan met name een land dat geen uitleveringsverdrag heeft met Nederland. Brazilië of zo?’
Van Opperdoes priemde met zijn vinger naar Jacob. ‘Precies! Heel goed. Dat moet je hebben. En er zijn genoeg van die landen in en rond Zuid-Amerika, die nooit uitleveren, toch? Vooral als je veel geld hebt.’
‘Natuurlijk.’
Van Opperdoes knikte tevreden. ‘Dus waar denk je dat ze hem vonden?’
‘Dat kan overal zijn. Brazilië noemde ik al. Peru heeft geen uitleveringsverdrag, dat weet ik, want daar zit die Joran van der Sloot. Maar of je daar als grote crimineel met veel geld gaat zitten? Laat ik het dan maar op Brazilië houden… of misschien Thailand? Daar zat Mieremet ook, ook zo’n grote jongen. Als je genoeg geld hebt, levert niemand je uit in dat soort landen…’
Van Opperdoes bromde. ‘Mieremet heeft het niet veel geholpen. Zelfs in Thailand vonden zijn tegenstanders hem. Hij is daar geliquideerd. Maar in ieder geval… beide landen kan ik niet goed rekenen als antwoord op mijn vraag.’
‘Vertel het me dan maar, want ik kan nog wel vijftig landen opnoemen waar hij kon zitten.’
Weer twinkelden de pretlichtjes in de ogen van Van Opperdoes. ‘Hij werd hier in Amsterdam opgepakt. Midden in de Jordaan, waar hij opgegroeid is. Hij zat verscholen op een etage, drie-hoog-achter. Verscheen sporadisch op straat, en dan alleen nog in vermommingen.
Waarmee ik alleen maar wil zeggen: het was een echte Amsterdammer, die zijn stad niet wilde of kon missen. Hij had overal op de wereld kunnen schuilen… maar koos uiteindelijk voor zijn eigen fijne Amsterdam. Met alle risico’s van dien.’
Jacob knikte bedachtzaam. ‘Waarmee jij wilt zeggen?’
‘Willem van Kampen was ook een echte Amsterdammer, die zijn stad niet zou kunnen missen.’
‘Dus die heeft hier in de buurt gewoond. In de Jordaan?’
Van Opperdoes zette zijn koffie op tafel. ‘Zonder enige twijfel. En ik weet misschien ook nog wel iemand die mij kan vertellen waar dat was.’
Hij keek op zijn horloge. ‘Laten we naar het ziekenhuis gaan.’
Jacob fronste. ‘Want?’
‘We hebben een foto nodig van het gezicht van Willem. En volgens mij zijn ze nu bezig met de sectie.’
Van Opperdoes trok zijn knieën op en schoof zijn bureaula dicht.
In het sectielokaal was het een drukte van belang. De patholoog-anatoom stond naast de sectietafel, waar het lichaam van Willem van Kampen naakt op lag. De patholoog had zijn armen over elkaar, en wreef met een hand nadenkend over zijn kin. Hij werd geflankeerd door zijn assistent, die om de tafel heen liep met een vervaarlijk mes in de hand. Achter hem liep Bram van Wielingen, de politiefotograaf, met zijn camera in de aanslag.
Toen de patholoog Van Opperdoes en Jacob zag binnenkomen, beiden met een onhandig grote blauwe jas aan, een monddoekje voor hun gezicht en een beschermend mutsje potsierlijk op hun hoofd, kon hij een glimlach niet onderdrukken. Bram van Wielingen zwaaide even van achter de sectietafel en ging door met foto’s maken van het lichaam.
‘Dokter,’ begroette de oude rechercheur de patholoog.
De patholoog begroette hen met een vriendelijke knik.
Jacob, bij wie alle kleur uit zijn gezicht verdween op het moment dat hij het lichaam op de sectietafel zag liggen, hield zich wijselijk op de achtergrond.
‘Had u een vraag, dat u ons eert met uw bezoek?’ wilde de patholoog weten, terwijl hij met vaardige hand de onderzochte organen van Van Kampen weer in het lichaam plaatste.
Jacob werd zo mogelijk nog witter en rolde met zijn ogen.
Van Opperdoes wees naar Bram van Wielingen. ‘Ik wilde hem vragen om een fatsoenlijke foto te maken van het gezicht van Willem van Kampen.’
Bram van Wielingen stoof als door een adder gebeten om de tafel heen en ging vlak voor Van Opperdoes staan, zijn gezicht vertrokken van pure verontwaardiging.
‘Mijn foto’s zijn altijd fatsoenlijk! Meer dan fatsoenlijk.’
‘Natuurlijk zijn ze dat. Hemel, Bram… was je nou echt in de veronderstelling dat ik iets anders suggereerde?’
De grote ogen van Van Opperdoes drukten opperste verontwaardiging uit, maar Jacob wist dat onder het mondkapje van Van Opperdoes een welhaast duivelse glimlach schuilging. Zijn relatie met Bram van Wielingen was er een met hindernissen. De oude fotograaf was een notoire mopperaar, maar leverde wel altijd vakwerk af. Van Opperdoes schepte er altijd plezier in hem op de kast te jagen.
‘Wat bedoel je dan?’
Peter van Opperdoes legde zijn hand op de schouder van Van Wielingen. ‘Ik heb een fatsoenlijke foto nodig, die we aan de mensen kunnen laten zien. Dus niet een foto waarop het gezicht van een dode man te zien is. Hij moet eruitzien of hij slaapt.’
Bram van Wielingen trok een grote grijns. ‘Zeg dat dan. Regel ik toch voor je.’
De patholoog zag het allemaal licht hoofdschuddend aan. Hij boog zich over het gezicht van Willem van Kampen, duwde de geopende oogleden en mond zorgvuldig dicht en knikte bedachtzaam. ‘Dat komt wel goed. We maken er iets moois van.’
‘U bent al klaar met hem, zag ik?’
De patholoog wierp een blik op de klok. ‘We zijn al klaar met alle drie, kwestie van heel vroeg beginnen. Ik zag dat de schouwartsen voor dit slachtoffer verstikking als mogelijke doodsoorzaak hadden aangegeven?’
‘Puntbloedinkjes,’ mompelde Jacob van achter zijn mondkapje.
‘U zegt?’ vroeg de patholoog, terwijl hij de laatste organen van de roestvrijstalen snijtafel pakte en in het lichaam terug stopte.
‘Laat maar…’ Jacob wendde zijn blik snel af.
‘Bij het onderzoek op de plaats delict troffen ze puntbloedinkjes aan,’ verduidelijkte Van Opperdoes.
‘Scherp opgemerkt van ze,’ complimenteerde de patholoog. ‘Verstikking is inderdaad de doodsoorzaak. Verwurging, om precies te zijn. Met de handen, of met een breed voorwerp.’
Hij wenkte zijn assistent — die de liefkozende bijnaam ‘de snijer’ had gekregen — dat hij klaar was en dat het lichaam weer dichtgenaaid kon worden. De assistent pakte een dikke naald en draad en begon zijn afsluitende werk.
De patholoog gooide zijn handschoenen weg en ging de twee rechercheurs voor naar de ruimte naast het sectielokaal. Hij verwijderde zijn beschermende kleding en waste zijn handen en polsen grondig en traag.
Opgelucht trok ook Jacob zijn handschoenen uit. ‘Een breed voorwerp?’
‘Denk aan een brede riem, zoiets. Of brede handen. Maar het is wel met kracht gebeurd.’
De patholoog bestudeerde de aantekeningen die tijdens de secties gemaakt waren.
‘De twee andere slachtoffers zijn beiden op identieke wijze om het leven gebracht. Schoten in de borst. Het mannelijke slachtoffer heeft een schot in de borst gekregen terwijl hij overeind stond, en vervolgens twee schoten in het hart toen hij op de grond lag. Dat konden we reconstrueren uit de baan van de kogel in het lichaam. Eén kogel vrijwel horizontaal het lichaam in, de twee andere onder een hoek, alsof de man op de grond lag en de schutter aan zijn voeten stond. Ik zal wel een schets maken bij het sectierapport.’
Van Opperdoes knikte nadenkend. ‘Dat is wel zo ongeveer wat we hadden verwacht.’
De patholoog spreidde zijn armen uiteen. ‘Ik kan er ook niet meer van maken.’
Hij liep het sectielokaal in en kwam terug met twee kleine plastic potjes. ‘De kogels, die zijn voor jullie.’
Jacob nam ze over en borg ze zorgvuldig op in een plastic zak, speciaal bestemd voor in beslag genomen voorwerpen.
Peinzend richtte de patholoog zich tot de beide rechercheurs. ‘Ik heb het toch goed begrepen, dat de twee mannelijke slachtoffers vrijwel tegelijkertijd zijn gevonden? Een op het Stenen Hoofd en een in een kofferbak daar vlakbij?’
Van Opperdoes reageerde vol aandacht. ‘Dat klopt. De vrouw is later vermoord en gevonden. Die twee mannen zijn inderdaad vlak na elkaar aangetroffen.’
De patholoog bestudeerde bedachtzaam zijn aantekeningen. ‘Dat was me inderdaad al opgevallen, dat zij later is vermoord. Op dat tijdstip kom ik nog terug. Maar er speelt iets anders. Misschien is het interessant voor uw onderzoek. Ik ben er nog niet helemaal zeker van, ik wil nog wat bloedtesten laten doen… maar…’ hij laste een bijna dramatische pauze in, waardoor de twee rechercheurs volledig aan zijn lippen hingen ‘… volgens mij zijn de twee mannen in ieder geval niet vlak na elkaar vermoord. Integendeel zelfs.’