Thuis was het aangenaam. Peter van Opperdoes had de kachel warm opgestookt en de gordijnen expres opengelaten. Het contrast tussen binnen en buiten kon nauwelijks groter zijn dan nu. Buiten joeg de koude wind de eerste mistflarden, net als iedere nacht, alweer over de Brouwersgracht. Tot het moment dat Van Opperdoes de sleutel in het slot had gestoken, was de nacht mild geweest, maar nu spookte het weer behoorlijk.
Van Opperdoes installeerde zich in zijn warme en comfortabele stoel voor het raam, met op zijn schoot zijn trouwe Moleskine-boekje. Op twee pagina’s had hij een duidelijk schema getekend van alle gebeurtenissen van de laatste twee dagen. Hij kon nu de naam invullen bij de onbekende foto van de man die de auto had gehuurd waar het lijk van Willem van Kampen in lag: Dennis Post.
In het huis van Dennis was het mogelijke moordwapen gevonden, waarmee Hempie en mevrouw Van Lier waren doodgeschoten. Er lag een brief waarin hij… of iemand anders… spijt betuigde. In zijn boekje kon de oude rechercheur lijnen trekken van Dennis Post naar twee van de drie vermoorde mensen. Naar Willem van Kampen trok hij een lijn, met een vraagteken erbij. Een connectie vinden tussen Van Kampen en Dennis Post zou slechts een kwestie van tijd zijn. Als hij inderdaad de dader was, waren de drie moorden opgelost. En Dennis Post had zelfmoord gepleegd, dus zou de zaak snel afgesloten kunnen worden.
Hij keek door het raam, waar de mist nu weer de gracht versluierde, waardoor zijn wereld klein en eenzaam werd. De opmerkingen van zijn vrouw echoden na in zijn hoofd. Nog niet zo lang geleden had de eenzaamheid hem ontzettend benauwd, en leek daardoor alle kleur uit zijn leven verdwenen te zijn. Het overlijden van zijn vrouw had hem zo aangegrepen, dat niets hem vreugde schonk.
Hij had de Warmoesstraat voor bureau Raampoort verruild, maar zat eigenlijk het liefste thuis. Omgeven door alleen zijn herinneringen aan haar beeld, haar lach, het zachte klikken van haar pantoffels op het parket. Alles leek ineens grijs, grauw en somber… een somberheid die hij verafschuwde. Toch was er langzaamaan weer wat kleur in zijn leven gekomen en leerde hij omgaan met die eenzaamheid. Het scheelde natuurlijk dat hij haar nog steeds in zijn nabijheid voelde. De gesprekken die hij met haar had en het gevoel dat ze hem nooit in de steek zou laten werden zijn grootste troost. Ze stimuleerde hem zelfs tijdens de moordonderzoeken. Daardoor, en doordat de relatie met zijn collega Jacob was uitgegroeid tot een warme vriendschap, was ook zijn zin in het recherchewerk weer terug.
Hij sloot het Moleskine-boekje, deed de gordijnen dicht en besloot op zijn intuïtie te vertrouwen.
Iets klopte er niet.
‘The Beatles. Weet je dat zeker?’
Peter van Opperdoes haalde zijn schouders op. ‘Als het niet werkt, hebben we het in ieder geval geprobeerd. Als het niet het goede wachtwoord is, hebben we ook niks verloren.’
IJsselstein haalde zijn schouders op. Hij zat met een laptop naast het bureau van Van Opperdoes en stak de usb-stick van Willem van Kampen erin. Er klonken wat indrukwekkende piepjes, en een klein scherm opende zich, waarin om het wachtwoord werd gevraagd.
‘Beatles’, typte IJsselstein in.
Een rood kruis verscheen.
‘Dat is hem niet…’ IJsselstein klonk somber.
‘Je hebt “Beatles” ingetypt. Probeer eens “The Beatles”. Zo heten ze officieel.’
IJsselstein typte het in. Het eerste scherm verdween, waarna een nieuw scherm zich opende en de inhoud van de usb-stick zichtbaar werd.
IJsselstein drukte opgetogen op wat toetsen. ‘Het is nog heel wat werk, maar hier ga ik uit komen!’
Hij nam de laptop mee en verdween gehaast naar zijn hok op zolder.
Jacob keek hem na. ‘Dat is een mooie doorbraak… Mag ik vragen hoe je aan die wijsheid kwam? Of is dat geheim?’
‘Welnee, helemaal niet. Ik liep naar huis, kwam langs de woning van Willem van Kampen, en besloot nog eens te kijken of ik iets kon vinden over dat wachtwoord. En toen zag ik posters en cd’s van The Beatles. Nou ja… zo ging het een beetje. Niet geschoten is altijd mis, toch?’
Jacob keek zijn collega onderzoekend aan. ‘Ik denk het.’
‘Geloof je me soms niet?’
‘Ik geloof jou onvoorwaardelijk. Ik heb trouwens nog eens over de zaak nagedacht.’
‘O, echt waar?’
Jacob peinsde. ‘Ja, ik heb er geloof ik zelfs over gedroomd. Belachelijk, maar goed. Kun je nagaan hoe zoiets je bezighoudt.’
Van Opperdoes glimlachte. ‘Inderdaad. En wat was je conclusie?’
Jacob wreef over zijn kin. ‘Dat er maar één reden is die ik nu kan bedenken waarom Dennis Post die mensen zou hebben vermoord. En als dat inderdaad de reden is… dan hebben we nog een probleem.’
Van Opperdoes keek Jacob verwachtingsvol aan. ‘En dat is?’
‘De enige reden die ik kan bedenken, is dat Dennis Post de moorden in opdracht heeft gepleegd.’
Van Opperdoes ging rechtop zitten. Dit was inderdaad een interessante theorie, die ook door zijn hoofd was geschoten. Dennis Post was al eerder, volgens zijn antecedenten, als ‘katvanger’ gebruikt — iemand die zich beschikbaar stelt om bijvoorbeeld auto’s op zijn naam te zetten voor iemand anders. Als die auto dan, in het minste geval, een verkeersovertreding maakte, bleef de werkelijke bestuurder buiten schot en kwam de politie uit bij Dennis Post: een kale kip waar niets van te plukken viel.
Nu was hij een stapje verder gegaan: hij had wel een auto gehuurd, maar met een geheel vervalst rijbewijs. Dat betekende dat hij niet achterhaald wilde worden als de huurder. Dennis Post was weer een stapje hoger op de criminele ladder geklommen, en wie weet wilde hij meteen wel doorstoten tot aan de top, door zich als moordenaar te verhuren.
‘Ja, dat zou heel goed kunnen. En inderdaad… dat geeft ons nog iets om door te zoeken.’
Jacob knikte. ‘Ja, want wie gaf hem dan de opdracht?’
Van Opperdoes leunde achterover. ‘Daarvoor komen we bij de aloude vraag die wij ons bij moorden altijd moeten stellen.’
Jacob fronste. ‘En die vraag is?’
De oude rechercheur liet zijn hoofd iets achterover zakken en staarde naar het plafond. ‘Wie… van alle betrokkenen… profiteert er het meest van de dood van het slachtoffer?’
‘Monica van Molenbeek? Omdat ze van Willem van Kampen af wilde zijn? Of haar ex-man Hans van Donkeren… om dezelfde reden? Of…’
Een klop op de deur onderbrak zijn filosofische gedachten.
IJsselstein kwam binnen met een verhit hoofd. ‘Weet je wat hierop staat?’ Hij hield de usb-stick omhoog.
Van Opperdoes liet zijn stoel omhoogveren. ‘Natuurlijk niet. Maar dat ga jij ons vast vertellen.’
IJsselstein ademde diep in en uit van opwinding. ‘Dit zijn allemaal geheime bestanden van een advocaat.’
‘Van wie?’
IJsselstein slikte. ‘Meester De Nilo.’
Advocaat De Nilo zat, gekleed in een duur maatpak, schijnbaar ontspannen in de verhoorkamer.
‘Hebt u geen comfortabeler spreekkamer?’
Peter van Opperdoes maakte een verontschuldigend gebaar. ‘Wij moeten het doen met wat het Rijk ons ter beschikking stelt. Onze cliënten betalen meestal geen uurtarief van… Hoeveel rekent u eigenlijk?’
De Nilo glimlachte minzaam. ‘Mijn uurtarief ligt vast iets hoger dan dat van u. Maar als u privé een interessante zaak omhanden heeft waar u mijn hulp voor nodig hebt, ben ik bereid om een prettig aangepast tarief te rekenen.’
‘Dat is nobel van u. Helaas zullen we qua stoelen moeten roeien met de riemen die we hebben.’
Advocaat De Nilo haalde zijn schouders op. ‘Het zij zo. Ik wil wel graag weten waarvoor u mij wilde spreken. Ik zit niet al te ruim in mijn tijd, dat zult u begrijpen.’
Van Opperdoes monsterde De Nilo. Ongetwijfeld was het een zeer intelligente advocaat, maar zijn houding riep bij Van Opperdoes een hevige weerstand op. De Nilo hield er een irritant soort morele superioriteit op na. Maar er was meer. De Nilo had zichzelf in veler ogen helemaal gediskwalificeerd door zich als consigliere aan criminele organisaties te verhuren, wist Van Opperdoes. Andere bronnen dachten dat De Nilo net zo crimineel was als de mensen die hij verdedigde.
Op z’n best was De Nilo dus omstreden.
Van Opperdoes schoof een a4’tje richting De Nilo. ‘Ik zal het kort houden. Herkent u dit?’
Het effect was verbijsterend. De Nilo haalde het papiertje naar zich toe en wierp er een blik op, met nog steeds dezelfde minzame blik. Maar zijn gezicht verstrakte nadat hij de eerste regels had gelezen.
‘Hoe komt u hieraan? Dit zijn namen van bestanden waar u helemaal niets van behoort te weten.’
‘Wij hadden gehoopt dat u ons dat kon vertellen.’
De Nilo tikte met een zorgvuldig gemanicuurde vinger op het papier. ‘Dit is een lijst met namen. Hebt u de daadwerkelijke computerbestanden die hierbij horen ook?’
Van Opperdoes knikte ernstig.
Nu trok alle leven uit het gezicht van De Nilo, hoewel hij probeerde om zorgeloos te lijken. Maar dat lukte hem slecht, want zijn lippen persten zich opeen en zijn handen spanden zich tot zijn knokkels wit werden.
‘Ja? Hebt u de bestanden? Hebt u ze ook ingezien?’
Van Opperdoes maakte een ontspannen indruk. ‘Niet echt. We hebben de bestanden aangetroffen op een zogenaamde usb-stick. We hebben slechts geprobeerd te achterhalen wat erop stond. Op het moment dat duidelijk werd dat er informatie over uw cliënten op stond, zijn we gestopt met lezen. We weten natuurlijk dat u een zogenaamde “geheimhouder” bent, als advocaat, en dat het ons verboden is om inzage te hebben in uw spullen.’
De Nilo stak een vinger naar voren. ‘Al mijn gesprekken, bestanden of wat u verder nog hebt, vallen onder het recht van vrije omgang met mijn cliënten. U mag daar niets van lezen.’
Van Opperdoes was niet onder de indruk. ‘Dat zei ik toch net?’
De Nilo ontspande iets. ‘Inderdaad, dat zei u. Neem me niet kwalijk, maar het feit dat de politie… toch een beroepsmatige tegenstander… over mijn bestanden beschikt, vervult me met enige zorg.’
‘De usb-stick is veilig bij ons.’ Van Opperdoes vouwde zijn handen in elkaar. ‘Als we de politie al niet meer kunnen vertrouwen… toch?’
‘Nee, daar zegt u wat,’ mompelde De Nilo zachtjes en cynisch. ‘Dat stelt me helemaal gerust. Ik zou graag zien dat u deze bestanden ongezien aan mij retourneert en mij een verklaring geeft hoe u eraan komt.’
Jacob leunde naar voren. ‘Misschien kunt u ons een beetje helpen, bij die verklaring?’
‘Als goede burger zal ik natuurlijk alles doen om u te helpen.’ Het klonk positiever dan hij het bedoelde.
‘Misschien kunnen we dan bij het begin beginnen. Wanneer en hoe bent u die bestanden kwijtgeraakt?’
Nu aarzelde de anders zo zelfverzekerde advocaat. ‘Dat weet ik niet.’
‘Heeft u ergens uw laptop laten liggen? Of een usb-stick met bestanden erop?’ vroeg Jacob, op een toon alsof het routinevragen waren.
Het duurde even voordat De Nilo antwoordde en in die tijd probeerde Van Opperdoes zich een beeld te vormen van de man tegenover hem.
Een gladde, snelle prater met dure pakken en dure maniertjes, maar zonder scrupules. Hij kon mensen inpakken met mooie volzinnen, maar door zijn houding voelde iedereen zich ongemakkelijk bij deze man. Je proefde de dubbele agenda, de verborgen bijbedoeling bij alles wat hij deed of zei. Deze man was nooit ‘echt’.
Was deze man in staat om Willem van Kampen te vermoorden, of te laten vermoorden, als die bij hem had ingebroken en de bestanden had gestolen? Van Opperdoes hoefde er geen seconde over te twijfelen: absoluut.
De Nilo haalde de schouders op. ‘Ik zou het niet weten. Ik heb mijn bestanden op mijn laptop staan, en die staat gewoon bij mij thuis of op mijn kantoor. Het is mij een raadsel hoe die bestanden ergens anders kunnen opduiken. Misschien dat ze van buitenaf gehackt zijn. Dat kan tegenwoordig.’
Achter De Nilo, door de geopende deur heen, keek Van Opperdoes heel even naar IJsselstein, die hij gevraagd had mee te luisteren en die in een stoel rondjes zat te draaien. IJsselstein trok een spottend hoofd, schudde nee en mimede het woord ‘gelul’.
Van Opperdoes deed zijn best zijn gezicht in de plooi te houden. ‘Of misschien is er bij u ingebroken?’
De spottende, bijna hooghartige toon keerde weer terug. ‘Dat had ik dan toch wel gemerkt, denkt u niet?’
Van Opperdoes knikte kort, zonder iets te laten merken. Hij probeerde te doorgronden waarom De Nilo even had geaarzeld in zijn antwoord. Daar konden twee redenen voor zijn. Of hij wist überhaupt niet dat de bestanden van hem gestolen waren en was er oprecht verbaasd over dat dat gebeurd was, of hij wist heel goed dat ze gestolen waren, maar had nooit verwacht dat de gestolen bestanden bij de politie zouden opduiken.
Stel… dacht Van Opperdoes, dat Willem van Kampen de bestanden bij De Nilo had gestolen, en De Nilo hem uit wraak daarvoor had vermoord of laten vermoorden? De moordenaar had de kleding en de woning van Van Kampen doorzocht, kennelijk om de bestanden terug te vinden. Die hadden ze niet gevonden, omdat Van Kampen ze goed had verstopt, ingenaaid in zijn kleding. De moordenaar had aan De Nilo gemeld dat de bestanden er niet meer waren… en nu doken ze ineens op bij de politie…
‘Geen inbraak dus?’ vroeg Van Opperdoes.
De Nilo schudde zijn hoofd. ‘Niet dat ik weet.’
Van Opperdoes merkte dat de absolute controle bij De Nilo weer terug was. Zijn pantser was weer opgetrokken en ondoordringbaar. De twee rechercheurs zouden er in dit verhoor niet achter komen wat de waarheid was over de gestolen bestanden.
Van Opperdoes probeerde een laatste vraag. ‘Laten we ervan uitgaan dat de bestanden bij u weggehaald zijn, op welke manier dan ook. U had het over ons als beroepsmatige tegenstanders…’
De Nilo probeerde een sussend gebaar te maken, maar Van Opperdoes liet zich niet afleiden.
‘Het geeft niet. Misschien ziet u het zo, dat wij dat zijn. Maar laten we ook even constateren dat wij absoluut niet degenen zijn die u de bestanden afhandig hebben gemaakt. En als iemand anders dat gedaan heeft, dan hebt u nog meer tegenstanders. Mijn vraag is dus kort en simpel: wie? Wie heeft belang bij die bestanden? Wat staat erop?’
De Nilo verschoof even op zijn stoel. ‘Ik snap de vraag en ik hoor wat u zegt. Maar u begrijpt… mijn beroepsgeheim verhindert mij op die vraag antwoord te geven. En ik kan niet genoeg benadrukken dat u de bestanden niet mag inzien. Ik zal straks de officier van justitie bellen, en vervolgens de rechter-commissaris, en hen verzoeken u op te dragen alles aan mij te overhandigen.’
Hij stond op en knikte kort en formeel.
‘Heren.’
De twee rechercheurs bleven even zitten nadat De Nilo de kamer verlaten had.
‘En?’ wilde Jacob weten.
Van Opperdoes zuchtte. ‘Ik heb volgens mij advocaten weleens aangeduid als beroepsleugenaars… Dat werd mij toen niet in dank afgenomen.’
Jacob lachte. ‘Zei je dat tegen een advocaat?’
Van Opperdoes kreeg glimoogjes. ‘Het is toch zo? Altijd voor een rechtbank vol overtuiging volhouden dat hun cliënt onschuldig is… er niets aan kon doen… of een zielige jeugd heeft gehad. Terwijl ze donders goed weten dat ze daar een misdadiger mee uit de gevangenis proberen te houden. Ik zou dat niet kunnen. Maar sommige advocaten… zoals De Nilo… hebben het liegen tot een ware vorm van kunst verheven. Deze man zit dieper in de onderwereld dan wij denken.’
‘Dus hij wist dat Willem van Kampen zijn bestanden heeft gestolen, en heeft hem daarom vermoord? Of laten vermoorden?’
Peter van Opperdoes stond op. ‘Het zou me niets verbazen.’